boekrecensies in Leydraden

Ik schrijf regelmatig boekrecensies die gepubliceerd worden in het literaire tijdschrift 'Leydraden' van de Literaire Kring Goirle.

Pascal Mercier
Het gewicht van de woorden
Margaret Atwood
de testamenten
Ilja Leonard Pfeijffer
grand hotel europa
Norbert de vries
Hieromdat

Pascal Mercier, Het gewicht van de woorden, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2019, 447 blz.

Een enthousiaste aanbeveling van duorecensist Frans de Groot: moet je lezen, echt iets voor jou leidde mij naar Pascal Mercier, Het gewicht van de woorden. Omdat de bieb het als bestseller uitleende (twee weken) las ik dit kloeke boek tijdens de eerste twee weken van de coronacrsis. In het colofon staat als copyright 2019 Nederlandse vertaling Els Snik. Het copyright van het Duitse origineel vermeldt 2020 Carl Hanser Verlag GmbH & Co. KG. München, oorspronkelijke titel: Das Gewicht der Worte.

Ja, het boek heeft bijna alles om het “echt iets voor mij” te laten zijn. Op de eerste plaats toevallige biografische gegevens. Peter Bieri, die achter het pseudoniem schuilt, heeft hetzelfde geboortejaar als ik: 1944. Ik weet wat het is om een man van 75 te zijn. Daarnaast was Bieri tijdens zijn werkende leven hoogleraar filosofie. Nu ben ik nooit hoogleraar geweest, maar wel heb ik 38 jaar lang in het hoger beroepsonderwijs filosofie gedoceerd. In mijn borst wonen twee zielen: die van de filosoof en van de theoloog. Ze leven vreedzaam naast en met elkaar. De theoloog (predikant, pastor) weet wellicht nog méér van het gewicht van de woorden (“In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God”) dan de filosoof. De titel van het boek spreekt mij dus aan. Daarnaast is Simon Leyland, de hoofdpersoon van de roman, een polyglot; vreemde talen is echt zijn ding, zeg maar. Zo is het bij mij ook. Grieks, Latijn, Duits, Frans, Engels, Russisch, Hebreeuws, ik wil niet opscheppen, en ook niet beweren dat ik die talen beheers, maar ik weet wel dat ik met groot plezier me vermeid heb met deze talen, honderden, duizenden uren heel mijn leven lang. Simon Leyland heeft als ambitie alle talen rond de Middellandse zee te “kennen”, dat zijn er heel wat. Simon is vertaler, veel woorden besteedt Mercier aan de kunst en het ambacht van vertalen. Zelf heb ik ook veel vertaald, zo begrijp ik waar hij het over heeft. Als het genot van de lectuur voor een deel bestaat uit herkenning en identificatie dat is dit boek voor mij midden in de roos.

Ik heb genoten van het boek, de verhalen, de personages. Maar. Over dat maar moet het gaan. Als dit het definitieve boek zou zijn dat alle andere boeken overbodig maakt, konden we de bieb, Buitelaar en Leydraden wel opdoeken. Gelukkig is dit nog niet nodig. Tenzij het coronavirus ons de beslissing uit handen neemt en er een einde aan maakt. Er groeiden tijdens mijn lezing enkele irritaties, daar zal ik lucht aan geven. Maar eerst dit: schrijf ik voor mensen die het boek gelezen hebben? Liefst wel, dan kunnen we onze indrukken vergelijken en met elkaar in gesprek gaan (al gebeurt dat nooit; onze lezers zijn bepaald niet reactief). Of voor lezers die het boek niet gelezen hebben? Frans de Groot houdt er niet van als ik de plot spoil, maar wie het boek ter hand neemt en de achterflap leest ziet het daar al uitgespeld. Simon Leyland krijgt te horen dat hij nog maar kort te leven heeft. Hij leeft zo'n acht weken met die wetenschap en bereidt zich voor een middel in te nemen dat een goede vriend Patrick Kilroy voor hem in Ljubljana wil gaan halen. “Dan krijgt hij het bericht dat alles verandert. Zijn medisch dossier is verwisseld met dat van een andere man. Plotseling heeft hij een leven voor zich. Maar wat gaat hij daarmee doen, nu hij en zijn omgeving zich hebben neergelegd bij zijn dood en afscheid hebben genomen?”

