preken & praatjes op maandag

Geen traditionele zondagspreken hier, maar elke maandag een actuele preek, gegeven in de kapel van Huize Glorieux te Eindhoven.

maandag 18 januari 2021
Heb. 5, 1 – 10 en Marcus 2, 18 – 22

Vandaag een kort evangelie, slechts vijf verzen. Maar Marcus is sowieso kort van stof, hij schrijft zijn verhaal in grote vaart. Heel geschikt voor ongeduldige mensen. Kort maar krachtig, is het gezegde. In die vijf verzen zitten een paar pittige uitspraken: geen nieuwe wijn in oude zakken, nee, jonge wijn moet in nieuwe zakken. Naai geen lap van ongekrompen stof op een oude jas, anders trekt het opgezette stuk eraan, nieuw aan oud, en wordt de scheur nog erger. Het moet als muziek in de oren klinken van jonge mensen die alles anders willen, die zich gefrustreerd voelen door de traagheid van de dingen. Zou Jezus zich als een lap ongekrompen stof hebben gezien? Zich zelf hebben gevoeld als jonge wijn? Zijn optreden schuurde wel: hij is voortdurend in botsing met farizeeën, schriftgeleerden en de oudsten van het volk. Ook in het fragment dat we vandaag lezen storen de farizeeën zich aan het feit dat de leerlingen van Johannes wel vasten, maar zijn leerlingen niet. We zien scheuren op diverse plaatsen in het evangelie. De hemel scheurt open als Jezus zich laat dopen in de Jordaan, het voorhangsel van de tempel scheurt op het moment dat Jezus sterft aan het kruis. Een scheur hoef je niet per se als iets negatiefs te zien, zoals de beroemde regel van Leonard Cohen zegt: There is a crack in everything. That’s how the light gets in. In alles zit een barst, zo komt het licht naar binnen. De nieuwe lap die het christendom vormt heeft een scheuring gebracht met het Jodendom waaruit Jezus voortkwam; hedendaagse theologen gaan dat steeds meer betreuren; ze zien steeds beter hoe schadelijk die scheuring is (geweest) voor het begrijpen van Jezus en voor de identiteit van het christendom. De tekst van de eerste lezing uit de brief aan de Hebreeën is voor een hedendaags mens compleet onbegrijpelijk, je reinste wartaal, als je niet de wereld van het Jodendom kent, de oudtestamentische beelden, de taal der psalmen. Priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek. Mijn zoon ben jij, ik heb je vandaag verwekt. Je moet dan weten: aha, Leviticus, Exodus, psalm 2 en psalm 110. Niet als een staaltje van bijbelgeleerdheid, maar om aan te voelen uit welke wereld die teksten komen, welke ervaringen ten grondslag liggen aan die woorden. Onze ervaringen zijn totaal anders, hoe moeten we die teksten ooit nog verstaan? O ja: zijn ze zo totaal anders? Wat Hebreeën van Jezus zegt is anders herkenbaar genoeg: In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die hem uit de dood kon redden. Met hoe veel mensen gaat het niet precies zo, ja, ik vrees dat het zo met ons allemaal zal gaan. En dan was Jezus nog wel Gods zoon! God kon hem uit de dood redden! Maar God discrimineert kennelijk niet. Hebreeën weer: Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij tot de voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden van eeuwige redding. En wat is die redding? Na zijn lijden en dood heeft God Jezus doen opstaan uit de dood, en zetelt Hij aan Gods rechterhand.

Ik heb wel eens verteld van een cynische kennis die mij af en toe vraagt hoe het met Jezus is. Ik zeg dan altijd: goed! Hij zetelt aan Gods rechterhand. Dan moet hij lachen en we gaan onze gang. Het mooie van ons geloof is dat we geloven dat het uiteindelijk ook met ons goed zal gaan. Straks zitten we allemaal aan Gods rechterhand.

Tot slot wil ik stil staan bij het begin van Erik Borgmans boek: Alle dingen nieuw, een theologische visie voor de 21ste eeuw. Hij is op zoek naar een theologische stijl, op zoek naar een vorm waarin je in de 21ste eeuw theologie kunt bedrijven. Aan het begin van die grote zoektocht plaatst hij een gedicht van de Poolse jeugdboekenschrijfster en dichteres Anna Kamienska (1920 – 1986) met als titel: Een gebed dat verhoord zal worden. Het gaat zo:

Heer laat me veel lijden
en dan sterven.

Laat mij door stilte lopen
en niets achterlaten zelfs geen vrees.

Laat de wereld voortbestaan
laat de oceaan het zand blijven kussen

Laat het gras groen blijven
zodat de kikkers zich er kunnen verstoppen

zodat iemand zijn gezicht erin kan begraven
en zijn liefde uitsnikken

Laat de dag stralend beginnen
alsof er geen pijn meer was

En laat mijn gedicht helder zijn als een raam
waartegen een hommel zijn kop stoot.

Ik geef ook nog het commentaar van de Amerikaanse dichter Christian Wiman. Hij ziet in dit gedicht een hernemen van wat hij het mooiste en verschrikkelijkste gebed noemt dat iemand kan bidden. Jezus die in de tuin van Getsemane bidt: Niet mijn wil, maar uw wil (Mt. 26, 39; Mc. 14, 36; Luc. 22, 42). Het zijn woorden die we nagenoeg dagelijks bidden in het Onze Vader. We hebben het zo vaak gebeden dat het een oefening is geworden voor die ene keer dat het er werkelijk op aan komt ….

maandag 11 januari 2021
Heb. 1, 1 – 6 en Marcus 1, 14 – 20

Vandaag gaan de twee lezingen over het begin en wat dat begin betekent. Bij Marcus is het een klein begin, bij Hebreeën een grandioos begin. Het is alsof we met een zoomlens aan het spelen zijn: inzoomen en uitzoomen en het is aan ons wat we willen zien. Of we ons herkennen in het kleine plaatje, of dat we liever het grote geheel in het vizier willen krijgen. Ik ga dat uitleggen.

Marcus verhaalt, nadat hij Johannes de Doper heeft geïntroduceerd en direct daarna Jezus uit Nazaret die zich door de Doper heeft laten dopen waarna hij 40 dagen in de woestijn beproefd werd en er gesterkt uit naar voren kwam – ongetwijfeld met de Doopervaring in zijn lijf en de stem in zijn hoofd: Jij bent mijn geliefde zoon, in wie Ik vreugde vind, Marcus verhaalt dus dat Johannes wordt overgeleverd en dat Jezus op dat moment aan de bak moet, zoals ik me vorige week vrij oneerbiedig heb uitgedrukt. Zelf zegt hij het wat plechtiger, namelijk aldus: “De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap.”

Voordat ik stil sta bij de eerste stappen die volgen op dat mission statement, ga ik weer even terug naar het zogenaamde verborgen leven van Jezus in Nazaret. Hij heeft daar een klein en onopvallend leven geleid. Omdat zijn vader timmerman was, neem ik aan dat hij zich in het timmerwerk bekwaamd heeft. Hij zal allicht hebben gewerkt aan de bouw van kleine huizen, want later wist hij in een parabel met kennis van zaken te vertellen dat je een huis niet op zand moet bouwen maar moet funderen op rots. Misschien heeft hij naar zijn moeder gekeken hoe zij kleren aan het verstellen was, misschien aardde hij trouwens meer naar zijn moeder en was hij kleermaker, want in zijn parabels wist hij dat je geen nieuwe lap op een oude jas moet naaien want dat gaat trekken en scheuren. Of hij nu timmerman was of kleermaker, in beide gevallen zal hij een klein spaarcentje hebben gespaard, want als hij aan zijn missie begint, vestigt hij zich in Kafarnaüm, een naburige plaats, want hij voelt wel aan dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet wordt erkend: familiarity breeds contempt. Hij moet daar een huis hebben gekocht of gehuurd, de evangelisten zeggen daar niets over. Ik ben nog steeds aan het fantaseren. Wat deed Jezus in zijn vrije tijd als hij niet de bijbel aan het bestuderen was? Ik denk stappen met zijn vrienden. Nu volg ik weer het verhaal van Marcus: “Toen hij eens langs het meer van Galilea liep, zag hij Simon en Simons broer Andreas op het meer hun netten uitgooien; want het waren vissers. Een eindje verderop zag hij Jakobus van Zebedeüs en zijn broer Johannes; ze waren in hun boot de netten aan het klaren.” Hij roept ze op om achter hem aan te gaan, en hij zegt tegen ze dat hij hen tot vissers van mensen zal maken. En ze doen het meteen. Ze laten alles achter en gaan met hem mee. Ik denk dus dat Jezus al gewend was te gaan stappen met Simon, Andreas, Jakobus en Johannes. Het waren geen wildvreemden, hij kende ze al. Ze hadden al veel met elkaar opgetrokken, veel met elkaar gepraat. Moeten we nou ons hele leven vissen vangen, netten klaren … is dat alles wat er is? En dan komt de geest over hun merkwaardige vriend en dan komt hij op een goede dag naar hen toe en zegt: we gaan mensen vangen voor het koninkrijk van God. Kom mee, dat is veel spannender, dat is veel zinniger.

Nou, dat hebben ze geweten. Wat ze in het volgende anderhalve jaar (of drie jaren – de tijdlijnen van de vier evangelisten lopen uiteen) mee maken met die Jezus van Nazaret is welhaast onbeschrijfelijk, daar heb je geen woorden voor. Er gaan decennia overheen voordat Marcus als eerste zijn verhaal opschrijft, zich baserend op wat hij her en der gehoord heeft. Matteüs neemt veel van Marcus over, maar heeft ook onafhankelijke bronnen. Zo ook Lucas. Zo ook ten slotte Johannes. Paulus is iedereen voor en is de eerste die over Jezus gaat schrijven in zijn brieven. De eerste generaties christen-Joden hebben echt geworsteld met hun ervaringen, met hun geloof, met hun begrijpen wat er was gebeurd toen “de tijd rijp was”, toen die profeet uit Nazaret ging verkondigen “dat het rijk van God ophanden was” en dat er “een goede boodschap” zat aan te komen waaraan je geloof mocht hechten. In het boek dat ik momenteel lees (Henk Bakker, Jezus, Reconstructie en revisie Kok, Utrecht, 2020) wordt gesproken van een deltagebied aan Joodse verwachtingen. Een overkoepelende verwachting was dat de redding van de Joden was. Redding zou gestalte krijgen in een nieuwe David, een andere Mozes, een Elia teruggekeerd, een priesterlijke Knecht zoals Jesaja hem voorzag, of een priester-koning naar de wijze van Melchisedek, of een Mensenzoon naar Daniëls model. Inderdaad, een delta aan verwachtingen die allemaal min of meer op Jezus toegepast konden worden. Min of meer.

In Hebreeën is het ongetwijfeld meer. Bij Hebreeën zoomen we uit en gaan we het grote plaatje zien. Daar is Jezus (de profeet uit Nazaret die langs het meer van Galilea wandelt en zijn makkers oproept te gaan stappen naar het koninkrijk van God), daar is Jezus de Eerstgeborene geworden die door God opnieuw de wereld wordt binnengeleid. Ik citeer het grandiose begin van Hebreeën, we kunnen ons niet genoeg verwonderen over de grandioosheid van die visie:

“Nadat God vroeger al vele malen en op velerlei wiize tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu op het einde van de dagen, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij tot erfgenaam heeft gemaakt van al wat bestaat, door wie Hij ook het heelal heeft geschapen. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen, en Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. En na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, heeft Hij zich neergezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge.”

Alsjeblieft: dat hadden die vissers Simon, Andreas, Jakobus en Johannes nooit kunnen dromen dat ze verstrikt zouden raken in een droom van deze heerlijkheid en dit heelal. En wij? Ook wij zijn achter hem aangegaan, wij hebben ons laten vangen, maar het is aan ons om te bepalen in welke termen we (hem) Hem willen zien …

maandag 4 januari 2021
1Joh. 3, 22 – 4, 6 en Matteüs 4, 12 – 17.23-25

Waar zijn we? We zijn aangekomen in het prille begin van 2021, het jaar 2020 is voorbij gegaan.

In het Matteüsevangelie zijn we in het vierde hoofdstuk, nog maar aan het begin van het goede verhaal van Jezus. Eerst heeft Matteüs verteld van de herkomst van Jezus en zijn naamgeving, toen heeft hij het gehad over zijn geboorte in Betlehem, de ster en het bezoek van de magiërs, de vlucht naar Egypte, en de vestiging van het gezin in Nazaret toen de kust veilig was. Vervolgens heeft hij verteld over Johannes de Doper, en de doop van Jezus. Daarna over zijn retraite van 40 dagen in de woestijn waar hij door de duivel een aantal alternatieven kreeg voorgelegd voor zijn route door het leven. Als hij alle verlokkingen en foute keuzes heeft afgewezen begint het pas goed, we zijn dan in het vierde hoofdstuk aangekomen. Johannes – de voorloper – is gevangen gezet en Jezus moet aan de bak. Met zijn optreden gaat een profetie van Jesaja in vervulling, aldus Matteüs:

Land van Zebulon en land van Naftali,
aan de weg naar zee,
aan de overkant van de Jordaan,
Galilea van de heidenen!
Het volk dat in duisternis zit
heeft een groot licht gezien,
en over hen die in het land
en de schaduw van de dood zitten,
over hen is een groot licht opgegaan.


De evangelielezing maakt dan een sprongetje en vat samen wat Jezus gaat doen. Rondtrekken door Galilea, onderricht geven in de synagogen, zieken genezen en het volk van elke kwaal verlossen: d.w.z. de goede boodschap van het koninkrijk van God verkondigen in woorden en daden en tekenen. Heel zijn verdere evangelie, al de hoofdstukken tot en met het 28ste zijn een nadere invulling en uitwerking van die verkondiging. De allerlaatste verzen roepen op om alle volken tot leerling te maken. Dat is gebeurd, daar zijn we nu wel klaar mee.

In de tijdlijn van Jezus’ biografie zit een gat van 30 jaren: de tijd die verstrijkt van de vestiging van het gezin in Nazaret totdat Jezus zich laat dopen, de geest over zich krijgt en een licht gaat worden. Vorige week – in het oude jaar nog – heb ik gewezen op het boek van Samuel Wells waarin deze auteur nadenkt over het zogenaamde verborgen leven van Jezus in Nazaret. Wat deed Jezus daar al die jaren? De wereld verbeteren? Onze problemen oplossen? Nee, hij was gewoon onder de mensen, hij leefde een gewoon leven. Wat kunnen die jaren betekenen voor het christelijk handelen? Wells denkt dat we ons moeten bewegen van doen naar zijn.

Het is een aantrekkelijke gedachte. De wereld gaat aan ons doen ten onder, we geloven niet meer dat we onze problemen kunnen oplossen. Van doen naar zijn. Stil staan bij de zin van het leven. Vorige week zaterdag heb ik geboeid zitten kijken naar de gestreamde uitvaart van frater Wim Verschuren (20 december 1933 / 26 december 2020), u welbekend. Hij was de man die de Vincentiaanse families bijeenbracht in één grote beweging van barmhartigheid. In Vught stichtte hij het spirituele centrum Zin waar mensen bijeen komen om stil te staan bij de zin van hun werk. Voor hem was die zin niet diep verborgen, maar was die onthuld in het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Wim Verschuren wist wat de dynamiek was van de barmhartigheid: de drie-eenheid van zien, geraakt worden en in beweging komen. Deze zin is universeel, religie-overschrijdend.

Een spreker bij de uitvaartdienst vertelde de anekdote over de Vietnamese boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh (1926- ?) die in Europa enorme invloed heeft onder zinzoekers ook van christelijke huize. Hij was uitgenodigd in het centrum Zin, een ontvangstcomité stond buiten voor het klooster om hem te ontvangen. Voor het klooster midden op het grasveld stond die enorme, prachtige, oeroude beuk. Thich kwam aan, negeerde het ontvangstcomité, en liep over het grasveld naar de beuk om hem te begroeten en in grote eerbied onder haar plaats te nemen. Van doen naar zijn. Later had hij in het centrum gewandeld en daar viel zijn oog op een tekstblad dat voortdurend om zijn as wentelde: op een kant stond het woord “komen”, op de andere kant het woord “gaan” (wss in het Engels: come / go). Hij had toen een staaltje van zijn boeddhistische leer ten beste gegeven door op te merken: er is geen komen, er is geen gaan. Er is geen begin, er is geen einde. Om de beginvraag op te pakken: waar zijn we? We zijn hier, er is geen oud jaar, er is geen nieuw jaar: dit is de dag.

Wellicht heeft Jezus zijn eerste dertig jaar een soort boeddhistisch leven geleefd, onopvallend, eenvoudig en vroom, met aandacht de dingen doend die hij moest doen, zich verdiepend in de heilige schriften, schavend aan zijn godsbeeld. Gaandeweg moet hij tot verlichting zijn gekomen, zodat hij zelf een licht kon worden voor anderen. Zo is het ook met ons: we leven en sterven ons kleine leven, we zien om ons heen in barmhartigheid, worden al dan niet geraakt, doen wat we kunnen. Wij lijken op de mensen waar Jesaja het over heeft, op hen die in het land en de schaduw van de dood zitten. Voor ons is Jezus Christus het grote licht geworden, hij heeft ons een leven in liefde geleerd met God verbonden (zie 1Johannes 3, 22 – 4,6).

maandag 28 december 2020
1Joh. 1, 5 – 2, 2 en Matteüs 2, 13 – 18

Vandaag viert de kerk de Heilige Onnozele Kinderen. Ze zijn – volgens het verhaal van Matteüs – door koning Herodes vermoord: alle jongetjes van twee jaar en jonger, omdat hij zo de pasgeboren koning van de Joden te pakken zou kunnen krijgen. De kinderen worden bij traditie onnozel genoemd, ik ga dat langzamerhand een verkeerd woord vinden. De kinderen weten van niets, ze hebben er niet om gevraagd geboren te worden, ze hebben part noch deel aan politieke of godsdienstige verwikkelingen. Het zijn eerder de volwassen spelers in het hele drama die onnozel zijn: ze zouden beter moeten weten, ze zouden beter moeten handelen. Behalve onnozel zijn de kinderen ook heilig verklaard, en dat hangt samen met de verbondenheid van hun lot met de geboorte van Jezus Immanuël, God met ons. Misschien – laten we dat hopen – is het allemaal fictie, want Matteüs – alleen Matteüs – wil een profetie in vervulling doen gaan, een woord dat gezegd was door de profeet Jeremia:

In Rama werd een stem gehoord, een hevig gejammer en geklaag. Rachel jammert om haar kinderen, en ze wil niet meer getroost woorden, want ze zijn er niet meer.

Het zijn huiveringwekkende woorden die bepaald geen fictie waren in Aleppo, Jemen en tal van plaatsen waar kinderen onder de twee jaar zijn omgekomen door bombardementen van wrede koningen. Het zijn allemaal heilige kinderen, althans ze zouden ons heilig moeten zijn als de volwassenen niet zo onnozel waren om oorlog te voeren, heerschappij uit te oefenen, het monopoliespel te spelen, de weg der duisternis te bewandelen.

De contrastvloeistof wordt ons in de eerste lezing geleverd in de eerste brief van Johannes: “God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis.” Als wij onze weg in het licht gaan, dan zijn wij met elkaar verbonden, aldus Johannes. Het kerstverhaal gaat over het komen van dat licht in onze duisternis. In eerste instantie is dat licht zeer welkom, kerstmis is enorm populair, ondanks secularisatie en ontkerkelijking. Maar in tweede instantie? Na kerstmis gaat alles weer gewoon door, de wapens zwijgen nooit, kinderen worden vermoord, Rachel blijft jammeren. Wat maakt het uit of je in God gelooft? Wat voor verschil maakt Christus? Ik weet het niet. Daarom lees ik misschien zo veel boeken. Misschien zijn er theologen of filosofen die wel een antwoord hebben. Tijdgeest van Trouw van zaterdag 19 december kan daarbij behulpzaam zijn, met het beste van 2020 in een keur aan boeken. Ik noem er een paar die mijn belangstelling hebben; ik hoop ze in 2021 te lezen.

Wolter Huttinga zet op zijn topdrielijst het recente boek van theoloog Erik Borgman, Alle dingen nieuw. Korte kenschets: “Een dikke pil, barstensvol gesprekken met denkers en dichters. Je moet wel mee willen deinen op de golven van Borgmans onstuitbare, complexe gedachtenstroom. Intussen is zijn centrale punt kraakhelder: de God die zich in Jezus openbaart zit volop in de shit van deze werkelijkheid. En zal pas daar voor ons oplichten waar wij hem niet meer in onze greep hebben.”

Op de tweede plaats zet hij een boek van historicus Tom Holland, Heerschappij, hoe het christendom het westen vormde. Korte kenschets: “Een meeslepend boek dat heerlijk is geschreven. Holland laat zien hoe de geschiedenis van het christendom vormend is geweest voor vrijwel al onze moderne intuïties. Die geschiedenis is niet eenduidig, maar eerder een geniale mix van diepe paradoxen. Onderdrukkend én bevrijdend, stem van de macht én van profetische kritiek. Het is geen nieuw verhaal, maar wel erg goed verteld.”

Het derde boek op het lijstje van Wolter Huttinga is van de Engelse priester en hoogleraar ethiek Samuel Wells, Een Nazareth-manifest. Korte kenschets: “Wells besloot de eenvoud van ‘being with’ van God eens heel goed te doordenken. Wat impliceert dat voor het christelijk handelen? Heel kort gezegd: bewegen van doen naar zijn. Want wat deed Jezus daar al die jaren in Nazareth? De wereld verbeteren? Al onze problemen oplossen? Nee, God was gewoon onder de mensen.”

Als toegift geef ik u nog een vierde boek, het staat bovenaan op het lijstje van Sjoerd Mulder, eveneens een criticus die ik bewonder. Jim Forrest, Alles is genade: een biografie van Dorothy Day. Korte kenschets: “Dorothy Day (1897 – 1980) was een Amerikaanse vredesactivist. Ze deelde haar bezit met daklozen, zette zich in voor onderdrukten en stichtte de katholieke arbeidersbeweging. Het lijkt een kwestie van tijd tot Rome haar heilig verklaart. Lees haar verhaal voor die tijd, om niet uit het oog te verliezen hoe deze onconventionele heilige schuurde met kerk en samenleving.”

Als ik deze boeken uitgelezen heb, zal ik beslist een stukje minder onnozel zijn. Ook heiliger? Dat valt nog te bezien. Dan moet ik ook solidair zijn met Rachel die om haar kinderen weent, en het licht van God toelaten in mijn duisternis

maandag 21 december 2020
Hooglied 2, 8 – 14 en Lucas 1, 39 – 45

Op maandag voor kerstmis heeft de liturgie enkele kostelijke teksten. Ons fragment uit Hooglied legt de woorden in de mond van de verliefde jonge vrouw. Het lied is een afwisseling tussen een hij en een zij, met koren die commentaar geven er tussen in. Hij heeft al een schitterend statement afgegeven (1, 15):

Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi; je ogen zijn duiven!

En zij laat zich aldus horen:

Hoor, daar is mijn lief! Kijk, daar komt hij aan: springend komt hij over de bergen, over de heuvels komt hij aangesneld. Mijn lief is als een gazelle, hij lijkt wel het jong van een hert.

Die prille liefde tussen een jongen en een meisje, tussen een man en een vrouw – en als een nieuwe verworvenheid mogen we toch langzamerhand wel zeggen – tussen meisje-meisje, jongen-jongen, man-man, vrouw-vrouw, is een van de mooiste vondsten van de Schepper van alle dingen. Alle volkeren en talen hebben haar bezongen; van oude tijden tot op de dag van vandaag laten singer songwriters zich inspireren door het overweldigende gevoel van verliefdheid. Het zou vreemd zijn als het in de bijbel afwezig zou zijn, en dat is het dan ook niet. Sterker: de liefdeslyriek van het Hooglied is ongeëvenaard. Het is grappig om inleiders op het boek te zien worstelen met de vraag hoe het boek geïnterpreteerd moet worden: hoog of laag, heilig of profaan, letterlijk of figuurlijk. Gaat het wel over een jongen en een meisje, of gaat het – het is bijbel nietwaar – over God en zijn uitverkoren volk Israël? Ik zou denken: het is geen kwestie van of of, maar van en en. Het loopt door elkaar heen. Maar ik ga even op de religieuze toer: dan is de “hij” dus God (met excuses aan feministische theologen die af willen van God als een Hij). Wat wordt er aansluitend op de geciteerde verzen van God gezegd? Dit:

Daar staat hij achter de muur van ons huis. Hij kijkt door het venster en tuurt door de tralies naar binnen.

Wel, wel, dat is fraai van God. God die zo’n beetje staat te gluren achter de muur van ons huis, die door tralies naar binnen tuurt. Ik kan daar wel mee leven, beter dan met een God die alles ziet.

De opgewekte, vrolijke, ja, huppelende tekst van Hooglied is vandaag gekoppeld aan het evangelie van Lucas 1, 39 - 45 … dat ook al zo blij van toon is. Twee vrouwen in blijde verwachting die dolgelukkig zijn elkaar te zien. Zoals in de tekst van Hooglied is Maria door het bergland komen aan snellen. Bij de begroeting springt het kind op in de schoot van Elisabet en daar wordt enthousiast over verteld. Er worden complimenten uitgewisseld, God wordt geloofd en geprezen, de God die diepe wensen in vervulling doet gaan ...

Lucas verhaalt in zijn eerste hoofdstuk van de geboorte van Johannes en in het tweede hoofdstuk over de geboorte van Jezus. Over enkele dagen lezen we die tekst en vieren we kerstmis. Immanuel is geboren, in principe is alles nieuw gemaakt – al zullen er nog vele hoofdstukken volgen die ons weer dichter bij de realiteit brengen, de realiteit van het menselijk tekort, de traagheid van de dingen, ellende. Maar vandaag nog niet. Vandaag stellen we ons open voor het Hooglied en laten we de woorden in onze oren klinken die ons hart sneller doet slaan:

Sta op, mijn vriendin, sta op mijn vriend, Kijk maar de winter is voorbij, De regentijd is afgelopen. Op het veld staan weer bloemen, De tijd om te zingen breekt aan, De roep van de tortelduif klinkt over het land. De vijgenboom draagt zijn eerste vruchten al, En wat ruikt de bloeiende wijnstok heerlijk!

maandag 14 december 2020
Numeri 24, 2-7.15-17a en Matteüs 21, 23 – 27

Vandaag op de feestdag van Juan de la Cruz/Johannes van het Kruis, de grote Spaanse mysticus die leefde in de tweede helft van de 16e eeuw (1542 – 1591), lezen we teksten uit Numeri en Matteüs. De samenhang zie ik in de vraag naar religiositeit: wat is religiositeit eigenlijk? Johannes van het Kruis kan ons hier iets leren, hij is per slot van rekening “kerkleraar” – een titel die hem in 1926 werd toegekend door paus Pius XI. Ik denk dat we ook bij onszelf te raden kunnen gaan, daarom bouw ik mijn beschouwing op in vier punten.

Eerst Numeri. Daar gaat het over de profeet Bileam, een profeet die ons sympathiek is vanwege zijn ezel. Die ezel zag iets wat Bileam maar niet wilde zien. Wij zijn ook vaak Bileam, dat we niet zien wat een ezel wel ziet. In onze tekst van vandaag echter ziet Bileam: hij ziet wat de Almachtige ontsluiert, hij is de man die geheimen mag zien, hij hoort God spreken. Hier hebben we een definitie van religiositeit: Gods geheimen zien en Hem horen spreken.

Gaan we ten tweede naar Matteüs. Hij ziet Jezus en hoort hem spreken. In het voorafgaande is Jezus nogal te keer gegaan in de tempel en daarom stellen de hogepriesters en de oudsten van het volk hem de vraag met welke bevoegdheid hij dat doet en wie hem die bevoegdheid heeft gegeven. Jezus beantwoordt die vraag niet, maar stelt een tegenvraag. Als die tegenvraag wordt beantwoord zal hij zelf ook antwoord geven, dat is de deal. Daar komt ie: Waar kwam de doop van Johannes vandaan? Van de hemel of van de mensen? Het is een interessante vraag, vooral als we nadenken over de vraag wat religiositeit is. Was Johannes de Doper iemand die zoals Bileam Gods geheimen had gezien, God had horen spreken? Of was Johannes de Doper iemand die iets in de markt zette waar vraag naar was, wat hem populair maakte bij de mensen; was zijn doopsel iets “van de mensen”? De hogepriesters en oudsten van het volk overleggen met elkaar in een soort strategisch beraad. Als we antwoorden “van de hemel”, dan zal hij tegen ons zeggen: waarom hebt u hem dan geen geloof geschonken. Maar als we zeggen “van de mensen”, dan hebben we de menigte te vrezen, want zij houden hem voor een profeet. Strategisch beraad, recht door zee is het niet. De uitkomst is: we weten het niet. Vervolgens trekt Jezus een lange neus naar ze: bekijk het maar, ik zeg dan ook niet waar ik mijn bevoegdheid vandaan heb. In dit fragment krijgen wij, de lezers van Matteüs, dus ook niet te horen wie Jezus zijn bevoegdheid gegeven heeft, wat zijn religieuze geloofsbrieven zijn. Hedendaagse christologie benadrukt dat – willen we Jezus begrijpen – we moeten zien dat hij een Jood is, een zoon van zijn volk, een kind van zijn tijd. Zeer waarschijnlijk was Jezus aanvankelijk een volgeling van zijn neef Johannes; de evangelisten vertellen allemaal dat hij zich door hem liet dopen. Later begon hij een eigen beweging en koos hij zijn eigen volgelingen. Jezus is – zoals wij allemaal – deels te begrijpen vanuit traditie en cultuur, deels is hij onbegrijpelijk (ook weer zoals wij allemaal) vanwege iets eigens dat uniek is. Dat eigene zou wel eens zijn relatie kunnen zijn met God die hij Vader noemde. Een tweede definitie van religiositeit: je relatie met God.

Wat leren we – mijn derde punt – van Johannes van het Kruis? Ik vind het frappant dat hij in 1926 tot kerkleraar werd verheven. De Eerste Wereldoorlog was toen nog maar kort geleden, er zou nog een hele eeuw aan verschrikkingen volgen: de Tweede Wereldoorlog, Auschwitz, in de na-oorlogse tijd oorlogen in alle werelddelen, klimaatrampen, epidemieën. Johannes van het Kruis heeft geschreven over de donkere nacht van het geloof, over godsverlatenheid en wanhoop. Onze eeuw wordt hierdoor gekenmerkt dat we Gods geheimen niet kunnen ontsluieren, dat we hem niet zien, noch horen. Hoe moet onze religiositeit er dan uitzien? Johannes schetst ons een mystieke weg: een uittocht uit jezelf. Het zelf bestaat uit het geheugen, het verstand en de wil. Welnu, dat geheugen dient leeg gemaakt te worden, evenals het verstand en de wil: dan pas is het mogelijk om in Gods armen te tuimelen, of – actief geformuleerd – om die geloofssprong te maken. Een derde omschrijving van religiositeit: de overgave, de sprong, het vertrouwen.

Nu naar mijn vierde punt: we kunnen ook te raden gaan bij ons zelf. Het leeg worden van het geheugen, van het verstand en als laatste de wil zien we in de verpleeg- en verzorgingshuizen gebeuren als een natuurlijk proces. Wil het een mystieke weg zijn dan moeten we daarop anticiperen, voorbereid zijn en het al bij voorbaat met een “ja” bezegelen. Door religieuzen is dat “ja” al lang geleden uitgesproken, dat is wat altijd “roeping” werd genoemd en het gevolg geven aan die roeping. Dat “ja” werd enerzijds verklaard door en was begrijpelijk vanuit traditie en cultuur, maar anderzijds was het toch ook iets onbegrijpelijks als een eigen, unieke beslissing: de sprong van het geloof die een mens tot religieus mens maakt. Zelf heb ik dat heel sterk ervaren toen mijn tweeling werd geboren, kansloos, en de kinderarts me vroeg: moeten ze gedoopt worden. Mijn achtergrond en opvoeding leidde naar het antwoord “ja”. Maar mijn studie filosofie én theologie en de heersende secularisatie leidde naar het antwoord “nee”. Is de doop van de hemel of van de mensen? Ik heb met die vraag de ziekenhuisgang een aantal keren op en neer gewandeld, ik nam de sprong, ik doopte mijn kinderen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Maandag na de derde zondag van de advent, zondag Gaudete, realiseer ik me opnieuw dat ik me altijd verheugd heb met die move. De vierde omschrijving van religiositeit is dus precies dit: gaudium, vreugde, dat je verheugd kunt zijn wat er ook gebeurt, wat er ook op je pad komt, ook in de donkere nacht (met dank aan Juan de la Cruz).

maandag 7 december 2020
Jesaja 35, 1 – 10 en Lucas 5, 17 – 26>

Jesaja 35, 1 – 10 is pure poëzie, ik haal enkele regels terug uit die jubelende tekst waarin de wildernis jubelt en bloeit, de woestijn en het dorre land getooid worden met de glorie van de Libanon. Nou, de woestijn en de Libanon zijn niet de beelden die ons meteen aanspreken, maar Jesaja laat ook de krokus weelderig bloeien en dat is een bloem die wij wel kennen en waarderen. De bloeiende natuur bij Jesaja straalt af op de mens die – weten we steeds beter – onderdeel is van de natuur. Zwakke handen krijgen kracht, bevende knieën worden sterk, de kreupele danst als een hert, de tong van de stomme juicht. Wie radeloos is krijgt te horen: houd moed, wees niet bang, hier is uw God.