Eerste irritatie. Simon heeft tot zijn 60ste een mooi, rijk leven gehad; zijn grote verdriet is dat de liefde van zijn leven, zijn vrouw Livia, zeven jaar geleden plotseling is overleden. Het doodsvonnis (een glioblastoma multiforme dat ravage aanricht in zijn hersenen) is in het drama van zijn leven de grote cesuur. Het leven voor en na. Het herinnerde leven, het gruwelijke niemandsland, en het nieuwe leven daarna. In dat nieuwe leven maakt hij de meest fantastische dingen mee, leert hij de meest fantastische mensen kennen die goede vrienden worden, komt hij voor het eerst echt in contact met zijn kinderen Sophie en Lesley (papà altijd met zijn neus in de boeken, niet storen), en hij blijft maar zeuren – ja sorry, ik kan er echt niets anders van maken – hoe alles geweest zou zijn als die arts oplettend was geweest en die stomme vergissing niet had gemaakt en hij zijn oude leven had kunnen voortzetten. Op het eind gaat Simon een roman schrijven en daar bedenkt hij de figuur Louis Fontaine, een man van zijn leeftijd, die er niets meer aan vindt omdat het leven een en al herhaling is.

Tweede irritatie. Heel het boek is een zoektocht naar “de eigen stem.” Simon heeft altijd vertaald, hij is altijd bezig geweest met de stem van de ander. Hij heeft weliswaar telkens zijn eigen woorden moeten vinden voor een adequate vertaling, maar dat is niet genoeg. Eigen stem gaat hij zien als: een roman schrijven, vanuit het niets (zoals God dus) iets scheppen dat geheel aan zijn verbeelding ontsproten is en dat geheel in zijn eigen woorden verteld wordt. Een hoogleraar filosofie weet dat dit godsonmogelijk is: je bent ingebed in een cultuur, een taal, een traditie. Je bent een voetnoot bij Plato. Wie zei dat weer: ik kan me geheel uitdrukken in citaten? En zouden alleen mensen die een roman schrijven een eigen stem hebben? Is al het andere volk als vee dat blaat en mekkert? De theoloog zegt: er is de stem van de roepende in de woestijn, en er is de Stem, die klinkt vanuit de hemel: Jij bent mijn geliefde zoon in wie ik vreugde heb. In de kerk wordt gezongen: Here God, wij zijn vervreemden door te luist'ren naar uw Stem, leidt ons naar het nieuw Jeruzalem. Als helemaal op het einde van het boek – je vraagt je de laatste 100 bladzijden voortdurend af: waar gaat dat heen, hoe moet dit boek ooit eindigen – Simon Leyland inderdaad een roman gaat schrijven en zijn eigen stem gaat vinden, gebruikt hij dezelfde stem die hij al het hele boek gebruikt en verzint hij een personage dat als twee druppels water op de auteur lijkt. Hij lijkt dat zelf niet in de gaten te hebben.

Derde irritatie. Simon schrijft brieven aan zijn overleden vrouw Livia. In het begin vond ik die brieven “mooi” en getuigen van een liefde die over de dood heen reikt. Maar op een gegeven moment denk ik: Simon, jongen, hou eens op. Zal ik even de stem lenen van Livia aan de overzijde: “Ach, sweet Simon, hou eens op met die brieven; je stoort me in de visio beatifica; ik kan die hersenkronkels van jou niet zo goed volgen; het is hier veel eenvoudiger, je hebt daar geen idee van. Ga door met je leven, je bent vrij, ik vind alles goed.” Natuurlijk gelooft Simon niet dat hij met zijn brieven Livia bereikt. Hij is een ongelovige, hij gelooft niet in een leven hierna. Hij weet – hij zegt het keer op keer, de herhalingen in dit boek zijn niet van de lucht, dat hij het eigenlijk tegen zich zelf heeft. Waarom hij die brieven aan Livia, cara, niet in een eigen stem denkt te schrijven is me een raadsel. Enfin, het irriteert me.