Dat voert ons naar het evangeliefragment uit Lucas. Van Jesaja naar Jezus. De lamme die met bed en al door het dak wordt neergelaten vlak voor Jezus’ voeten krijgt inderdaad kracht in zijn knieën want hij verlaat het pand lopend; en zijn handen zijn krachtig genoeg om zelf het bed mee naar buiten te dragen. Hier wordt poëzie werkelijkheid, maar wie bewerkt het? De beantwoording van die vraag … daar is Lucas een heel evangelie mee bezig, zoals alle evangelisten trouwens. Jezus ziet het vertrouwen van de man, hij ziet het wantrouwen van farizeeën en wetsleraren. En wat zegt hij tegen de lamme? Uw zonden zijn u vergeven! De haren van de farizeeën en wetsgeleerden gaan rechtovereind staan: zonden vergeven is iets van God, wie anders dan God alleen kan zonden vergeven? Wat durft die Jezus te zeggen? Het is gewoon godslasterlijk. Lucas vertelt dat Jezus heel goed weet hoe ze denken, het is ook godslasterlijk behalve als je God bent, God uit de hoge hemel neergedaald en in het vlees van die Jezus van Nazareth geïncarneerd. Het valt me op hoe luchtig, ja hoe humoristisch Jezus om gaat met dat verwijt van godslastering; wat is makkelijker: zeggen je zonden zijn je vergeven of tegen een lamme zeggen sta op, neem je bed op en wandel? Me dunkt dat iedereen het er mee eens zal zijn, toen en nu, dat het eerste gemakkelijker is. Ja, het tweede kun je ook wel zeggen, maar dan gebeurt er niks. Maar om te onderstrepen dat hij zonden kan vergeven, dat hij die macht heeft, zegt Jezus vervolgens tegen de lamme: sta op, neem je bed op en wandel. En het gebeurt! Overigens zal hij elders zeggen dat mensen zonden mogen vergeven, zeventig maal zeven keer. Als wij het niet doen dan kun je het wel schudden. Wat je op aarde bindt zal in de hemel gebonden zijn, wat je op aarde ontbindt zal in de hemel ontbonden zijn. Dat is wel iets om over na te denken in onze geseculariseerde wereld. We hebben die macht. Maar staat het met onze macht om lammen te laten lopen? De medische technologie van vandaag kan veel, maar niet alles. Het Jesajaanse visioen is niet – of nog niet – door Jezus gerealiseerd: er zijn nog steeds blinden, doven, kreupelen, lammen, armen; er zijn nog steeds mensen radeloos. De woestijn bloeit niet, integendeel er komt steeds meer woestijn bij, de mens is bezig de aarde onherstelbaar kapot te maken.

Wat is het beeld van de mens anno 2020? Niet veel verschillend van de lamme uit het evangelie van Lucas: we zijn verlamd, we weten niet hoe het verder moet. Bruno Latour, de Franse filosoof die onlangs de Spinozalens ontving, een onderscheiding voor denkers over ethiek en samenleving, zegt dat we ons verantwoordelijk zouden moeten voelen voor ons handelen dat de aarde aan het vernietigen is; maar dat lukt niet omdat de omvang van het probleem eenvoudigweg te groot is. Hij vraagt: “Wat betekent het om moreel verantwoordelijk te zijn in deze tijd van het Antropoceen, in de tijd waarin wij het zijn die de aarde vorm geven, terwijl er geen duidelijk herkenbaar ‘wij’ is dat met die verantwoordelijkheid belast kan worden?”

Ja, een goede vraag. Het antwoord geeft hij niet, ik weet het ook niet. Laat het een vraag blijven, laten we wachten, afwachten … het is advent. We schuilen angstig bij elkaar, we kijken omhoog naar het dak van de wereld – gaat het dak open zoals in het evangelieverhaal? – , we zingen Rorate caeli, laat de wolken gerechtigheid regenen. Laten we we moed houden, laat het Kerstmis worden, laten we ons Jesaja herinneren: hier is uw God …

maandag 30 november 2020
Rom. 10, 9 – 18 en Matteüs 4, 18 – 22

Vandaag viert de kerk de apostel Andreas. Het evangeliefragment uit Matteüs is natuurlijk gekozen omdat daar zijn naam valt bij de roeping van de eerste leerlingen: Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Het zijn vissers. Jezus nodigt hen uit op om achter hem aan te gaan, en zegt hun toe dat ze omgeschoold zullen worden tot vissers van mensen. Die belofte heeft hij waargemaakt. Petrus is het hoofd geworden van de westerse, Latijnse kerk met Rome als zetel, hij heeft de mensen in het westen gevangen; Andreas is aan het hoofd komen te staan van de oosterse, Griekse kerk met als zetel Constantinopel, hij heeft de mensen in het oosten gevangen. Zo hebben de beide broers de christenheid onder elkaar verdeeld. Er is daarom iets voor te zeggen dat het christendom in principe een familiebedrijf is. Hoe zag die omscholing eruit? Het was in de leerschool van Jezus. Ze waren in zijn nabijheid, ze gingen met hem mee, ze hoorden toe toen hij zijn zes grote voordrachten ten beste gaf: 1. de bergrede, 2. de zendingsrede, 3. de parabelrede, 4. de kerkrede, 5. de rede tegen farizeese schriftgeleerden en 6. de rede over het einde. Vaak snapten ze er niets van, en vroegen ze om uitleg; dan dachten ze even dat ze het begrepen. Ze zagen hoe Jezus zieken genas, de menigte te eten gaf, stormen tot bedaren bracht. Ze kregen een spoedcursus lijden en sterven, want op het laatst ging het erg snel: daar hing hun vriend en leraar aan het kruis! Vervolgens hadden ze echt wel de geest nodig om onderling met elkaar in het reine te komen over een paar heel grote vragen: wat was er nu gebeurd met die Jezus die hun uitgenodigd had om achter hem aan te gaan? Wat betekende het voor hen en hoe moesten ze verder? Wie was hij eigenlijk, en hoe moesten ze dat onder woorden brengen? Andreas valt in het evangelie van Matteüs weg in de anonimiteit van de groep, heel anders dan haantje de voorste grote broer Petrus. Andreas is er niet bij als Jezus op de berg Tabor Mozes en Elia ontmoet, het verhaal van de gedaanteverandering, waar Jezus’ gezicht gaat stralen als de zon en zijn kleren wit worden als licht. Voor deze ervaring c.q. scholing had Jezus Petrus, Jakobus en Johannes meegenomen, Andreas niet. Andreas is ook niet bij de selecte groep die hij met zich meeneemt verder de hof van Getsemane in om te bidden. Dat selecte groepje bestaat uit Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes. Niet dat zij een glansrol vervullen want ze vallen telkens in slaap. In het evangelie van Johannes wordt Andreas vermeld in hoofdstuk 12 vers 22. Er zijn Griekse pelgrims in Jeruzalem die Jezus willen ontmoeten. Filippus heeft dit opgevangen en bespreekt dit met Andreas; samen gaan ze naar Jezus om het aan hem voor te leggen. Wellicht had Andreas Grieks geleerd? Jezus laat het verzoek liggen, hij heeft andere dingen aan zijn hoofd. Misschien heeft Andreas gedacht: hier moet ik nog wat mee doen. Zo werd hij de apostel van de Grieks en Slavisch sprekende volkeren. Wat we verder weten van Andreas zijn legendes en buitenbijbelse verhalen. Zo over zijn kruisdood. Toen hij ook tot de kruisdood werd veroordeeld, was hij zo bescheiden dat hij niet in dezelfde iconografie van zijn vriend en leraar wilde treden. Dat heeft ons het Andreaskruis opgeleverd, de x-vorm waaraan Andreas met touwen werd vastgebonden. Volgens een legende bleef Andreas gedurende twee volle dagen aan het kruis hangen, terwijl hij bemoedigende woorden sprak tot de toegestroomde menigte die wel uit twintigduizend personen bestond. Op de derde dag kwam het volk in opstand omdat het onverdraaglijk was om een goed en zachtmoedig mens zo te laten lijden. Een mooi verhaal, vooral die opstand van het volk op de derde dag. Waar doet ons dat aan denken? Hagios Andreas, visser van mensen, vandaag laat ik me door jou vangen …

maandag 23 november 2020
Apok. 154, 1 – 3.4b – 5 en Lucas 21, 1- 4

In slechts luttele verzen schildert Lucas ons een prachtig tafereel: een arme weduwe die een paar muntjes in de offerkist stopt, terwijl de rijken met grote gebaren – kijk mij eens – hun grote gaven deponeren. Jezus zegt daarvan: die arme weduwe heeft er méér in gegooid dan alle anderen. Want allen gooiden er iets in van hun overvloed, maar zij offerde van haar armoede alles wat ze heeft om van te leven.

Ik heb laatst een originele toepassing gehoord van dit evangelische tafereel. In Ierland klagen pastoors over het verschijnsel dat hun mis en hun preek al op de sociale media worden besproken, c.q. afgekraakt terwijl de mis nog aan de gang is, terwijl de preek nog niet is afgelopen. Hoe kan dat? Dat kan omdat de mis in deze coronatijd online is, gestreamd wordt. Mensen zappen vanuit hun luie stoel van de ene mis naar de andere, en zoals ze gewend zijn posten ze meteen hun opmerkingen. Masshoppers worden ze al genoemd, een variant op het woord grasshoppers (sprinkhanen). Die arme pastoors; ze weten ook wel dat ze armoedig preken, dat ze er niet uitzien, dat er heel wat valt aan te merken op hun voordracht of op hun kapsel. Nu luisterde ik naar een Engelse vrouwelijke priester die medelijden had met deze Ierse pastoors en zei: ze moeten maar denken aan het evangelie van de arme weduwe. Ze doen hun best, ze geven het beste wat ze in huis hebben, en worden daarvoor door Jezus geprezen.

Een tweede toepassing van de arme weduwe zie ik in het verhaal van Barack Obama die onlangs het eerste deel van zijn biografie heeft doen verschijnen onder de bijbels aandoende titel: A Promised Land (Een beloofd land). Daarin vertelt de voormalige president van de VS, acht jaar lang de machtigste man van de wereld, dat hij maar weinig heeft kunnen klaarspelen, dat hij wel anders wilde maar de ruimte niet kreeg, en vooral tegengewerkt werd door de Senaat waar de republikeinen de meerderheid hadden. In Nederlandse verhoudingen kennen we “de smalle marges van de politiek”. Obama had zijn uiterste best gedaan, hij had alles gegeven wat hij aan talenten en inspiratie in huis had, maar achteraf gezien zijn het maar een paar muntjes, hij is als de arme weduwe. En wat heel erg is: zijn presidentschap heeft als het ware Trump opgeroepen, de man die juist veel klaar krijg in de destructieve zin.

Een derde toepassing van het verhaaltje van Lucas zie ik in Jezus zelf. In die arme weduwe herkent hij zichzelf, zijn eigen optreden, zijn eigen effect. Hij gaf alles wat hij had om van te leven, hij gaf zich zelf, hij gaf zijn leven. En waar liep het op uit? Op Kruisigem, op de klacht van de gekruisigde: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten (Matt. 27, 46)? Het effect was de kerk en de echtscheiding met Israël, het volk waar Jezus uit voortkwam. Hem stond geen afsplitsing van Israël voor ogen, integendeel het ging hem om heil voor het geheel van zijn volk (zie Henk Bakker, Jezus, 2020, waarin hij deze christologie van Schillebeeeckx bespreekt – blz. 58). Een ander effect van Jezus’ leven en de verspreiding van zijn leer over heel de wereld, inzonderheid Arabië, is de geboorte van de islam, een nakomertje in de Abrahamitische familie in de zevende eeuw van onze jaartelling. Met dit jongste familielid weten we ons (joden en christenen) ook al geen raad. Hoe moeten joden, christenen en moslims in godsnaam in vrede met elkaar omgaan tot heil van onze planeet? Dat weet niemand. Wie het wel weet is als de arme weduwe die een paar muntjes in de schaal werpt, het is van weinig gewicht.

Nog een vierde toepassing dan. Herkennen we ons niet zélf in het beeld van de arme weduwe, spiritueel gezien? De bruidegom is gestorven, hij zit aan de rechterhand van de Vader; wij voelen ons hier op aarde alleen, verweesd, ontheemd, vervreemd, desolaat. Tegenover de machten en de krachten van deze wereld voelen we ons hulpeloos en hopeloos, we kunnen niet veel, we hebben niet veel, we zijn echt arm. Wat hebben we in te brengen? Het is zo weinig! En toch is de blijde boodschap dat de afwezige bruidegom dat weinige weet te waarderen, het zelfs genoeg vindt: meer dan genoeg. Het effect van Lucas’ verhaaltje is dat we opgelucht adem kunnen halen.

maandag 16 november 2020
Apok. 1, 1 – 4 + 2, 1 en Lucas 18, 35 – 43

Een goede titel is een korte samenvatting. Boven het verhaal van vandaag staat: genezing van een blinde bij Jericho. Je zou kunnen zeggen: dat is een goede samenvatting, het is bijna het hele verhaal, alleen kop en staart ontbreken nog. Maar goed, ik zal het in mijn woorden navertellen, wat dan meteen een interpretatie is.

In de buurt van Jericho zit een blinde langs de weg te bedelen. Hij hoort kennelijk ongewoon veel mensen voorbij komen, zodat hij vraagt: wat is er loos? Jezus de Nazoreeër komt langs, zoiets als de intocht van Sinterklaas toen dat nog kon. De blinde is weliswaar blind, maar hij weet genoeg; kennelijk heeft hij van Jezus gehoord en van de faam die er van hem uitgaat. Want onmiddellijk begint hij naar die man uit Nazareth te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij. Degenen die voorop lopen snauwen hem toe dat hij zijn mond moet houden, wat een kwalijk licht werpt op mensen die voorop lopen; ik weet natuurlijk niet of Lucas dat bedoelt. Maar hij laat zich de mond niet snoeren; wat deze blinde bedelaar herkenbaar maakt als een personage van onze tijd. Nogmaals roept hij naar Jezus, nog harder dan te voren: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij. Zoon van David is een messiaanse titel, in die titel klinkt het verwachtingspatroon door, de onuitroeibare hoop van het volk van Israël. Jezus hoort het, blijft staan en vraagt om de man bij hem te brengen. Vervolgens vraagt hij op welke wijze medelijden zou kunnen werken voor de man die naar hem geroepen heeft. De blinde antwoordt: dat ik weer kan zien, Heer, wat nauwelijks verrassend genoemd kan worden. Wel verrassend vind ik dat Jezus dan zegt: Kijk Me aan, je vertrouwen is je redding. Ik zie hier twee elementen in het genezingsproces, en beide elementen moeten gedaan worden door de blinde. Jezus doet eigenlijk niets anders dan een uitnodigen én constateren. De constatering is dat de blinde vertrouwen heeft, en de uitnodiging is paradoxaler wijze dat de blinde hem moet aankijken. Hoe kun je iemand aankijken als je blind bent? Het aankijken van Jezus (inclusief het vertrouwen) leiden tot de genezing. Meteen kan hij weer zien, halleluja, en hij volgt Jezus op die weg naar Jericho, hij verheerlijkt God en het volk – inclusief die snauwers neem ik aan – sluiten zich bij die lofzang aan.

Hoe moeten we dit verhaal begrijpen? Die vraag moet je toch nog stellen, want hier hebben we weer een van die vele ongelooflijke verhalen waar het evangelie vol van zit. Voor een antwoord sluit ik me aan bij de column van Welmoed Vlieger in Trouw, dinsdag 3 november 2020. Ze zegt dat je de werkelijkheid op twee manieren kunt zien. De ene is de wereld zien als dingen waarmee je iets kunt doen, de andere is de werkelijkheid verstaan als gave en opgave. Voor ons genezingsverhaal vind ik dit onderscheid verhelderend. In een wereld waarin je dingen kunt doen stuur je de blinde naar een oogpoli, na de diagnose wellicht naar de oogchirurg, of naar de apotheek voor oogdruppels. Dat gebeurt in het evangelie niet. De uitnodiging is om de werkelijkheid als gave te zien, als een door God gegeven werkelijkheid: kijk mij aan, heb vertrouwen. Vaak is er niets aan te doen. Ik geef u het slot van Welmoed Vliegers beschouwing:

“Wij zijn maar kleine en beperkte mensen, en overzien het geheel niet. Maar dat betekent niet dat we met lege handen staan. Wat we wel kunnen, is opstaan tegen de numerieke naamloosheid van de massa en oog krijgen voor de concrete mens en zijn bestaan – de mens als enkeling. Dat zie je bij Dostojevski, dat zie je in het evangelie. Christus ging niet in op vragen over het leed in het algemeen, maar lenigde het concreet en zegt dan bovendien: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Dat is me nogal een antwoord ( ). Liefde is toch wat de werkelijkheid uiteindelijk draagt, met aan ons de opdracht om die, inderdaad als gave, door te vertalen in onze omgang met de natuur en mensen. Niet als een stem van het massaal anonieme, maar als deze concrete mens die ik ben.”

Heel goed, Welmoed. Wij zijn allemaal blinde bedelaars langs de weg, we bedelen om het te zien, om te zien dat de werkelijkheid een gave is, een door God gegeven gave. Een God die liefde is. Voor christenen en aspirant christenen geldt daarbij dat we het zien als we de man uit Nazareth aankijken ….

maandag 9 november 2020
Ez. 47, 1-2.8-9.12 en Joh. 2, 13 – 22

In het evangelie van Johannes zien we een verrassend staaltje van religieuze razernij bij Jezus, razernij die we tegenwoordig vooral zien bij jonge moslimfanatici waarvoor we zeer beducht zijn. Als de vermeende eer van Allah of de Profeet gekrenkt wordt zijn ze tot alles in staat, moord, doodsteek en onthoofding, ik hoef de recente voorbeelden niet op te noemen.

De woede van Jezus wordt opgewekt door wat hij ziet gebeuren in de tempel, het huis van God: daar is de verkoop gaande van runderen, schapen en duiven en er is een soort filiaal van de Boerenleenbank. Jezus knoopt touwen aaneen tot een zweep en jaagt ze allemaal de tempel uit, schapen en runderen erbij; de tafels van de geldwisselaars gooit hij met geld en al omver, en tegen de duivenverkopers zegt hij: “Weg ermee! Maak van het huis van mijn Vader geen markt!” Dit optreden heeft grote indruk gemaakt, want behalve Johannes hebben de drie synoptici Mattheüs, Marcus en Lukas het verhaal ook. Het is opvallend hoe terughoudend en beschaafd de reactie van de tempelautoriteiten is. Het lijkt veel op het oer-Nederlandse “in gesprek blijven”. Ze roepen geen handhavers, boa’s of politie erbij, maar stellen Jezus de vraag: waarom denkt u zo te mogen optreden? De leerlingen hebben Jezus’ razernij intussen kunnen plaatsen door te denken aan psalm 69,10: De ijver voor uw huis zal Mij verteren.

Kijken we ook naar de verhalen van de drie synoptici. Mattheüs vertelt dat Jezus alle mensen in de tempel die kopen en verkopen weg jaagt, hij gooit de tafels van de geldwisselaars om ver, zo ook de stoelen van de duivenverkopers. Hier geen touwen die tot zweep gevlochten worden, ook geen schapen en runderen die we bij Johannes vinden. Waarom hij het doet zegt hij nu zelf met een woord uit Zacharias 14, 21: “Er staat geschreven: mijn huis zal een huis van gebed heten, maar u maakt er een rovershol van.” Marcus heeft nagenoeg dezelfde tekst als Mattheüs – dat is niet zo gek, want Marcus schreef eerder en Mattheüs baseerde zich deels op Marcus. Er is een klein verschil in zoverre bij hem niet alleen de handel geraakt wordt, maar ook de transportsector. Marcus 11, 16 geeft immers: en hij liet niet toe dat iemand iets vervoerde over het tempelplein. Ook bij Marcus motiveert Jezus zelf zijn handelen: Hij leerde hun: “Er staat toch geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed heten voor alle volken? Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.” Nu komt het citaat uit Jesaja 56, 7; het woord rovershol komt uit Jeremia 7, 11. Ten slotte Lucas: hij heeft de meest sobere versie. In twee verzen heeft hij het hele verhaal verteld: Hij ging de tempel binnen en begon de kooplui te verjagen. Hij zei tegen hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed zijn, maar u hebt er een rovershol van gemaakt. Dat is alles, al is het verjagen van kooplui natuurlijk ook niet mis.

Maar wat moeten wij ermee, met deze vier versies van de zogenaamde tempelreiniging? Op de eerste plaats moeten we maar proberen het handelen van Jezus te begrijpen. Dat lukt het best als we het zien als een profetische symboolhandeling. Je kunt Jezus zien als de eindtijdelijke profeet, de profeet van de eindtijd die het visioen van Ezechiël belichaamt, Ezechiël die in de eerste lezing wordt voorgelezen. Ik herhaal het laatste vers (Ez. 47, 12): “Aan beide oevers van de rivier groeien allerlei vruchtbomen; hun bladeren verdorren niet en ze zijn nooit zonder vruchten. Elke maand dragen ze vruchten, omdat het water dat ze voedt uit het heiligdom komt. De vruchten zijn eetbaar en de bladeren hebben geneeskracht.” Dit is wat Jezus voor ogen staat. Het huis van gebed voor alle volken, een huis dat de schenker is van alle goodies; het levengevende water geeft vruchtbaarheid aan de bomen voor een compleet vegetarische levenswijze; koeien en schapen hoeven niet meer verhandeld, geslacht en gegeten te worden. De duiven mogen vrij rondfladderen. Mamon, wie denkt nog aan geld? De bladeren van die bomen genezen op een natuurlijke wijze. Dit is het leven zoals door God bedoeld, maar dat ergens onderweg verkeerd is gegaan. Op de weg van Jezus wordt dit leven in principe weer hersteld. Vanuit het huis van gebed wordt heel dat goede leven gevoed en bezield. Wij vinden dat misschien moeilijk om te geloven; wat is de realiteitswaarde van dit soort gedachtes? Is het niet eerder een soort droom? Maar is er verschil tussen geloven en dromen? Ik probeer maar wat: is geloven niet dromen met open ogen? Zeg het maar ….

maandag 2 november 2020, Allerzielen
Vandaag geen preek, maar een artikel.
(verschenen in Goirles Belang 4 november 2020)

Stil jubileum van 40 jaar stichting begraafplaatsen Goirle
“De begraafplaatsen liggen er prachtig bij, en dat moet ook”

Op een bijzonder fraaie dag in oktober, vlak voor Allerheiligen en Allerzielen, wandelt Guus de Haas over de begraafplaatsen Sint Jan en Maria Boodschap. In een bijzonder fraai artikel beschrijft hij die wandeling, en roept hij de lezer op hetzelfde te doen en stil te staan. Ik lees dit in het boek dat in 2005 uitkwam: “De Laatste Eer, De begraafplaatsen in Goirle door de tijden heen”, uitgegeven door de Stichting Begraafplaatsen Goirle. In hoofdstuk VII “Langs de paden der vergankelijkheid” vertelt Guus hoe hij stil staat bij de graven van mensen die hij wel of niet gekend heeft, van alle rangen en standen; hij leest de opschriften, bewondert de beelden en symbolen en mijmert … Ik deed hetzelfde, hieronder doe ik verslag.

Kerkhof Maria Boodschap
Dichtbij beginnen, eerst het kerkhof van de Maria Boodschap. Je hoeft maar even over het middenpad heen en weer te wandelen om het te zien: het ligt er prachtig bij. Aan het eind van het pad ligt de kapel die er in 2005 nog niet was. Een plaquette vermeldt dat deze kapel tot stand kwam dank zij de bijdragen van de parochianen aan de stichting vrienden van de kerk Maria Boodschap; op 15 oktober 2011 werd de kapel ingezegend. Het in schoon metselwerk opgetrokken gebouwtje is een waardevolle toevoeging aan de begraafplaats, het is goed toeven in de kleine ruimte met het beeld van Maria-met-kind, je kunt er een kaarsje opsteken.

Dan, zoals aanbevolen door Guus de Haas, dwalen langs de graven, een melancholiek feest der herkenning, soms een verrassing als het heengaan van een bekende je was ontgaan. Ja, die opschriften, ja die ontwikkeling van super vroom naar seculier, die mooie details. Ik maak een foto met de Maria Boodschap op de achtergrond. Eigenlijk is het geen “kerkhof” meer, maar moet je “begraafplaats” zeggen. Wanneer komen nu eindelijk eens die appartementen in de gerestaureerde ruïne? Waarom duurt alles zo vreselijk lang in dit land? Is dit een mijmering die op de plaats van eeuwige rust wellicht ongepast is?

Begraafplaats Sint Jan
Dan naar de begraafplaats Sin Jan. Ook hier is de eerste (en tweede) indruk: het ligt er prachtig bij. Wie ik hoop aan te treffen, vind ik al na een minuut: Kees van Rooij (70). Ik maak hem een compliment met de staat waarin de twee begraafplaatsen zich bevinden. Het mag op zijn conto geschreven worden, Kees die er elke dag aan het werk is met een ploegje andere vrijwilligers. Hij ontvangt het compliment met een glimlach en zegt: ja, maar dat moet ook, hè Ben. Ik vraag hem welke begraafplaats zijn voorkeur heeft, maar een voorkeur heeft hij niet. Wel is hij veel meer op de Sint Jan, want die is vier of vijf keer zo groot: “er is hier altijd werk te doen”. Nee, zelf de graven delven doet hij niet meer, want het bestuur van de stichting wil zuinig omgaan met de vrijwilligers: een graafmachine doet het sinds een jaar (“ik kan het nog wel, hoor”). Ik zie Kees ook vroeg op de zondagmorgen op de fiets, hij zal toch niet op zondag werken? Nee, dan maakt hij alleen de poort open.

Ook hier dwaal ik rond. Ik zie dat de familie van Puijenbroek de oude ruïneuze stenen en tomben verwijderd heeft en nieuwe grafmonumenten heeft geplaatst; die gaan zeker weer een eeuw mee. Zo blijven de namen in herinnering. Ik sta stil bij het monument voor het doodgeboren kind (door Riet van der Louw-van Boxtel), in 2005 ingezegend door Paul Janssen. Het was een van zijn laatste daden als pastoor voordat hij uit Goirle vertrok en naar Deurne ging. Ik bezoek het graf van Piet Wiercx (1932 – 2009) een van de redactieleden van De Laatste eer. Zo ook het graf van Jef Hoogendoorn (1951 – 2018) die ook meewerkte aan het boek. Ik denk aan Piet Brock, Willem van de Vrande, Louis Doomernik, Wil Sterenborg, allen medewerkers aan het boek; ze zijn er niet meer. Kees van Rooij aarzelt geen moment als ik vraag waar Jef Hoogendoorn ligt: hij kent elk graf. De wandeling en de mijmeringen, het is een heilzame ervaring. Ik kan het ieder aanbevelen. Het is in tijden van hele en halve lockdown goed te doen.

Joop Daamen
In 2005 werd De Laatste Eer uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Stichting Begraafplaatsen Goirle, 15 jaar geleden. Een eenvoudige rekensom leert dat de stichting dit jaar dus 40 jaar bestaat. Ik pleeg een telefoontje naar Joop Daamen (82), destijds voorzitter van de stichting en dat is hij nog steeds. Een beetje beschaamd geeft hij toe dat “ze” er niet aan gedacht hebben. Door de corona is het bestuur dit jaar nog niet bijeen geweest, vandaar misschien. Hij is blij dat ik er aandacht aan wil besteden. Ik complimenteer hem ook met de staat van de begraafplaatsen. Hij ontvangt het dankbaar en zegt dat veel mensen dit opmerken. Dankzij Kees van Rooij, zegt ook Joop, en zijn ploegje aan vrijwilligers. “Kees is de verbindende factor.” Het gaat goed met de stichting, de financiën zijn gezond. Hij schat zo’n 50 à 60 begrafenissen over de twee locaties per jaar, bijzettingen van urnen meegerekend. Een rustig beeld dus; er zijn tegenwoordig veel crematies, en de natuurbegraafplaatsen zijn in trek. Het bestuur bestaat uit Joop Daamen (voorzitter), Frans Lenaerts (penningmeester), Toos van Loenen (secretaris), Rob Suurmeijer (lid – jurist), Helen van der Schoot (lid). Nu we elkaar toch aan de lijn hebben: dit bestuur kijkt uit naar verjonging. Joop ziet t.z.t. uit naar een opvolger, ook een nieuwe penningmeester zou zeer gewenst zijn. Ik geef het maar door. Nog een mededeling van het bestuur: wegens de corona gaat de lichtjesavond dit jaar helaas niet door.

Ik vraag naar het boek dat in 2005 werd uitgegeven: is dat nog in de handel, ligt er nog een voorraadje onverkocht? Niet dus, het is destijds snel uitverkocht. Wie het toch wil lezen moet het in de bibliotheek zoeken. Ja, het was een prachtige uitgave, beaamt Joop Daamen. Zou het geen idee zijn om een tweede druk van het boek uit te brengen? Omdat de stichting 40 jaar bestaat? Ik leg het niet aan Joop voor maar bedenk het achteraf. Voor al die mensen die het in de kast hebben: haal het uit de kast en herlees, het heeft aan actualiteit niets verloren. Maar ga vooral wandelen en mijmeren, volgens de methode De Haas …

maandag 26 oktober 2020
Lezing: Efeziërs 4, 32 – 5, 8 en Lucas 13, 10 – 17

In Trouw van zaterdag 17 oktober staat een hartekreet van Samuel Lee richting de kerken om lhbt’ers niet de deur te wijzen of proberen ze te veranderen, maar hen onvoorwaardelijk te accepteren. Hij is diep geraakt door het leed dat kerken homoseksuelen hebben aangedaan, en nog aandoen hier en daar; hij vindt het de hoogste tijd om schuld te belijden en vergiffenis te vragen. Samuel Lee is nog een paar dagen Theoloog des Vaderlands dan draagt hij de titel over aan een ander. Lee is voorganger van een onafhankelijke pinksterkerk in de Amsterdamse Bijlmer, en docent theologie van migratie aan de VU. Met zijn pleidooi steekt hij zijn nek uit, want in de pinkster- en evangelische kerken ligt dit zoals het heet “gevoelig”. Ook de RKK is in dezen bepaald nog niet zonder zonde, al is paus Franciscus op de goede Weg nu hij een samenlevingscontract voor homo’s bepleit in een documentaire.

Eerst even over het begrip theoloog des vaderlands. Aanvankelijk kenden we alleen het begrip vader des vaderlands: Willem van Oranje / Willem de Zwijger (1533-1584) – een bijnaam die bepaald niet meer afstraalt op het volk dat hem zogenaamd als vader beschouwt. Sinds een jaar of 18 zijn er steeds meer “des vaderlands”-titels bijgekomen, ik noem denker des vaderlands, dichter des vaderlands, componist des vaderlands, fotograaf des vaderlands. Maar wat heeft dat te maken met het Lucasevangelie van vandaag? Met die vrouw die al 18 jaar lijdt onder een geest die haar ziek maakt, die haar krom doet lopen, zodat ze niet in staat is zich op te richten en haar rug te rechten? Niets misschien, behalve dan dat ik denk dat Jezus destijds beslist de titel theoloog des vaderlands verdiend zou hebben. Hij ziet die vrouw met haar lijden, zoals opgemerkt wordt door de meest vrouwvriendelijke van de evangelisten Lucas. Hij raakt haar aan, een taboe doorbrekend gebaar, maar waar hij echt zijn nek mee uitsteekt is dat hij haar op sabbat geneest. Sabbat is heilig, op sabbat verricht je geen geneeskundige handelingen. De ergernis van de leider van de synagoge waar het zich afspeelt, richt zich op de aanwezige menigte: laat je op een andere dag genezen. Er zijn zes dagen om te werken, kom dus op die dagen om je te laten genezen en niet als het sabbat is. Huichelaar, bijt Jezus hem toe. “Moet deze dochter van Abraham dan op sabbat niet losgemaakt worden van de boeien waarmee satan haar al achttien jaar geleden heeft vastgebonden?” Hier zien we de theoloog die Jezus is aan het werk. Hij ziet in die vrouw een dochter van Abraham; Abraham – hier hebben we nog zo’n titel – wordt de vader van alle gelovigen genoemd. Satan is een theologische term, het is de naam van de duivel, d.w.z. alles wat van God afleidt, alles wat Gods goede schepping corrumpeert, alles wat ziekmakend is voor de mens, man en vrouw, lhbti, minachting, discriminatie, uitsluiting of nog erger. De glorie van God is de mens met een rechte rug, broeders vrij en opgericht, zingt het lied, alleluja. En dit lied mag alle zeven dagen van de week gezongen worden, ja vooral op de sabbat, vooral op zondag de dag des Heren.