Vierde irritatie. De figuur van Simon. Ik zou hem Joris noemen. Joris Goedbloed. Jezus Gristus wat is die Simon goed, zo'n beetje als JC zelve. Als hij de uitgeverij heeft verkocht (vanwege zijn doodsvonnis) is hij schatrijk, hij barst van het geld. Ten behoeve van zijn vriend-vertaler Andrej Koezmin die uit huis dreigt te worden gezet omdat het pand verkocht wordt overbiedt hij de vraagprijs met een ton en wordt zo eigenaar; Andrej is vrij van huur, heeft een veilig dak boven zijn hoofd, en kan zonder zorgen verder leven. In Engeland dreigt een uitgeverij van vrienden om te vallen. Simon geeft een schenking van een half miljoen pond om de tent te redden. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Simon en de goede werken. Simon doet alleen maar goed. “In die man is geen kwaad te vinden” (Pilatus tegen de hogepriesters over Jezus). Weer moet ik aan een (afgezaagd) kerkliedje denken: alles heeft Hij welgedaan, tot wie zou ik anders gaan? Er is de criticus Neil McKenna die de vertalingen van Simon Leyland altijd afkraakt. Hij geeft hem de bijnaam Bleakland. Heeft hij niet een beetje gelijk? Simon is als karakter “bleak”: vlak, dor, bloedeloos. Maar Mercier is niet naïef in zijn verhaal, want hij geeft een tegenverhaal van de schrijfster Francesca Marchese die in haar roman Chiara Palladio opvoert die ook alleen maar goed doet met het enorme fortuin dat in haar schoot geworpen wordt (en daarover een roman schrijft: Droste, Droste, Droste tot je er duizelig van wordt) en de ervaring van deze Chiara is dat al dat goed doen slechts tot narigheid leidt, scheve verhoudingen, gedwongen dankbaarheid, ressentiment.

Vijfde irritatie. Waarom heet Het gewicht van de woorden een roman? Bij de Goirlese roman van Norbert de Vries vroeg ik het, bij de roman van Ilja Leonard Pfeiffer, Grand Hotel Europa vroeg ik het, en nu vraag ik het weer – misschien gaat u dat irritant vinden. In een roman moet het gaan om de vraag: krijgen ze elkaar of krijgen ze elkaar niet. Daar zit ik de hele tijd op te wachten maar dat interesseert Pascal Mercier niet. Er komen verschillende vrouwen in aanmerking om de nieuwe liefde van Simon te worden, vooral Francesca Marchese, de enige vrouw op wie Livia jaloers was terwijl ze dacht: hmm. Zij schrijft een geweldige roman, maar ze is zo persoonlijk dat ze twijfelt of ze hem in druk wil laten verschijnen. De enige man die hem mag lezen is … Simon. Deze Francesca en Simon, ze lijken voor elkaar gemaakt, hier zou je de uitroep van Adam verwachten die zijn ogen laat vallen op Eva: been van mijn gebeente, zielsverwanten, tochtgenoten. Maar nee. Tegen het einde van de roman denk ik dat Simon zijn eigen stem gaat ontdekken, c.q. zijn eigen seksuele identiteit gaat vinden, door nog uit de kast te komen als homoseksueel en in Kenneth Burke, zijn overbuurman in Londen met wie hij een fantastische relatie heeft opgebouwd en die intiemer met hem is dan wie ook (hij alleen mag delen in de ontwikkeling van de roman rond Louis Fontaine) de nieuwe liefde van zijn resterende leven zal vinden. Maar nee. Het is irritant dat er geen seks voorkomt in dit boek, geen verliefdheid, geen verlangen naar een intieme relatie of een levensgezel. Deze Mercier is een platonist van de bovenste plank. Bleak. Bloedeloos. Even denk je dat “het” er in komt via Louis Fontaine, de man die het leven beu is en die alleen nog maar alleen wil zijn. Maar in de onderwoning – tegen de afspraak in, maar er is een noodsituatie – komt de zus van de verhuurder, Julie Lescaut, een schilder, een voortreffelijke portretkunstenares, die het klaarspeelt de iezegrim te ontdooien door portretten van hem te tekenen en te schilderen. “Nu kan ik niet meer weg, dacht Louis toen hij 's avonds op zijn terras naar de lichten van de trein uit Avignon zat te kijken. Hij had zijn koffer uit de auto gehaald en weer uitgepakt. Julie had hem de tekening meegegeven, die lag in de woonkamer op tafel. Ze wisten zo goed als niets van elkaar af, en toch was er nu een band tussen hen, een merkwaardig intieme band, zoals hij dat eerder nog nooit had meegemaakt” (blz. 427). Je zou toch denken: hier gaat de roman in de roman in de roman eindelijk een roman worden. Maar nee, ook deze merkwaardige intieme band implodeert. Deze Louis is overigens een bovenste beste kerel die alleen maar goedheid om zich heen spreidt.

Zesde irritatie. De leukste figuur die Pascal Mercier bedenkt is Sophia. De dochter van Simon. Zij was verpleegster, wordt door haar omgeving gestimuleerd om medicijnen te gaan studeren, haalt haar arts-examen, is al met al tien jaar bezig geweest in de sector … en haakt dan af: ze kan er niet meer tegen, tegen de poeha van de witte kaste, hun arrogantie, hun onaantastbaarheid. Ik had het haar wel gegund als de almacht van de romancier haar Paolo Michelis had gegeven. Paolo is de zoveelste gek in dit boek die zijn leven helemaal wijdt aan de woorden. Tien jaar lang is hij bezig geweest aan de roman die alle romans overbodig maakt, hij heeft een manuscript liggen van 1000 bladzijden. Zowel Simon en Francesca zijn beiden overtuigd dat de roman absoluut geniaal is, etc. etc. bla bla bla. Niemand zal dit boek uitgeven? Niemand? Simon wel, hij de patroon voor hopeloze gevallen. De jongen heeft een geweldige persoonlijkheid, hij heeft generositá, hij heeft magnanimitá, nog groter dan onze lieve Heer zelve. Sophia is meteen helemaal hoteldebotel. Ze leest en herleest de roman, kent hem uit haar hoofd. Het is wederzijds: de jongen valt voor Sophia: dat moet zijn vrouw worden, hier moet het Hooglied gezongen worden. En dan gaan ze naar Rome, naar de plaats waar de roman zich afspeelt zodat de plaats niet alleen van Paolo zal zijn maar ook van Sophia: zodat Rome een gedeelde ervaring zal worden want ze zullen voortaan alles delen en één vlees zijn niet langer twee. Maar in Rome ontdekt Sophia dat Paolo haar niet meeneemt, dat ie het bed ontvlucht om aan de woorden te schaven. De woorden hebben voor hem een groter gewicht dan de liefde van Sophia, daar komt het op neer en dat voelt Sophia aan. Het wordt dus niks. Weer niks.

Zevende irritatie. Misschien is dit geen echte irritatie, maar een soort deernis, met ons woordkramers en woordkunstenaars: zijn we niet allemaal zoals Paolo? Zijn we niet veel te gewichtig met onze woorden? Wat is het gewicht van de woorden als ze ons niet helpen in onze (huidige) levensnood? Simon loopt op de meest heftige momenten van zijn leven af en toe een kathedraal in. Maar het zegt hem niet veel. De muziek van Bach, het orgelspel: het zegt hem niet veel. Ik sluit met een stukje dat Ilja Leonard Pfeiffer schreef op 24 maart 2020 vanuit zijn quarantaine in Genua: “Mijn missie van vandaag was dat ik medicijnen moest achterlaten op de overloop voor de deur van Stella's moeder. Op de terugweg zag ik dat de kathedraal open was. Ik ging naar binnen. Er zat één man te bidden. Verder was er niemand. Ik ging zitten en keek naar het bronzen Mariabeeld van Stella's beeldhouwer op het hoofdaltaar. Ze was afgebeeld als de koningin van Genua. Engelen zweefden uit de hemel om haar te kronen. Ik kon natuurlijk niet echt gaan zitten bidden, hoewel niemand mij zag. Maar god ziet alles. Het is maar goed dat hij niet bestaat. Ik dacht aan mijn ouders, die in Nederland wonen en zij keek naar mij. Ik voelde de eeuwen die zij en haar kerk hadden doorstaan en ik hoorde de stemmen van allen die voor mij hoop hadden afgesmeekt bij nog grimmigere epidemieën. De geschiedenis bood troost, zo concludeerde ik, omdat ik niet kon toegeven dat Maria dat deed.”

Ik ga niet eindigen met een citaat van ILF. Ik kom terug op mijn aanvankelijke bewering dat het boek bijna alles heeft om “echt iets voor mij te zijn”. Afgezien van de geschetste irritaties heb ik wel degelijk genoten van het boek. Ik kon me wel identificeren met Simon Leyland. Behalve zijn merkwaardige gewoonte om op de kade in Triëst met zijn benen in het water te bungelen, let wel niet met blote benen, in korte broek of zwembroek, nee: geheel gekleed in lange broek, sokken en schoenen. Zou ik nou nooit doen. Nu ik Triëst heb genoemd moet ik ook Londen noemen: in dit dikke boek krijg je het heen en weer tussen beide steden, ik moest aan doctorandus P. denken. Ik moest ook aan de boeken van Rachel Cusk denken (Kudos, Outline) die een aaneenschakeling van verhalen zijn. Zij doet dat beter dan Mercier. En verder wordt de theologische ziel in mijn inborst te weinig bediend door Mercier.

(Gepubliceerd in Leydraden nummer 119, september 2020)

terug

Margaret Atwood, De Testamenten, Prometheus, Amsterdam, 2019, 439 blz.