Jezus geneest de vrouw, ze gaat rechtop staan zoals de dappere vrouwen in Minsk, Belarus, opstaan en week in week uit demonstreren. Ze looft God. Maar zei ik dat Jezus destijds de titel theoloog des vaderlands verdiend zou hebben? Die titel zou hij nog steeds verdienen, ook anno 2020 zou er voor Jezus nog heel wat werk te doen zijn om verkeerde godsbeelden op te ruimen, foute kerkelijke praktijken aan de kaak te stellen, religieuze leiders als huichelaars te bestempelen. Hij zou samenwerking zoeken met denkers en dichters, componisten en fotografen en alle mensen van goede wil. Hij zou zijn geest verspreiden over de sociale media, steeds in de naam van de Vader, de schepper van hemel en aarde ….

maandag 19 oktober 2020
Lezing: Efeziërs 2, 1 – 10 en Lucas 12, 13 – 21

“Pas op voor iedere vorm van hebzucht! Ook al heeft een mens nog zo veel, zijn leven bezit hij niet.” Het is een waarheid als een koe, we hebben er niet eens het gezag van Jezus voor nodig om daarvan overtuigd te zijn. Je bent niet de bezitter van je leven.

Maar je kunt je wel degelijk de bezitter wanen van je leventje. In het vervolg van de evangelietekst krijgen we daar een uitgetekend voorbeeld van in de man die goed geboerd heeft, zijn schaapjes op het droge – of in meer hedendaagse beelden: die zijn ICT-bedrijf voor miljoenen verkocht heeft aan een grote jongen en die nu binnen is. De woorden van het evangelie doen verrassend modern aan: “Ik zal tegen mezelf zeggen: je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit. Rust nu maar eens uit, eet, drink en neem het ervan.” Die jongen en dat meisje zijn in onze maatschappij de winnaars van de ratrace, ze zijn geslaagd, zij hebben succes, ze zijn jong en energiek met strakke, perfecte lijven of ze zijn oud maar nog kras en een flink pensioen en geld zat. Zij hebben een goed leven, ze gaan drie, vier keer per jaar op vakantie, ze gaan naar feesten en festivals, ze gaan uit hun dak met alcohol en partydrugs, ze gaan naar restaurants, ze drinken in het weekend met hun vrienden bier in het café, ze maken een cruisetocht of naar hun tweede huis in Spanje. Dit is het leventje. Van dat leventje kun je je de bezitter wanen. Als Jezus zegt dat niemand zijn leven bezit toont hij dat aan door even in de huid van God te kruipen. “Maar God zei tegen hem: ‘Jij dwaas, nog deze nacht wordt je leven opgeëist, en voor wie zijn dan al die voorraden die je hebt aangelegd?’ En de moraal van zijn parabel is: “Zo vergaat het iemand die rijke schatten verzamelt voor zich zelf en niet voor God.”

Hmm, ja, in principe wel, maar dat is in de praktijk lang niet altijd het geval. God wordt in onze geseculariseerde samenleving niet meer als actor gezien. Wie het leventje afpakt is een virus, het coronavirus, die een wereldwijde pandemie veroorzaakt met de ziekte Covid-19. Het ziet er naar uit dat het virus enkel bestreden kan worden door dat leuke leventje tussen haakjes te zetten: cafés en restaurants dicht, theaters en festivals verboden, voetbal zonder publiek, reisbewegingen beperken tot het strikt noodzakelijke, mondkapjes op in de binnenruimte. Het is de tweede lockdown dit jaar en psychiaters (de nieuwe priesters in de geseculariseerde maatschappij) houden hun hart vast: laten de bezitters van het leventje zich dat leventje afpakken? Wat doet dat met hun psychische gezondheid? Hoe houden ze dat vol? Wat is het perspectief? Is er wel een perspectief behalve dat het misschien nooit meer zal worden zoals het was? De grote vraag die op iedereen drukt, aldus Damiaan Denys, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam, is: waar gaat dit naar toe? We kunnen ons geen beeld vormen van de toekomst. Hij zegt: vergeet het maar als je denkt dat we ooit weer zullen vliegen en snacken en feesten zoals we gewoon waren. Maar een beloning kun je ook vinden in een ander perspectief kiezen en je gedrag veranderen: minder individualistisch geluk najagen en maatschappelijker worden, wel contacten aanhouden, maar dan meer als intensere vriendschappen in kleinere kring, meer in de natuur verkeren” (NRC 17 oktober 2020).

Ik ben het met hem eens. Perspectief is hier het grote woord, en ander gedrag. De kerk van Christus weet hier al 2000 jaar heel veel van. Metanoia, omkering, bekering. Voor christendom is het niet nodig om je vast te klampen aan het oude wereldbeeld, levensvreugde op te schorten, alles opzij te zetten voor het hierna. Je vastklampen aan een wereldbeeld is ook een vorm van hebzucht, en Jezus waarschuwt tegen elke vorm van hebzucht. Is het christelijk perspectief dan niet: het hiernamaals? God in de hemel? Nee, het perspectief is: Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Het perspectief is: Heden is het Schriftwoord vervuld. Het perspectief JHWH, de onuitsprekelijke godsnaam: Ik zal er zijn. Het perspectief is Fratelli Tutti, de nieuwste encycliek van de paus, we zijn allen broers/zusters. Het perspectief is vervat in de woorden van het Onze Vader: geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben.

maandag 12 oktober 2020
Lezing: Galaten 4, 22-24.26-27.31 – 5,1 en Lucas 11, 29 – 32

In het korte evangeliefragment gaat het over “het teken van Jona”. Wat is dat teken? We worden deze keer niet geholpen vanuit de eerste lezing met het verhaal uit het boek Jona waar Jezus naar verwijst, maar het is bekend genoeg. Het was – of misschien is – een favoriet verhaal in het godsdienstonderwijs op de basisschool, met prachtige illustraties erbij. Het sprookjesachtige verhaal van die aandoenlijke Jona op de vlucht voor God; tijdens een vreselijke storm wordt hij overboord gekieperd door zijn medeopvarenden, vervolgens opgeslokt door een grote vis; hij verblijft drie dagen in de maag van die vis, en wordt dan uitgespuwd op het strand.

Een prachtig verhaal? Als verhaal misschien wel, maar ik geef het je te doen om in de maag van een vis te zitten. Als we dit verhaal uit zijn letterlijkheid halen, komen we uit bij de hedendaagse bubbel. Mensen verblijven tegenwoordig in allerlei soorten bubbels, afgesloten of afgezonderd van de grote gemeenschap. Een speciale bubbel is de bubbel van verdriet, ook in alle soorten en formaten. Ik denk aan mensen die de boodschap hebben gekregen dat ze kanker hebben, dat ze ongeneeslijk ziek zijn, dat ze niet lang meer hebben. Het plaatst hen in een bubbel waarin zij zich buitengesloten voelen van het goede leven van onbezorgdheid, perspectief, plannen, het gekoesterde leven met hun dierbaren dat eindeloos door mag gaan. Zij voelen zich als in de maag van de grote vis, als Jona. Hoe kom je daar uit, hoe mag je hopen dat je uitgespuwd wordt op een strand van innerlijke vrede?

Zo kwam ik op mijn ochtendwandeling een buurtgenoot tegen – een wat formele man die een deftig beroep heeft uitgeoefend – die me weken geleden vertelde dat zijn vrouw kanker had en dat hun leven op z’n kop stond. Ik vroeg hem nu hoe het met zijn vrouw ging. Hij antwoordde dat de kuren leken aan te slaan en dat er gedacht werd aan een operatie. We liepen samen op, zwijgend, hij met hond, ik zonder hond, zoals we sinds vorige week maandag weten. Opeens zei hij: “mag ik je een rare vraag stellen”? Ik zei: “kom maar op met je rare vraag.” En daar kwam ie. “Bid jij”? Inderdaad een rare vraag, raar in de betekenis van zeldzaam. Een heel intieme vraag ook die ik beslist niet van hem verwacht had. Ik zei: “ja, ik bid.” En toen hij weer: “ja, maar dat komt omdat jij nog gelooft.” O o o! Hier zat een hele wereld achter aan vooronderstellingen, een achtergrond die ik niet kende, zijn taxatie van mensen die “nog bidden en geloven”. Ik vond op dat moment dat ik daar wat aan moest doen, dus ik zei: “maar mijn geloof is door de Verlichting gegaan, door een vracht aan filosofen. Ik geloof niet meer zoals ik als kind geloofde, ik heb niet meer dat naïeve geloof van toen. Maar toch geloof ik nog.” Op dat moment brak ons gesprek af, vanwege de hond. De hond trok hem naar een plaats waar hij zijn “gevoeg” wilde doen (de woorden van mijn gesprekspartner, ik zei al dat het een wat formele, deftige man is) en zo gingen onze wegen uiteen. Toen ik verder liep dacht ik: je hebt dat niet goed aangepakt, je had niet over jezelf moeten praten. Ik had moeten zeggen: zou jij ook willen bidden, maar je weet niet hoe? Waarschijnlijk had hij dan gezegd: nee, ik zou bij God niet weten hoe ik moet bidden. Dan had ik weer kunnen zeggen: dat wisten de vrienden van Jezus ook niet. Zeer waarschijnlijk wisten ze dat niet, omdat ze ook niet geloofden in de traditionele zin van het woord (“het Galilea van de heidenen”, zo stond de streek immers bekend waar Jezus zijn makkers vandaan haalde). En toen ze vroegen: hoe moet je bidden, leer ons dat, antwoordde Jezus: Vader, laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen. Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving (Lukas 11, 2 – 4). Deze voortgang van het gesprek bedacht ik. Zoals zo vaak gebeurt dat je denkt: dát had ik moeten zeggen. Enfin, er komt misschien nog een kans.

Als je bidt zoals Jezus kom je misschien uit je bubbel, uit de maag van de grote vis, en tref je jezelf aan op het strand van de innerlijke vrede. Jezus wist waarover hij sprak. Hij zat zelf in die maag. Hij vergeleek zich met Jona, en zei dat de mensen geen ander teken gegeven zou worden dan het teken van Jona, het teken van Jezus.

maandag 5 oktober 2020
Lezing: Galaten 1, 6 – 12 en Lucas 10, 25 – 37

Ooit was religie een ingewikkelde zaak, je moest je houden aan vele geboden en verboden, regels en voorschriften. Het jodendom kent 613 mitswot. Wikipedia somt ze allemaal op, wie zin heeft om ze te bekijken zoekt ze maar eens op. Jezus heeft de zaak aanzienlijk vereenvoudigd door ze terug te brengen tot 2: God beminnen en de naaste als je zelf. Simpel, toch? Je moet een Schriftgeleerde zijn om het weer moeilijk te maken met de vraag: wie ís mijn naaste?

Het Grote Verhaal mag dan voorbij zijn, Lucas heeft een aantal prachtige kleine verhalen; het verhaal van de barmhartige Samaritaan blijft een ijzersterke uit zijn repertoire. Het heeft onze beschaving mede vorm gegeven, ik geloof niet dat dit een overdreven bewering is. Op 27 september werd de heilige Vincentius gevierd. Welnu, Vincentius (1581-1660) was zeker een barmhartige Samaritaan, zoals vele actieve religieuzen barmhartige Samaritanen zijn geweest, zoals momenteel zorgmedewerkers en verpleegkundigen, intensivisten en virologen Samaritanen zijn voor de mensen die langs de weg liggen met Covid-19.

Maar nu terug naar het ijzersterke verhaal, met de moeilijke vraag: wie is mijn naaste? We moeten nog eens goed kijken, want we zijn niet allemaal intensivist of verpleegkundige, we zijn niet allemaal beroepshalve Samaritaan. Hoe zit dat in de vrije tijd of aan gene zijde van welke baan of professie ook? Volgens het verhaal van Lucas kan iedere mens de naaste worden van een andere mens … als die andere mens je pad kruist, en als het toevallig zo is dat die ander in nood verkeert. Je moet die nood wel zien of willen zien, je moet dan ook nog een hart hebben dat geraakt wordt door die nood én je moet de bereidheid hebben of de mogelijkheid om actie te ondernemen en wat aan die nood te doen. Als aan die voorwaarden voldaan is – en daarover wordt in een splitseconde beslist – dan ben je opeens de naaste geworden van die mens.

Hoe zit dat in het nieuwe normaal, met de anderhalve meter regel, met het advies om vooral thuis te blijven werken? Je hoort dat veel mensen psychische problemen krijgen, dat er grote eenzaamheid ontstaat. Wie doet daar wat aan? De trouwe viervoeter! Ik begin mijn dag met een wandeling, en ik kom dan mensen tegen met een hond, al dan niet aangelijnd. Ik ben op de gedachte gekomen: honden zijn de naaste van de mens geworden. Het valt mij op dat in de hedendaagse romanliteratuur de hond een grote rol speelt. Ik las onlangs boeken van Olga Tokarczuk (Nobelprijs literatuur 2018) waarin alleengaande oude vrouwen als enige metgezel de hond hebben. Sander Kollaard won eind juni van dit jaar de Libris Literatuurprijs 2020 met zijn boek Uit het leven van een hond. De hoofdpersoon zegt ergens dat hij méér van zijn hond houdt dan van wie of wat ook. Wat langer geleden schreef Koos van Zomeren prachtige korte verhalen over zijn wandelingen met Rakker, zijn hond. De hond heeft eigenschappen die je zonder meer christelijk zou kunnen noemen. Een hond oordeelt niet, iets wat Jezus ook aanbeveelt aan zijn volgelingen. Een hond discrimineert niet. Of je nou arm of rijk bent, oud of jong, lelijk of beeldschoon … het maakt de hond niets uit, de hond is onvoorwaardelijk toegewijd aan baas of bazin. Ja, de hond is een serieuze kandidaat om als naaste bestempeld te worden. Daags na Werelddierendag en Franciscus van Assisi moeten we God danken voor dit schepsel: broeder/zuster hond, dit prachtige geschenk van God aan de mens.

Misschien wilt u nu weten of ik zelf een hond heb. Het antwoord is nee. Ik wandel zonder hond door het leven. In mijn jeugd is er wel even een hond geweest, hij heette Bobby. Maar toen hij in de neus van mijn kleine zusje beet was het afgelopen.

maandag 28 september 2020
Lezing: Job 1, 6 – 22 en Lucas 9, 46 – 50

De eerste lezing geeft ons een Jobstijding, slecht nieuws dus. Er was niks mis met Job en zijn zeven zonen en drie dochters, het ging hen goed, eigenlijk te goed. Voor Jobs zonen en dochters was het alle dagen feest. Het boek Job vertelt het verhaal dat het vreselijk mis gaat, alles gaat ten gronde, alles wordt hen afgepakt.

Het is haast onmogelijk om Job niet als een spiegel te zien waarin we onze tijd herkennen. En als wíj dat niet zien, dan wel Philipp Blom (1970), historicus, filosoof, schrijver, die in Buitenhof onlangs zijn essay toelichtte: “Het grote wereldtoneel, over de kracht van verbeelding in crisistijd.” Volgens hem verkeren we in de laatste fase van het Grote Verhaal. Het grote verhaal van de mens als kroon (corona) op de schepping, het schepsel dat boven de natuur staat, en dat met de natuur kan doen wat hij wil. We komen nu van die kermis thuis. We ontdekken dat we onderdeel zijn van de natuur en dat we niet straffeloos met haar kunnen doen wat we willen. Hoe moeten we daarop reageren? Binnen het Grote Verhaal van de Bijbel treffen we het ontnuchterende verhaal aan van Job, hoe hij door Satan beproefd wordt met goedvinden van God. De inzet van het boek Job is: houdt zijn Godsvertrouwen stand bij onheil en rampspoed voor zijn dierbaren, de algehele teloorgang van zijn bezit en bij zijn persoonlijk lijden? Het antwoord op die vraag kennen we: ja, het houdt stand. De clou van het verhaal wordt al weggegeven in het eerste hoofdstuk, in de luttele verzen die we lezen, met de woorden: “De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.”

Maar hoe zal de mens reageren die het geloof in God heeft verloren? Wat gebeurt er als de mens niet meer naar het café mag, naar het voetbalstadion, naar de festivals: wat zullen de zonen en de dochters van de mens dan doen? Hashtag: #ikdoenietmeermee? Je toch maar aan de strenge maatregelen houden, wachten op het vaccin, en daarna weer verder op de oude voet? Als we dat doen, zegt Philipp Blom, en hij is de enige niet, dan kun je wachten op de volgende ramp, een nog dodelijker virus; dan stevenen we – denk aan het klimaat – regelrecht af op de afgrond. Wat is zijn oplossing, welke kant moeten we op? Zijn antwoord is: verbeelding, de kracht van de verbeelding kan ons redden. We zullen iets anders moeten willen, we moeten iets anders gaan zien, we zullen ons een nieuw doel moeten stellen, er zal een ander verhaal moeten komen dat ons het duwtje in de rug geeft om in beweging te komen naar een nieuwe toekomst.

Veel oproepen met nieuw dus. Daarom treft het dat we een boek hebben dat Nieuwe Testament heet. Volgens mij brengt Jezus die verbeelding, die krachtig genoeg is om het aanschijn van de aarde te vernieuwen. Ja maar zeg, en nu zal ik me even advocaat van de Satan maken, het zogenaamde Nieuwe Testament is onderdeel van het grote verhaal van de bijbel. Dat grote verhaal had toch afgedaan, dat verhaal was toch juist deel van het probleem? En zeg je Jezus, dan is het volgend woord God … en in God geloven we toch niet meer? Hebt u Trouw van zaterdag 19 september gelezen? Daar maken we kennis met Julian Baggini (1968), een Brits filosoof, journalist en schrijver. Hij heeft gezocht naar de boodschap van Jezus zonder God. Volgens hem kun je de woorden van Jezus ontdoen van alles wat met God te maken heeft en dan nog hou je een radicale levensfilosofie over die kan inspireren. Ik zal me vandaag onthouden van commentaar op die stelling, en me keren tot Jezus in de korte tekst die vandaag voorligt: Lucas 9, 46 – 50. De leerlingen zijn bezig met de gewichtige vraag wie van hen het belangrijkste is. Powerplay, de hoge borst, haantje de voorste, de kroon op het hoofd, het oude liedje. De kracht van Jezus verbeelding komt tot uitdrukking in zijn woord: wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot. Dit voldoet aan de eisen die Blom stelt: iets anders willen, iets anders zien, een ander doel stellen. Gaat dit je verbeelding te boven, dan helpt Jezus door het concreet te maken: hij nam een kind bij zich dat hij naast zich neerzette. Hij zei tegen hen: wie dit kind in mijn naam opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Philipp Blom doet in feite hetzelfde als hij Greta Thunberg tot icoon maakt van de nieuwe wereld die komen moet. Dit kind kijkt ons met grote ogen aan en vraagt ons te stoppen met de vernietiging van de aarde, en te bouwen aan een toekomst …

maandag 21 september 2020
Lezing: Ef. 4, 1 – 7. 11 – 13 en Matteüs 9, 9 – 13

Vandaag valt de schijnwerper op Matteüs, een van de vier evangelisten. Een evangelie is een goed en waar verhaal over Jezus. Dat er vier evangelisten zijn betekent dat er vier goede en ware verhalen over Jezus zijn. Vier verschillende verhalen, en dat is mooi want het voorkomt fundamentalisme. Fundamentalisme is de akelige menselijke neiging om te denken dat je de waarheid kent, dat je de waarheid in pacht hebt, dat je die waarheid aan anderen kunt opleggen. Jezus lijkt zich in het Johannesevangelie schuldig te maken aan fundamentalisme als hij zegt: Ik ben de waarheid. Van de andere kant zegt hij ook: wat is goed? Een is goed, God. Vier verhalen dus over Jezus. Maar elk verhaal moet uitgelegd worden, vooral als er dingen zijn die we niet begrijpen. De bijbel (waar de evangelies onderdeel van zijn) wemelt van dingen die we niet begrijpen, dus de uitleg is ook een wemeling. Een rabbijn heeft ooit gezegd: er zijn 99 manieren om de bijbel uit te leggen, aan jou de taak om de 100ste te vinden. Misschien zegt u: ik heb wel wat beters te doen. Dat zal ik niet zeggen, veel beters heb ik niet te doen. Zo ook niet theologen en exegeten – en mensen die bijvoorbeeld in een bijbelgroep de tijd nemen om in een uitwisseling van hun gedachtes nader te komen tot het begrijpen van het goede en ware verhaal. Daarbij wordt het oude verhaal altijd in contact gebracht met de eigen tijd, onze problemen en onze behoeftes om zin te zien te midden van de oeverloze onzin. Zo heb je in Trouw het Theologisch elftal dat zich buigt over de vraag of je mensen kunt dwingen het goede te doen (Trouw 10 september 2020). Probleem: het dodelijke virus dat om zich heen grijpt. Probleemstelling: terwijl de coronacrisis zich voortsleept, groeit het protest tegen de coronawetgeving. Maar hoeveel vrijheid kunnen mensen aan? Als we vrij zijn, denken we dan nog aan het algemeen belang? Uit het elftal rent Manuela Kalsky naar voren, bijzonder hoogleraar voor theologie en samenleving aan de VU. Zij wijst op Matteüs, de evangelist die we vandaag vieren. Ze zegt: “In het evangelie van Matteüs staat: ‘Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden’. Het koninkrijk van God, dat klinkt misschien exclusief christelijk. Maar je kunt het ook ‘het goede leven voor allen’ noemen. Het is namelijk het visioen van een radicaal inclusieve samenleving. De wolf ligt naast het lam; in plaats van wij-zij is er onderlinge verbondenheid. Een samenleving met een economie die gericht is op het algemeen welzijn.” Manuela rent nog wat verder: “Als individu kan ik me heel goed vinden in dat goede leven voor allen. Maar je kunt het niet afdwingen met wetgeving. Ik denk dat we als samenleving weer zo’n soort gedeeld visioen moeten ontwikkelen, als we de crisis de baas willen worden. Want er gaat nog veel op ons afkomen: meer mensen worden werkeloos, kunnen de huur of de hypotheek van hun huis niet meer betalen. Mensen raken hun bestaanszekerheid kwijt. Als we dan geen visioen van een solidaire samenleving hebben die we samen praktisch willen vormgeven, blijft ieder enkel vechten voor zijn eigenbelang en overleven.” Volgens mij treft Manuela het doel: doelpunt! We mogen niet juichen, wel in de handen klappen. Na de spelhervatting maakt een andere speler uit het Theologisch elftal zich los en rent naar voren in een korte sprint, Erik Borgman, hoogleraar publieke theologie aan Tilburg University. Hij zegt: “Wat dat betreft vond ik de oproep van Van der Staaij niet gelukkig. Hij riep de overheid vooral op meer rekening te houden met het belang van de kerk. Dat is voor hem het belang van gelovigen die zich principieel niet willen laten vaccineren, mensen die op zondag in de kerk willen zingen of kost wat kost avondmaal vieren. Ik herken mij niet in die kerk. Juist de kerk zou wat mij betreft moeten weten dat het niet om het eigen belang draait.” Weer een doelpunt gemaakt door een lid van het Theologisch elftal. Maar ook hier: niet juichen, enkele een zacht applaus op het feest van Matteüs, een van de vier (officieel erkende) schrijvers van het goede en ware verhaal van Jezus de Levende.

maandag 14 september 2020
Lezing: Numeri 21, 4 – 9 en Johannes 3, 13 – 17

Vandaag viert de kerk het feest van de Kruisverheffing. In het verleden heb ik wel uitgelegd waar dit feest vandaan komt: het is een mix van oude legendes en vrome onzin waar vooral het rooms-katholicisme verzot op was. Geen hond die zich daar nog voor interesseert. Nee, ik kan beter het verhaal vertellen van Sjef (1932) over wie ik eens een portret heb geschreven onder de titel: mantelzorger, wandelaar, gemeenschapsmens. Ik kwam hem tegen bij de karretjes van Albert Heijn. Hij is 88. Al negen jaar gaat hij elke dag naar het verpleeghuis Elisabeth, naar zijn vrouw die daar is opgenomen. Hij houdt zijn vrouw enkele uren gezelschap en helpt haar bij de maaltijden, negen jaar lang op die leeftijd. De afgelopen corona maanden mocht hij niet bij haar komen – zijn verhaal is niet uniek, dit is de grote schande van de overheidsmaatregelen rond verpleeghuizen waarvan nu gezegd wordt: dat gaan we zo niet meer doen. Al die maanden stond hij op straat met zijn mobiele telefoon, belde haar op een vast tijdstip, sprak haar bemoedigende woorden toe. Vanaf een vrij grote afstand zwaaide hij naar haar en zij zwaaide terug. Spreken kan zij al lang niet meer. Hij vertelde me dat hij nu voor de derde keer weer was toegelaten om haar te helpen met eten, alleen op haar kamer. Hij keek me met droeve ogen aan. “Weet je,” vroeg hij, “hoe ik door die periode heen ben gekomen?” Ik wilde het graag horen. “Tegen de muur van het verpleeghuis hangt het kruis dat nog van de Maria Boodschap afkomt (de Maria Boodschapkerk is aan de eredienst onttrokken, het was de parochiekerk van zowel Sjef als van mij). Wel, ik heb telkens naar dat kruis gekeken en dan kon ik er weer tegen. Ik weet niet hoe de mensen het doen die geen geloof hebben, want het verpleeghuis … dat is pure ellende.” Dit was het verhaal van Sjef. Ik vond het een verheffend verhaal, en ik besefte meteen dat mijn preek over de Kruisverheffing daarmee geschreven was. Toch nog even naar de tekst van Johannes hoofdstuk 3. Geen vrome onzin daar, maar de kern van de zaak: Jezus in gesprek met Nikodemus. Ze praten over het koninkrijk van God zien en dat daar een soort nieuwe geboorte voor nodig is, een nieuwe blik of een nieuwe mentaliteit, iets dat je niet kunt kopen bij Albert Heijn. In het verlengde van dit gesprek zegt Jezus: “Er is toch nooit iemand opgestegen naar de hemel behalve degene die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon?” Als mensen sceptisch zijn over de hemel en het hiernamaals – en dat zijn de meeste mensen tegenwoordig – dan zeggen ze: ja, ja, je kunt mooie verhalen ophangen, maar één ding is zeker: er is nog nóóit iemand van ginds teruggekeerd om ons te vertellen hoe het is. Jezus kent die scepsis natuurlijk ook, en hij gaat er in mee. Als je gestorven bent daal je af in de aarde, je stijgt niet op naar de hemel. Zo is het en niet anders. Maar er is één uitzondering, namelijk degene die uit de hemel is neergedaald … die maakt een gerede kans dat hij opstijgt naar de hemel: de Mensenzoon. Het is deze Mensenzoon, Jezus Christus, die aan het kruis geslagen wordt. Het kruis is het teken van het christelijk geloven, een dubbelzinnig teken. Enerzijds staat het voor de diepste ellende van de mensheid die in een tranendal verkeert, anderzijds staat het voor de verheffing uit de ellende in een rijk van God waarin er vreugde, vrede en geluk zal zijn. Een prachtig geloof. Een geloof dat je er doorheen trekt. Inderdaad Sjef, ik weet niet hoe mensen die geen geloof hebben hiermee kunnen dealen. Nauw gekoppeld aan het feest van de Kruisverheffing is het feest van morgen: Onze Lieve Vrouw van Smarten. Vanuit zijn verhoogde positie aan het kruis ziet Jezus naar om laag en daar staat zijn moeder (Stabat mater dolorosa). Daar staan wíj met smart in ons hart. Want al is ons geloof verheffend, de dingen hier om ons heen blijven smartelijk. En wat is ons geloof? Dat is wat Johannes in het fragment van vandaag durft te belijden: “Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

maandag 7 september 2020
Lezing: 1Kor. 5, 1 – 8 en Lucas 6, 6 – 11

“Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, of men een leven mag redden of verloren laten gaan.” Dit is een schoolvoorbeeld van een retorische vraag: een vraag waarop je eigenlijk niet eens hoeft te antwoorden omdat er maar één antwoord mogelijk is. Natuurlijk mag je goed doen, natuurlijk mag je een leven redden, hé hé. Maar in de situatie waarin Jezus die vraag stelt ligt het iets ingewikkelder. Op sabbat mag je niet doen, dat was de idee van sabbat. Niet werken, je onthouden van activiteiten, op de plaats rust en daarbij denken aan God die in zes dagen de wereld schept en op de zevende dag rust. Dit is de orde, dit is in orde. Jezus is hier – in tegenstelling tot het vrome plaatje dat we misschien van hem hebben – subversief bezig, hij gooit de orde omver. Op sabbat mag je wel degelijk iets doen, goed doen mag altijd en een leven redden mag ook altijd. Als je vindt dat het anders is moet je je toch eens laten nakijken. Nu is “goed doen” erg abstract, “een leven redden” is al een stuk concreter als het bijvoorbeeld gaat over reddingsbrigades langs de Noordzee bij gevaarlijke stromingen en mensen die geen ervaring hebben met deze zee zoals deze zomer weer het geval was. In het evangeliefragment gaat het in concreto over een naamloze man met een verschrompelde hand. Zijn hand is nutteloos, hij kan er niets mee doen, niet alleen op sabbat niet, maar ook op maandag niet. Op sabbat zal hij er niet veel last van hebben, want dan mag je toch niets doen, maar al die andere dagen is het behoorlijk lastig. Het verhaal van Lucas is dat Jezus de man geneest, op de sabbat, op de dag dat je niets mag doen, ook niet geneeskundige handelingen verrichten. Jezus gooit hier de oude orde omver: ook op sabbat, en elke dag van de week, mag je goed doen, mag je het leven redden. Het verhaal heeft een grote actualiteitswaarde, lijkt me. De man met de verschrompelde hand staat voor de mensheid anno 2020: kan de mens het leven van de planeet nog redden? Wat is het goede dat er dient te gebeuren om het grote sterven van de soorten te stoppen? Als we het daar al over eens zouden worden, zijn we dan ook bij machte om de juiste acties te ondernemen, de goede maatregelen te treffen, ons ingesleten gedrag te veranderen? Zijn we in staat om het op een rechtvaardige manier te doen, zo dat alle mensen van deze planeet een menswaardig bestaan hebben, er gelet wordt op het welzijn van de dieren, er een toekomst mogelijk is voor hen die na ons komen? Ook dit zijn welhaast retorische vragen: we weten wel dat we daartoe niet in staat zijn, we zijn onmachtig, onthand, de rechterhand is verschrompeld en met enkel de linkerhand is het halve bak. We wachten op iemand die ons geneest, die zegt: strek je hand uit zodat er leven in komt. We wachten op het onverwachte: dat Jezus de samenkomst der mensen binnenwandelt en ons de kracht geeft om goed te handelen en het leven te redden. Maar Jezus is die synagoge al binnengewandeld, de hand is in principe al genezen. Laten we daar maar eens bij stil staan, op een sabbatmoment tijdens het weekend. Laten we het ons herinneren en bidden om de gids-en-helper die hij belooft heeft: de heilige Geest, zodat we op maandag vooruit kunnen met het karwei....

maandag 31 augustus 2020
Lezing: 1Kor. 2, 1 – 5 en Lucas 4, 16 – 30

Op maandag 17 augustus keek ik terug op het optreden van Zomergast Jaap Goudsmit, viroloog en epidemioloog. Vanwege de pandemie van Covid-19 willen wij alles weten over dit virus dat ons leven bedreigt. Maar deze openhartige wetenschapper vertelde vooral dat we niet veel weten. Toon Hermans maakte daar destijds een mooi nummer van: weet ik veel! riep hij uit, wij weten niet veel! Wij moesten daar erg om lachen, tegenwoordig vinden we dat niet zo grappig.