Destijds had ik wel boeken van Margaret Atwood gelezen, maar The Handmaid's Tale had ik gemist, en vervolgens ook “de uiterst populaire bekroonde televisieserie” (flap), de bewerking van de genoemde Tale. Op een of andere manier mis ik allerlei uiterst populaire dingen, merk ik wel eens. In een woord van dank (blz. 437) zegt Margaret Atwood “dat De Testamenten al voor een deel geschreven werd in het hoofd van de voorganger, Het verhaal van de Dienstmaagd, die me maar bleven vragen wat er na het einde van die roman gebeurde. In vijfendertig jaar kun je lang nadenken over mogelijke antwoorden, en die antwoorden veranderen naarmate de maatschappij zelf veranderde, en mogelijkheden werkelijkheid werden. De inwoners van veel landen, waaronder de Verenigde Staten, leven onder een veel grotere druk dan dertig jaar geleden.”  

Mogelijkheden die werkelijkheid worden. De Canadese Margaret Atwood (Ottawa, 1939) schrijft kennelijk over haar zuiderbuur de V.S. waar een man president kan worden die vindt dat je vrouwen bij de pussy moet grijpen, die zijn presidentschap misbruikt voor persoonlijk gewin, die een grote minachting aan de dag legt voor recht en rechtvaardigheid, voor persvrijheid en democratie, en die goede maatjes is met de grote schurken van deze globe. America first = Donald Trump first. Hij maakt een goede kans om herkozen te worden.

Ik begrijp dat The Tale en nu The Testaments zich afspelen in een totalitaire theocratie van christelijke snit, een dystopie waarin het christendom op een totaal geperverteerde wijze werkelijkheid is geworden in een staat die uit de as is herrezen na een vernietigende burgeroorlog in de V.S. Gilead als de erfopvolger van de V.S. In juni van het jaar 2197 wordt een Dertiende Symposium over Gilead georganiseerd door een historisch genootschap en daar wordt o.a. de vraag besproken of De Testamenten die wij anno 2019 griezelend van afschuw gelezen hebben fake is of een authentieke getuigenis. Tegen die tijd is Gilead weer ten onder gegaan, als gevolg van wat er in De Testamenten (in Canada en in the world at large) boven water kwam. De V.S. zijn hersteld. Het historisch genootschap beschikt niet over alle info, want er is een soort digitale gap: bijna alles wat in de cloud zat is verloren gegaan, gewist en niet meer te traceren, begrijpt u? Het oude handwerk van historici komt weer van pas.

Nu, wat zal ik zeggen over De Testamenten? Het is walgelijk fascinerend. Het totalitaire rechtschapen leven Onder Gods Oog is gruwelijk. Ik had even de neiging om uit te roepen: leve het rooms-katholicisme! dat is tenminste een vrij onschadelijke vorm van christendom. Maar ik herinnerde me nog net op tijd de schandalen van seksueel misbruik in de rkk, en het boek van de Franse onderzoeksjournalist Frédéric Martel, Sodoma en het geheim van het Vaticaan. Een laatste loot aan die stam is het proefschrift van Mary Lembo, een non uit Togo, dat aantoont hoe wijdverbreid het seksueel misbruik is van zusters door mannelijke geestelijken (NRC 4 januari 2020). Beschaamd slik ik die uitroep nu maar in. Een aantal sadistische praktijken herken ik uit de verhalen van (zeer) oude religieuze zusters (in Gilead “de tantes”), bijvoorbeeld oefeningen om gehoorzaamheid te testen, trots te breken, de wil uit te schakelen. Brandschone gangen poetsen en opnieuw poetsen komt voor in Gilead en kwam voor in de kloosters van onze tante-zusters. Alles in naam van de heilige gehoorzaamheid en de volledige toewijding aan God en de overste als diens plaatsvervanger. Mary Lembo zegt: Zusters leerden zichzelf als inferieur te zien.

Wat moeten we met De Testamenten? Zie je wel zeggen: weg met religie, weg met het christendom, weg met God? Dat is de infantiele reactie, en overigens is dat het kind met het badwater weggooien waar ik niet voor ben. Ik denk wel dat je theocratie moet bestrijden, en de fundamentalistische uitleg van de bijbel en alle zogenaamd heilige testamenten, zowel oude als nieuwe. Als ik dit schrijf lees ik een recensie van “De bijbel, het boek, de verhalen en hun geschiedenis”, geschreven door John Barton en uitgegeven (tot verbazing van de recensent in Trouw, Marijke Laurense) niet door een obscuur biblebelt uitgeverijtje maar door De Bezige Bij (768 blz.). Laurense geeft als centrale zin uit dit lijvige werk: “De ongelooflijke diversiteit van het materiaal in de Bijbel mag niet versimpeld worden door er alleen wezenlijke principes uit te halen, maar moet juist worden omarmd als een feest van verscheidenheid.” Volgens het format van deze recensies geeft ze “Redenen om dit boek niet te lezen”, dus opgelet Gilead-aanhangers en vurige bestrijders van het christendom: “Om met Bartons redenering mee te gaan moet u wel afstand kunnen nemen van het (volgens hem conservatief-fundamentalistische) idee dat de Bijbel van A tot Z waar, betekenisvol, belangrijk, diepzinnig consequent en door God geïnspireerd is. De Bijbel blijft weliswaar ontzagwekkend, maar is volgens Barton uiteindelijk toch feilbaar mensenwerk. Verder moet u er een zee van tijd voor nemen en soms enkele pagina's willen watertrappelen als u dreigt te verdrinken in Bartons oceanische kennis van zaken.”

Goed, ik heb wat meer tijd gekregen (niet verder vertellen, hoor) en ik lees momenteel Barton lezen. Deze lectuur doet me meer plezier dan Atwoods De Testamenten. Overigens is de centrale zin (blz. 199) van Atwood: “het leven is nu eenmaal kut.”

P.S. Op 27 december 2019 las ik een korte recensie van Jet Steinz in NRC Boeken van The Handmaid's Tale. Ze besluit haar lovende bespreking met: “Helaas, zo geraffineerd als dit boek in elkaar zit, zo potsierlijk bleek opvolger The Testaments, met z'n oppervlakkige personages, enigszins voorspelbare plot, onnodige expliciteringen en routineuze cliffhangers, die niet eens hun werk doen, want doorlezen kostte me moeite. Wat een teleurstelling. Ik doe maar gewoon alsof Atwood The Testaments nooit geschreven heeft, en ze het gehouden heeft bij haar tijdloze klassieker.” Potverdrie, Jet, dan heb ik het verkeerde boek gelezen.

(Gepubliceerd in Leydraden nummer 117, februari 2020)

terug

Ilja Leonard Pfeiffer, Grand Hotel Europa, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam – Antwerpen, 2018, 547 blz.

“Twee pufjes Rosso di Ischia en zeezoutlotion op mijn wangen”

Ik had het boek gereserveerd bij de bieb en moest er lang op wachten. Intussen zag ik week na week de Top Tien van meest verkochte boeken voorbij komen, met Grand Hotel Europa steeds present, en ik dacht: er gaan mij heel wat mensen voor. Maar is dat erg? Is dat verdrietig? Is wachten vervelend? Volgens Dirk De Wachter (1960), een Vlaamse psychiater in Buitenhof van 13 oktober 2019, hoort dat allemaal bij het leven, en ik ben dat met hem eens. Er zijn trouwens wel ergere dingen dan wachten op GHE.

“Roman”, staat onder de titel. Bij Hieromdat, de Goirlese roman van Norbert de Vries, twijfelde ik aan de juistheid van die aanduiding. Wat hij geschreven had noemde ik ten slotte een Hieromdat. Ik vind GHE ook geen roman. Het is meer een Ilja Leonard Pfeiffer. Hoelang is het geleden dat hij als slotact optrad in de Nacht van het Gedicht? De Literaire Kring zou hem nu niet meer kunnen betalen, declaratie van een retourtje Genua-Eindhoven plus de gage zou een zeker failliet betekenen. Bijna elk boek van ILP (zo'n 40 inmiddels) werd genomineerd of kreeg een prijs, maar de Libris voor GHE liep hij mis. Niet ten onrechte wat mij betreft, want ik vind GHE geen absoluut meesterwerk.

Wat is GHE dan wel als het geen roman en geen absoluut meesterwerk is? Ik zie het op de eerste plaats als een pamflet tegen het massatoerisme. Er zou een scherp essay te destilleren zijn uit GHE; GHE is zo dik omdat hij wel 100 keer zijn punt maakt. Op een gegeven moment begint dat te vervelen. Binnen dat thema past zijn typering van Europa als museum, als geschiedenis, als pretpark voor de (Aziatische) massatoerist. ILP bedient zich vaak van bombastisch taalgebruik, de dialogen zijn nogal ongeloofwaardig: zo spreekt niemand, ook ILP niet (zoals blijkt wanneer hij geïnterviewd wordt op de buis). Zou er één lezer zijn die na lezing van GHE zijn gedrag verandert, niet meer op reis gaat, niet meer vliegt? Een meesterwerk verandert echter je leven. Als ik het mis heb, lezer-die-zijn-leven veranderd heeft: schrijf een briefje naar Leydraden, laat het Willem Wouters Weten.