Vorige week had ik terug kunnen kijken op het optreden van Zomergast Carola Schouten, maar zij moest plaats maken voor Maria Tenhemelopneming. Daar zou Carola ging enkel bezwaar tegen hebben, want we leerden haar kennen als een bescheiden vrouw. Als minister van landbouw gaat zij over het milieu, het klimaat, de houdbaarheid van onze aarde. Zij moet oproeien tegen de overmacht van het grote geld en de gevestigde belangen. Zij zit gevangen tussen structurele maatregelen die gevraagd worden en de lotgevallen van individuele boerenfamilies die zij wil blijven zien. Zij vraagt zich af of zij de juiste persoon is op de juiste plaats. Ik vond haar met haar zelftwijfel een krachtige vrouw, een sieraad voor de ChristenUnie. Bij haar zie je de paradox die wel vaker opgaat: mensen die zich geschikt achten om leiding te geven zijn het vaak niet, mensen die zich niet geschikt achten zijn het vaak wel. Denken we aan de gebedsformule voor het ontvangen van de communie: “Heer, ik ben niet waardig”.

Vandaag kijk ik terug naar de laatste Zomergast van dit seizoen, Ilja Leonard Pfeiffer, vorige week zondagavond. Ilja Leonard is een zeer succesvolle romanschrijver, dichter, columnist: alles wat hij aanraakt wordt goud. Ik vond het interessant wat hij over zijn schrijverschap zei: hij is vaak verrast wat er uit zijn pen komt, het is heus niet allemaal vooraf bedacht, het lijkt alsof het van buiten komt. Als klassiek geschoold man weet hij dat de ouden dan aan de Muzen dachten; ongetwijfeld kent hij ook de christelijke opvatting in dezen die denkt in termen van inspiratie en heilige Geest. Maar zoals het een hedendaagse schrijver betaamt is Ilja Leonard ongelovig: hij gelooft niet in iets dat van buiten komt. Op het eind van de avond kwam hij niettegenstaande zijn beleden ongeloof toch tot de uitspraak dat een mens iets moet geloven. Het adagium: zonder geloof vaart niemand wel, bleef ongenoemd. Waarin geloofde Ilja Leonard dan persoonlijk, zo vroeg gastvrouw Janine Abbring. Als antwoord gaf hij: dat je in je leven iets moet bijdragen aan de verbetering van de wereld, want anders had je leven geen zin gehad. We moesten het ermee doen, en het is helemaal geen slecht antwoord.

De antwoorden uit de lezingen van vandaag zijn eigenlijk hetzelfde, maar iets krachtiger. Paulus in 1Kor. 2, 1- 5 zegt dat hij zich zwak, onzeker en angstig voelde bij zijn verkondiging van het Woord – ik denk dan aan Carola Schouten. Hij denkt ook dat het geloof niet steunt op menselijke wijsheid want wat stelt die wijsheid nu helemaal voor – ik denk dan aan Jaap Goudsmit. Nee, geloof steunt op de kracht van God, en die kracht is tot uiting gekomen – heel paradoxaal – in Jezus, de gekruisigde. In de evangelielezing uit Lucas 4, 16 – 30 zien we Jezus in de synagoge van Nazaret aan het begin van zijn optreden. Hij leest voor uit Jesaja, hij maakt zich die woorden eigen. “De geest van de Heer rust op mij, daartoe heeft hij mij gezalfd. Om aan armen de goede boodschap te brengen heeft hij me gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen en aan blinden het licht in hun ogen, om verdrukten in vrijheid te laten gaan en een jaar af te kondigen dat de Heer welgevallig is.” Een prachtig programma, dat is iets om in te geloven. En wanneer gaan we daar aan beginnen? Morgen? Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw? Niks daarvan. Het is de enorme kracht en macht van Jezus dat hij kan zeggen: “Vandaag is het Schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan.” Waarlijk, Jezus is de Zomergast die de wereld nodig heeft.

maandag 24 augustus 2020
Lezing: Apokalyps 21, 9b – 14 en Johannes 1, 45 –51

Belofte maakt schuld: ik zou aandacht besteden aan het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming. Negen dagen na dit feest – dat is de periode waarin je een noveen kunt bidden – ben ik nog niet over tijd, lijkt me zo. Maar eerst een mop uit de laatste Met Kap en Koord, het blad van de Nederlandse kapucijnen. “Een jezuïet en een franciscaan reizen samen. Plots vraagt iemand aan hen allebei: Broeders, kunnen jullie mij vertellen welke noveen ik moet bidden om een BMW te kunnen betalen? De franciscaan reageert met een wedervraag: Wat is een BMW? Waarop de jezuïet antwoordt: Wat is een noveen?”

Juist, en wat is Maria Tenhemelopneming? Wie zijn catechismus heeft geleerd én onthouden, antwoordt: dat Maria met lichaam en ziel is opgenomen in de hemel. Het is een kras dogma dat pas in 1950 werd afgekondigd in de rkk. In de oosters-orthodoxe kerk (evenals in de oudkatholieke kerk en in het protestantisme) heeft men dit niet overgenomen; daar spreekt men van het Ontslapen van Maria. Na haar dood zou Maria “ontslapen” zijn, d.w.z. wakker geworden voor Gods eeuwigheid. De crux zit hem natuurlijk in het lichaam. Dat je met je ziel wordt opgenomen is voor de mens voorstelbaar, als hij zich al iets kan voorstellen bij de ziel. In het westen zijn we sinds Plato vertrouwt met het idee van de onsterfelijke ziel. Maar een lichamelijke onsterfelijkheid is absurd en in strijd met elke waarneming, ervaring en gedachtegang. Ik heb in de loop van mijn inmiddels toch ook al lange leven diverse theologen horen zeggen dat dat dogma van 1950 “jammer” was: het ware beter geweest als dit niet was gedaan, beter voor de oecumene met het oosterse kerk en het protestantisme. Waarom moest de rkk zich hiermee zo apart zetten? Toch heeft de gedachte van de lichamelijke opneming van Maria zeer oude papieren; het is bepaald niet zo dat vrome borsten dit in de 20ste eeuw bedacht hebben. Ik wijs op het Credo van Nicea-Constantinopel uit de vierde eeuw, op de daarvan afgeleide “twaalf artikelen van het geloof” die aldus eindigen: Ik geloof in de Heilige Geest, de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen, de vergeving van de zonden, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven. Amen. Zo’n beetje weggefrommeld tussen de vergeving van de zonden en het eeuwige leven amen zit daar toch de verrijzenis van het lichaam. Dat onze Verlichte tijd dat niet kan geloven, en dus ook niet dat Maria met ziel én lichaam ten hemel is opgenomen, is dus een probleem. Toch had de paus in 1950 wel iets gezien dat steeds groter zou worden in onze cultuur, namelijk het enorme belang dat we hechten aan het lichaam en het lichamelijke. Er wordt misschien nergens zoveel geld aan uit gegeven dan aan de kapper, de pedicure, de nagelstudio, de bodyshop, fitness, de piercings en de tatoeages, de cosmetica om nog maar te zwijgen van ingrepen in het lijf voor een optimaal lijf. Onze tijd gelooft nog eerder in het lichaam dan in de ziel.

Nou moet ik eindelijk naar het theologisch antwoord op de vraag waarom het lichaam in de geloofsartikelen zit. Dat komt omdat vanwege de christologie, de verrijzenis van Christus die mens werd, d.w.z. het sterfelijke vlees heeft aangenomen, geboren uit de maagd Maria. Als de mens een onsterfelijke ziel had was de komst van Jezus Christus overbodig: wat zou hij toevoegen aan het drama van het mens-zijn? Maar de mens is geen ziel, de menselijke persoon is ziel én lichaam onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het christelijk geloof gelooft dat de gelovige met Christus mee wordt getrokken in een eeuwig leven bij God, op het einde der dagen als Hij alles nieuw maakt. Maria Tenhemelopneming is een voorafschaduwing van die gebeurtenis, een anticipatie, nu al, in het geval van Maria. Uit de grote liefde voor Maria is dit vermoeden tot dogma uitgekristalliseerd. En het is zoals Paulus in 1Kor.13 zegt: de liefde gelooft alles.

maandag 17 augustus 2020
Ezechiël 24, 15 – 24 en Mattheüs 19, 16 –22

Vorige week zondagavond was Jaap Goudsmit, viroloog en epidemioloog, de Zomergast (VPRO, NPO2). Hoewel we tegenwoordig hevig geïnteresseerd zijn in virologie en epidemiologie is zo’n gesprek van 20.15 uur tot 23.25 uur veel te lang als u het mij vraagt. De formule is praten naar aanleiding van filmfragmenten. In mijn preken praat ik naar aanleiding van bijbelfragmenten, het lijkt dus wat op elkaar, al ben ik niet zo lang van stof. Een filmfragment was schokkend en absurd.

In Alphaville (Jean-Luc Godard, 1965) bestuurt een supercomputer de stad Alphaville; het is de mensen verboden om onlogisch te handelen en emoties te tonen; als ze dat toch doen worden ze doodgeschoten. Schokkend en absurd. Bij Ezechiël, het eerste bijbelfragment, lezen we precies hetzelfde. “Mensenkind”, zegt God de HEER, tegen de profeet Ezechiël: “Ik ga je oogappel, je vrouw, van je wegnemen, maar je mag niet rouwen, huilen of klagen.” Wat Ezechiël met deze profetische symbooldaad moet duidelijk maken ontgaat mij eerlijk gezegd, maar wel is duidelijk dat het niet gezond is om geen emoties te mogen tonen: dat is onmenselijk en ziekmakend. Rouwen, huilen of klagen zijn goede dingen, de HEER welgevallig. O ja, nu zie ik wel wat Ezechiël het ontrouwe volk Israël wil duidelijk maken: het is ongezond en ziekmakend om je af te keren van de HEER, om MAMON te dienen, valse goden na te lopen, de verkeerde dingen te willen, het milieu te vernietigen, het klimaat te veranderen, onrechtvaardige verhoudingen in de wereld te laten bestaan door op de verkeerde partijen te stemmen en de verkeerde politieke leiders aan de macht te houden.

Het tweede bijbelfragment komt uit Mattheüs. Daar gaat het over een rijk mens (“hij had vele bezittingen”), het gaat over ons dus. We hebben alles, maar het eeuwige leven niet, of nog niet. Dus vraagt hij Jezus hoe hij moet handelen, of in de woorden van het evangelie: “wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te krijgen?” Ook hij zit nog gevangen in het neoliberale model: hebben en krijgen, daar gaat het om. Jezus toont zich in zijn antwoord een theoloog én een humorist. Eerst gaat hij in op het idee “goed”. Goed, goed: wat noem je goed, de geboden onderhouden is goed, als je daar eens mee begint. Overigens – en daar spreekt Jezus de theoloog, en Hij kan het weten – EEN is er goed. En dat is God. God is onverdeeld goed. En nu komt Jezus als de humorist uit de hoek: als je onverdeeld goed wil zijn (d.w.z. zoals God), ga dan je bezit verkopen en geef het aan de armen; dan zul je een schat hebben in de hemel. Ik vind dit humor. Jezus weet ook wel dat we dat niet gaan doen. Maar hou dan op om over het goede en het eeuwige leven te zeuren.

Het bijbelfragment sluit af met de scène dat de jongeman verdrietig heengaat als hij dat woord hoort, want hij heeft veel bezittingen. We moeten de jongeman en onszelf dit verdriet, deze emotie gunnen. Het toont aan dat we behalve in virologie en epidemiologie ook geïnteresseerd zijn in maatschappelijke en theologische vraagstukken …

maandag 10 augustus 2020
Lezing: 2Kor. 9, 6 – 10 en Johannes 12, 24 – 26

De laatste roman van Stephan Enter (Barneveld, 1973) heet Pastorale (Van Oorschot, Amsterdam, 2020). Het gaat over een warme zomer in de jaren tachtig en een eerste liefde én over het ontsnappen aan een christelijk milieu. In de NRC van 31 juli jongstleden wordt Stephan geïnterviewd. Hij begint met te zeggen: “Religie is naar mijn mening uitsluitend verzonnen om vrouwen, kinderen en dieren te onderdrukken. Ik vind het onbegrijpelijk dat vrouwen in zo’n wereld blijven hangen.” Jeminee, vrouwen, kinderen en dieren, wat een opsomming. Maar inderdaad, mannen zijn traditioneel niet de onderdrukten, maar de onderdrukkers. Ook lijkt het wel zo dat vrouwen tegenwoordig langer in religie blijven hangen dan mannen. Zonder de vrijwilligers in de parochies, meestal vrouwen, bestond de kerk in Nederland niet meer. Waarom is Stephen die gereformeerd is opgevoed (Barneveld, biblebelt) en naar zijn eigen zeggen toch een gelukkige jeugd heeft gehad nu zo pissig op religie? Dat legt hij uit. Het jongetje Stephan kreeg zijn eerste fiets. Wie herinnert zich dat niet: de eerste fiets, dat was wat! Maar toen kreeg het jongetje Stephan de gedachte: wat als de Here Jezus nu van mijn vraagt die fiets in de sloot te gooien? Iets in hem zei: niet doen, maar onmiddellijk dacht hij: maar dan ben ik zwak in mijn geloof. Welnu, anno 2020 is hij woest vanwege de kwaadaardigheid van een geloof dat kinderen zulke gedachtes kon aanpraten. Arme gereformeerde Stephan! Wat ben ik blij dat ik katholiek ben opgevoed. Ik kreeg zulke gedachtes helemaal niet. Ik heb nooit gedacht dat Jezus zulke domme dingen van mij wilde. Welnee, Jezus wilde wel wat anders. En je mocht daar in alle vrijheid ja of nee tegen zeggen. Jezus wilde dat ik mijn hele leven zou prijsgeven, dat ik Hem zou volgen, niks fietsen in het water gooien. Zich helemaal geven werd destijds vertaald als religieus worden (pater, zuster, broeder), of parochiepriester, of de combi priester-religieus (d.w.z. pater in een religieuze congregatie). Over het idee zich helemaal te geven ben ik onlangs op het puntje van mijn stoel gaan zitten, en wel op donderdag 2 juli in Nijmegen, in de Vereeniging, waar Patrick Chatelion Counet afscheid nam als topman van de KNR (Konferentie Nederlandse Religieuzen). Hij vertelde dat ie uit hoofde van zijn functie veel in contact was gekomen met hoge geestelijken, bisschoppen en kardinalen, in Rome met hoge prelaten van de curie, en dat hij bij het voorstellen altijd had gezegd: Patrick Chatelion Counet, leek. Dan was meteen het misverstand de wereld uit dat hij priester of religieus zou zijn. In zijn dankwoord en lofrede zei abt Bernardus Peeters o.c.s.o. dat Patrick zich altijd voor de volle 100 % had ingezet voor de KNR, de zaak van de religieuzen, het religieuze leven, en nu komt het: dat hij, Bernardus dus, er van overtuigd was dat Patrick dit alléén had kunnen doen DANKZIJ zijn vrouw en twee dochters, dankzij zijn achterban. Interessant! Meestal wordt het celibaat en het celibataire leven beargumenteerd vanuit de volledige beschikbaarheid, praktisch en spiritueel; je bent volledig beschikbaar als je ongehuwd blijft, als je niet gehinderd wordt door vrouw en kinderen (of door man en kinderen, moeten we tegenwoordig zeggen met vrouwelijke ambtsdragers in de PKN). Voor het eerst hoorde ik – ik weet niet of anderen dit ook hebben opgemerkt – dat volledige toewijding en beschikbaarheid wel kan samengaan met een gezinsleven. Ik vond het fantastisch dat juist abt Bernardus zoiets zei. Maar nu nog de evangelietekst.

“Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort. Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven. Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn; wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader.”

Ik lees die tekst nu zo: Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen. Je moet het wel zelf willen, het hoeft niet. Jezus dwingt je niet, noch om de fiets in het water te gooien, noch om in het klooster te gaan. Het is je eigen, vrije beslissing. De manieren waarop je dient en volgt zijn cultureel bepaald. Maar het eerste wat Jezus zegt is een universele waarheid: ieder mens is een graankorrel die maar vruchtbaar is als hij in de akkergrond sterft. Het heeft geen zin je aan je leven vast te klampen, dan verlies je het. Het heeft wel zin om het prijs te geven ten behoeve van de ander, de gemeenschap, dan zal het behouden blijven voor het eeuwig leven.