Op de tweede plaats is GHE een soort dagboek. ILP noteert hoe hij zijn (huidige, vorige?) vriendin heeft leren kennen, hoe hij en Clio (zijn muze, zijn herinnering, zijn fatum: voor een classicus een vrij voor de hand liggende vondst) met elkaar omgingen en hoe hij haar weer kwijtraakte. Vervelend vind ik dat Clio regelmatig opmerkingen maakt richting schrijver-geliefde in de trant van: dat kan in je nieuwe boek. Schrijver-geliefde vindt dat dan een goed idee, en inderdaad: het staat in GHE. Vervelend vind ik te lezen hoe ILP uitgebreid toilet maakt (“twee pufjes Rosso di Ischia en zeezoutlotion op mijn wangen” – blz. 469), welke superieure kleren hij aantrekt, in welke dure winkels hij ze gekocht heeft. Helemaal overbodig is de verhaallijn over het project met de twee Marco's, een Nederlandse en een Italiaanse, en een Greet die zich onledig maakt met de subsidieaanvraag over boek en film over het massatoerisme. We lezen over nutteloze bijeenkomsten, vage prietpraat over het concept, een uitstapje naar Giethoorn. Ach, als je het leuk vindt kun je er misschien om lachen: hier wordt natuurlijk de gesubsidieerde wereld van kunsten en projecten belachelijk gemaakt. De film over het massatoerisme komt er niet, maar dankzij de hardwerkende, ongesubsidieerde vakman ILP komt GHE er wel.  

Op de derde plaats is GHE een anti-reisgids voor Venetië. Waar ILP met La Suberba een verdienstelijk boek over Genua schreef, herhaalt hij dat kunstje met La Serenissima. Venetië gaat helemaal naar de kloten door het massatoerisme. De bijna-ramp met het enorme cruiseschip bij de San Marco, lijkt in GHE voorzegd te worden. Tussen de bedrijven door worden we vergast op een queeste naar een verloren gewaande Maria Magdalena van Caravaggio. Clio is Caravaggio-specialist, ILP is een snelle leerling en op het laatst overtroeft hij haar; ILP is altijd beter.  

Op de vierde plaats zit in GHE een novelle over het hotel met die naam. De sigaretjes die hij rookt met Abdul, de piccolo, de gesprekken met de majordomus, Montebello, de ontmoetingen met medegast Patelski met wie hij zijn ronkende zinnen kan uitwisselen en met zijn geleerdheid epateren, de ontwijkingen met de Franse dichteres Albane met wie hij een anti-verhouding ontwikkelt. Best amusant allemaal, vooral de pikante episode met het Amerikaanse minderjarige grietje dat hem seks opdringt. De spannende vraag van deze verhaallijn is of hij ooit de oude mysterieuze dame te zien zal krijgen, de vorige eigenares van het hotel, die zich opgesloten heeft in een suite ergens in de krochten van het grote hotel.

GHE is veel te dik. Dat weet ILF zelf ook. Maar ook hier speelt hij zijn spel door zich te verlustigen in de tirades van Clio, zijn teerbeminde, die maar niet kan begrijpen hoe zij met zo'n dikzak om kan gaan. Ironie! Ik las dat ILP een nieuw boek het licht heeft doen zien: Ondraaglijke lichtheid, over het nut en nadeel van de ironie voor het leven. Een essay deze keer, waarin hij afrekent met ironie. Voortaan geen ironie meer, zegt hij. Jamal Ouarlachi (NRC Boeken, 18 oktober 2019) gelooft hem niet, vindt het een misbaksel van een essay. “Ilja Leonard Pfeijffer heeft een wel zo onbenullig essay over ironie geschreven, dat je geneigd bent te denken dat het ironisch bedoeld is.” En: “Van gedachte veranderen kan gezond zijn, maar als je het al te vaak doet, komt je geloofwaardigheid in het geding. Nu het politiek zo uitkomt streeft aarts-ironicus Pfeijffer ineens naar oprechtheid. Maak dat de kat wijs. Misschien is het ironie, en dan is Ondraaglijke lichtheid een oninteressante, in zichzelf gekeerde grap. Maar waarschijnlijk is dit alles oprecht bedoeld, en dan is het alleen maar lachwekkend.” Oei, heeft Ilja ooit zo'n pak slaag gekregen van een recensent in de NRC, het blad waarin hij elke twee weken een verstaanbaar gedicht publiceert?  

Wat ik gemist heb in het obese GHE is het beloofde gedicht over de ontklede Clio: met die belofte begint zijn relatie met haar. Dat gedicht krijgt zij niet en wij dus ook niet. Jammer. Met dit oorvijgje kan ik mijn opmerkingen wel afronden; doe er maar wat zeezoutlotion op, ILF.

(Gepubliceerd In Leydraden nummer 116, november 2019)

terug

Norbert de Vries schrijft Hieromdat, een Goirlese roman

Herinneren we ons die mislukte discussie tijdens een literair café (25 mei 2012) met Ted van Lieshout? Na Teds voordracht van een “blokgedicht” merkte Ad Haans op dat het geen gedicht was, het was proza. Een oeverloze discussie kwam ten einde toen Van Lieshout Haans toebeet: je kunt vinden wat je wil, het zijn gedichten en als zodanig worden ze ook uitgegeven (zie Leydraden nummer 89, september 2012). Zo kun je ook vragen: is Hieromdat een roman? Norbert noemt het een roman, dus vind ervan wat je wilt, hij geeft zijn boek uit als roman. Het woord roman is bij mijn (beperkte) weten niet wettelijk beschermd. Norbert weet alles, zo wisten we al, en dit wordt nu ten overvloede bevestigd door Hieromdat; dus ik geef hem het voordeel van mijn twijfel.

Als ik Hieromdat in een genre zou moeten indelen, zou ik denken: 1. het is een gedichtenbundel waarin vooral vergeten dichters uit de achttiende en negentiende eeuw tot nieuw leven worden gewekt, 2. het is een collage van hoogst ongebruikelijke woorden wier etymologie wordt verklaard, 3. het is een weerlegging van de these dat Latijn dood is, 4. het zijn kanttekeningen bij bepaalde aspecten van Goirle in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, 5. het is Het Bureau van Voskuil maar dan anders. In Hieromdat zijn de titaantjes drie excentrieke en perifere Goirlese ambtenaren die zich weliswaar kapot vervelen, maar dat is het verhaal niet. Ze trekken zichzelf uit de verveling, de nutteloosheid van hun bestaan en de helaasheid der dingen op door onwaarschijnlijk geleerde, geletterde, geestige en geestelijke gesprekken: Tiest Santegoets, de rasechte Goirlenaar, Servé Hustinx uit Mestreech en Livinus Kappelman die de baan in Goirle heeft gekregen op voorspraak van een oom die burgemeester was van een kleine gemeente in de buurt van Den Bosch (blz. 15); in  hem menen we de auteur te herkennen. Bij nader inzien zijn het alle drie afsplitsingen van Norbert, deze dialogen kunnen in werkelijkheid nooit zo gevoerd zijn. Het zijn droomgestalten. Ik heb Norbert de Vries in Goirles Nieuwsblad eens – jammer dat Norbert mij geen plaatsje in zijn Goirlese roman heeft gegund – dat neem ik hem echt kwalijk – op basis van observaties tijdens een commissievergadering “de maffende ambtenaar” genoemd. Hij heeft ambtshalve veel geslapen en tijdens die slaap heeft hij die gesprekken gedroomd en toen ie wakker werd heeft hij ze opgeschreven. Het enige verhaal is de story met de 16-jarige Anahita van Dun; zij verdrinkt in de Leij, is het een ongeluk, is het moord? De rijkspolitie van Goirle, met de hulp van de Tilburgse recherche, lost het niet op. Daar kunnen de drie musketiers zich niet bij neerleggen, dus brengen ze de zaak in een stroomversnelling om in de metafoor te blijven. Er is veel stroming in deze roman, er vloeit veel water door de Leij. 6. het zijn Norbertiaanse ideosyncrasieën van filosofische en theologische aard: ook het waereldraadsel wordt (bijna) opgelost. 7. het is één grote stamppot van de zes hierboven genoemde categorieën, en de kok is een meesterkok. De ingrediënten behouden alle hun geur, kleur en smaak, er is niets grauws aan Hieromdat. Het is dus een genre sui generis, ik zie weinig reden om zijn boek een roman te noemen, ik zou eerder zeggen dat het een Hieromdat is.

Wat is een Hieromdat? De eerste en de laatste zin luiden: we're here because we're here. Die zin keert in vertaling terug in de titel: we zijn hier omdat we hier zijn, en dat leidt tot het neologisme hieromdat. We hoeven de herkomst van de vraag niet ver te zoeken, de auteur heeft het er zelf ook over: de eerste vraag van de catechismus luidt immers: waartoe/waarom zijn we op aarde? Hieromdat geeft antwoord op die vraag, het is het zeer persoonlijke antwoord van Norbert de Vries op de zeer algemeen menselijke vraag. Ik heb van Hieromdat genoten, er is een goede kans dat ik het boek zal herlezen.

(Gepubliceerd in Leydraden nummer 115, september 2019)

terug