Dit is een belangrijke boodschap voor de mens, voor de mensheid. Ik las een artikel van de Poolse filosoof Leszek Kolakowski (1927 – 2009) over Jezus (Filosofie – Tijdschrift nov/dec. 2019 nummer 6). Hij zegt: als Jezus helemaal weg zal zijn uit onze herinnering, dan zal het geloof in de Europese beschaving ook verloren gaan. Hij vreest dat we zullen terugzakken in onmenselijke barbarij. Nee, Stephan Enter, ik zou die christelijke opvoeding toch maar niet minachten; over kinderlijke voorstellingen kun je heengroeien. Dat wist Paulus al: toen ik kind was dacht ik als een kind, nu ik volwassen ben geworden denk ik als een volwassene.

maandag 3 augustus 2020
Lezing: Jeremia 28, 1 – 17 en Mattheüs 14, 13 – 21:

Vandaag citeer ik uit de NRC van zaterdag 25 juli, geschreven door Christiaan Weijts. Hij moet niets hebben van godsdienst en nog minder van christendom, daarom vind ik het geestig dat hij Christiaan heet. Ik ken hem uit zijn stukken als een mens die het goede zoekt en bovendien kan hij geweldig schrijven; laten we ons daarover verheugen.

“Wat bent u allemaal van plan?” Op het strand van Callantsoog stopt de terreinwagen van de reddingsbrigade bij drie mannen in clowneske tuinbroeken. “Wij?” Ze bekijken elkaar, alsof ze nu pas opmerken hoe ze erbij lopen. De linten van hun strohoeden, kaasdragersmodel, wapperen in de straffe wind. Op een brancard torsen ze een constructie van bamboestokken ter grootte van een strandbal. “Oh, wij komen de wereld redden.” De vrouw achter het stuur lacht bedachtzaam – “Oké, dan is het goed …” – en vervolgt haar patrouille langs de branding. De wereld kan wel wat zorg gebruiken, vonden Ton Baan, Erik Boot en Joep van der Peet, drie vrienden van rond de zestig. Gewoonlijk maken ze elk jaar een survivaltocht, weg van de vaste paden. Dit jaar doen ze het anders. Tijdens deze theatrale dialoogwandeling van vijf dagen gaan ze met passanten in gesprek over de wereld na corona.

De bol op de brancard ligt op een piramide van dikke bamboestokken. Daaruit is een reuzenwereldbol te maken, vier meter doorsnee. Aan het eind van elke wandeletappe zoeken ze een plek met wat reuring om die op te bouwen. Tijdens het bouwen praten de deelnemers over de postcoronawereld. Daarin is er ‘minder ik en meer wij’, denkt het drietal. ME-YOU-WE-DO staat er daarom op de polsbandjes die ze uitdelen: ‘het kleinste manifest ter wereld’. Stel jezelf bij elk plan of voornemen de vraag: is het goed voor mij, voor jou, voor ons? Drie keer ja? Doen!

Niets zo bevorderlijk voor de saamhorigheid als een stevige ramp. Kijk naar de Watersnood van 1953. Die ontketende een uitbraak van nationale liefdadigheid, inzamelacties, hulpploegen voor de wederopbouw. Heeft de coronacrisis ook zo’n samenbindend potentieel? In de eerste weken van de lockdown was ik daarvan overtuigd.

”Nog steeds is Christiaan Weijts aan het woord. Hij vervolgt: “In die eerste weken, midden in de eerste schok van de stilgevallen wereld, in die dagen van verlaten straten, thuisonderwijs en slapeloze nachten, verscheen de Nederlandse vertaling van het nieuwe boek van New York Times-columnist David Brooks: De tweede berg. Een maand eerder zou ik alleen al bij de ondertitel, ‘een zoektocht naar zinvol leven’, gillend zijn weggerend. Nu snakte ik naar iets positiefs. Ik merkte dat ik onverhoeds ontvankelijk was voor een verhaal dat ik anders als klef en wel ‘erg Amerikaans’ had afgedaan. Volgens Brooks richten wij ons leven te veel op het beklimmen van ‘de eerste berg’, gericht op succes, prestaties, aanzien, ons ik. Terwijl ‘de tweede berg’ gaat om relaties, compassie, gemeenschappen. Op de eerste berg is kortstondig geluk je beloning, op de tweede beginnen onze zielen zachtjes te gloeien en ervaren we vreugde. Helemaal mee eens. Ja, we hebben een hechte gemeenschap nodig!”

Tot zover Christiaan Weijts, tot zover het begin van het artikel dat verder nog allerlei interessants geeft. Nu nog van mijn kant een klein christelijk commentaar op wat Christiaan te berde brengt. Laten we nog eerst even vaststellen dat het christendom over de redding van de wereld gaat. Jezus is gekomen om de mens te redden van de eeuwige dood. Nu, aan het begin van het verhaal gaat het over de reddingsbrigade die over het strand rijdt nabij Callantsoog. En daar treffen we de drie vrienden Ton, Erik en Joep, zestigers, die de postcoronawereld willen redden met de gedachte: ‘minder ik meer wij’, en hun polsbandje ME-YOU-WE- DO. En dan dat boek van die columnist: De tweede berg. Ik vind het fantastisch dat deze man David heet. David genoemd naar de gezalfde koning, Messias in het Hebreeuws, Christus in het Grieks. Van Jezus is bekend dat hij regelmatig de berg opging om alleen te zijn, c.q. bij zijn Vader. Dat moet in Brooks termen ‘de tweede berg’ zijn. Bij Jezus is er wel meer dat de tweede keer is: bijvoorbeeld ‘de tweede keer geboren worden’. In de evangelietekst vandaag uit Mattheüs 14, 13 – 21 gaat Jezus naar een eenzame plaats, meestal is dat hoger de berg op. De mensen zoeken en vinden hem en Mattheüs zegt: hij heeft zeer met hen te doen: compassie is hier het woord. Ze zijn ziek, ja wie niet? En hij geneest hen. En dan wordt het avond en de leerlingen suggereren: stuur ze weg, laat ieder voor zichzelf in de dorpen eten gaan kopen. Maar ook dit is niet het idee dat op de tweede berg is geboren: nee, geven jullie wat voorhanden is, laat de mensen gaan zitten in groepen, houd de gemeenschap bij elkaar, als we delen is er genoeg. Minder ik meer wij. Dit is allemaal evangelie, dit is Jezus, dit is christendom, ja ook die ludieke actie van Ton, Erik en Joep. Ja, ook het boek van David Brooks, ja ook het goed geschreven stuk van de heidense Christiaan Weijts. En Jeremia, de eerste lezing? Die laat ik maar zitten. Ik hoop daarover geen klaagzang te horen …

maandag 27 juli 2020
Lezing: Jeremia 13, 1 – 11 en Mattheüs 13, 31 – 35

Vandaag viert de kerk de zalige Titus Brandsma, priester en martelaar. Hij werd geboren in Bolsward op 23 februari 1881, hij stierf in Dachau op 26 juli 1942. Sterfdatum en -plaats wijzen op zijn noodlottig einde. Deze hooggeleerde karmeliet (hoogleraar in Nijmegen) was een man die zijn stem verhief tegen nazisme, racisme, de onderdrukking van het vrije woord. Dat bracht hem tot zijn einde. Dat maakt hem in de ogen van de kerk tot martelaar. Ik begrijp niet waarom de kerk hem nog niet heilig heeft verklaard; ik dacht dat martelaar zijn voor je geloof al “voldoende” is. Op welk wonder wacht de kerk? Is het niet een wonder dat het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen bestaat? Dat zo veel wetenschappers, theologen en mystici in hun dagelijkse werk inspiratie putten uit zijn erfenis? Wikipedia geeft een kort overzicht van zijn leven en lot, gedachten en werken. Ik licht er de kern van zijn opvatting omtrent mystiek uit: “God is verborgen aanwezig, in iedere mens én in de gehele schepping. Ieder moment schept God alles-dat-is uit het niets tevoorschijn. Alles is in God en God is in alles. Daarom staat de mysticus niet los van het alledaagse leven, maar staat hij of zij er juist voluit in.” Een blik op de lezingen bevestigt dit. In Jeremia gaat het over een lendendoek, wij zouden zeggen een onderbroek, hoe alledaags wil je het hebben? In Mattheüs geeft Jezus beelden van het koninkrijk der hemelen. Het is als een mosterdzaadje, het kleinste van alle zaden. Als het is opgeschoten, is het groter dan de struiken en wordt het een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken kunnen nestelen. Een ander beeld, ook al huiselijk en alledaags, is het zuurdesem, gist zouden wij zeggen, dat een huisvrouw in meel verwerkt totdat het er helemaal van doortrokken raakt, de grondstof voor ons dagelijks brood. U zult het niet zo van mij verwachten, maar na het zien van de eerste Zomergast, Glen de Randamie (Zwolle, 6 augustus 1984), alias rapper Typhoon, dacht ik: jongen, jij bent een hedendaagse mysticus. Wat hij getuigde over zijn geloof in de liefde en hoe hij God in zijn leven ervaart! Toen ik hem zo hoorde dacht ik: daar kan geen kardinaal Eijk aan tippen. Hij had als voorbeelden voor ogen Malcolm X, Martin Luther King en James Baldwin: de drie voorvechters van de rassengelijkheid in de VS. Twee van hen moesten hun strijd met de dood bekopen, net zoals Titus Brandsma zijn opstand tegen het racisme van de nazi’s met de dood moest bekopen. James Baldwin ( I Am Not Your Negro) confronteert iedere mens met zijn of haar innerlijk racisme opgevat als de behoefte om op een ander neer te kijken – in welke gedaante die ander ook verschijnt: als zwart, als vrouw, als lhbt-er, vluchteling, crimineel, ziek, zonderling of oud. We zouden het niet nodig moeten hebben op de ander neer te kijken vanwege de illusie dat we zelf wat voorstellen. Alleen als schepsel Gods stellen we wat voor …

maandag 20 juli 2020
Lezing: Micha 6, 1-4.6-8 en Mattheüs 12, 38 – 42

Wellicht hebt u gehoord van Sander Kollaard (1961), hij was in het nieuws toen hij eind juni de Libris Literatuurprijs 2020 won. Hij kreeg de prijs voor zijn roman: Uit het leven van een hond (Uitgeverij Van Oorschot, 2019). De jury was lovend over de teneur van het boek, vooral over het positieve mensbeeld. Dit boek hadden we nodig in deze gekwelde coronatijden; balsem voor de geteisterde ziel.

Een positief mensbeeld. Ik ken geen positiever mensbeeld dan het christelijke. De mens als schepsel van een menslievende God, geroepen om deel te nemen aan de gemeenschap van de Triniteit, bedoeld voor het eeuwig leven in gelukzaligheid. Wat wil je nog meer? Welk positief mensbeeld kan daar tegenop? Ik was dus benieuwd. Mijn belangstelling werd nog groter toen bekend werd dat Sander Kollaard in een voormalige pastorie op het Zweedse platteland woont. In de kamer waar in vroeger dagen de dominee zat te zwoegen op zijn preek, schreef hij de bekroonde roman met het positieve mensbeeld.

Ik nam en las. Vóór in het boek staat een motto uit Genesis 3, 19: Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen; stof ben je, tot stof keer je terug. Geeft Genesis 3,19 een positief mensbeeld? Het is alvast heel wat aardser dan het zojuist geschetste christelijke mensbeeld, al wordt het de katholiek letterlijk ingepeperd op Aswoensdag, vooral de laatste woorden: stof ben je en tot stof keer je terug. We zijn op zoek naar het positieve mensbeeld van Sander Kollaard. Al op de eerste bladzijden van de roman krijgen we het mensbeeld van Henk, de hoofdpersoon van het boek. Henk is i.c.-verpleger – een actueel beroep – zij waren de mensen die in de coronacrisis het hardst nodig waren. Hij moet denken aan een gesprek na het werk met zijn jonge collega Saskia 28 jaar. Henk is 56. Ze hadden het over het hart, en Saskia wist dat het hart een pomp is, niet meer en niet minder. In zijn hoofd speelt zich het gesprek af dat hij had willen voeren, maar op het moment zelf wist hij niet veel in te brengen. Saskia heeft natuurlijk gelijk. “Het hart pompt, het bloed stroomt. We zijn spul. Om het preciezer te zeggen: we zijn biologisch geanimeerd spul. In mijn ogen is dat een feitelijke constatering maar verbazingwekkend veel mensen verzetten zich daartegen. Alleen maar spul! Hoe kun je dat beweren? Wat kil en vreugdeloos! Het verzet komt neer op het idee dat we meer zijn dan alleen maar spul. Dat we een ziel hebben, of een geest, een innerlijke god, iets nobels of bijzonders wat ons boven de platte materie verheft. Het is een sentiment dat echo’s in zich heeft van eeuwen waarin we dachten dat we bijzonder waren, de kroon op de schepping of het logische en schitterende eindpunt van de evolutie, maar we weten inmiddels beter. Niets heeft ons bedoeld of gewild of bedacht. Niets maakt ons noodzakelijk. Anders dan veel mensen vind ik dat een verrukkelijk, bevrijdend inzicht. We kunnen doen en laten wat we willen en zijn aldus werkelijk vrij, niet gebonden aan heilsplan of bestemming” (blz. 14).

Goed, als Henk hier Sanders mensbeeld weergeeft dan is op die domineeskamer het christelijke mensbeeld in gruzelementen gevallen. Platte materie. Niets heeft ons bedoeld of gewild of bedacht. Er is geen heilsplan en geen bestemming. We kunnen doen en laten wat we willen. Dit is heerlijk, verrukkelijk, positief, en het krijgt de hoofdprijs. Even nog wat meer Henk en zijn gedachten over het spul dat we zijn. “Ik ben spul dat al miljarden jaren voor mijn geboorte bestond en tot mijn grote geluk in 1961 deze vorm heeft aangenomen. Met mijn dood zal het die vorm weer verliezen. Dat vind ik een verdrietig vooruitzicht – ik ben, ondanks de evidente tekortkomingen, aan mijn vorm gehecht – maar wie weet zullen stukjes en beetjes van het spul dat nu mijn naam draagt ooit weer samenkomen in andere vormen, zoals een kat, of een wolk, of een roman, of een kus. Is dat plat? Is dat kil of harteloos. Ik zie er juist grandeur in.”

Nu genoeg Sander Kollaard, genoeg Henk. Genoeg positief mensbeeld, dat – tussen haakjes – inderdaad wel eens het mensbeeld zou kunnen zijn van de huidige geseculariseerde mens. Het mensbeeld van mijn kinderen, het mensbeeld van uw familieleden, ja misschien is het uw eigen mensbeeld wel. Wat moeten we nog met Micha en Mattheüs? In Mattheüs willen de mensen van Jezus “een teken”. Wat voor teken? Tegen de achtergrond van “Uit het leven van een hond” kun je zeggen: het teken dat de mens van Jezus wil hebben is het onomstotelijk bewijs dat het christelijk mensbeeld het ware is, niet het materialistische, het spul-mensbeeld. Jezus geeft dat teken niet. Hij geeft geen ander teken dan het teken van Jona, namelijk dat Jona werd opgeslokt door een grote vis. Eten en gegeten worden, dat is dus precies het materialistische mensbeeld. En Micha? De oudtestamentische profeet? Ik beperk me tot het laatste vers. Ik zet dat tegenover het positieve: we zijn vrij, we kunnen doen en laten wat we willen. Wat zeg Micha? “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.” Ik zou bijna zeggen: leven als een hond. Een hond is trouw, doet alleen maar wat een hond moet doen, is nederig en gaat de weg die God voor hem heeft beschikt …

maandag 13 juli 2020
Lezing: Jesaja 1, 11 – 17 en Mattheüs 10, 34 – 11,1

Wie een tekst leest moet interpreteren. D.w.z. begrijpen wat je leest. Dan zijn er al twee spelers in het spel: de tekst en de lezer. De tekst heeft een eigen zeggingskracht en de lezer heeft een eigen verstaanskracht waarbij zijn of haar achtergrond een grote rol speelt. Dit geldt voor elke tekst, maar voor een tekst als de bijbel des te meer. Toch lijkt het alsof Jesaja 1, 11 – 17 onmiddellijk inzichtelijk is. “Wat moet ik met jullie offers? Zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer. En wanneer jullie voor mij verschijnen – wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen? Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw aan jullie wierook; jullie feesten, nieuwemaan en sabbat, ik duld ze niet naast al dat wangedrag. Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb ik een afkeer, ze hinderen mij, ik kan ze niet langer verdragen. Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet. Aan jullie handen kleeft bloed! Was je, reinig je, maak een eind aan je misdaden, ik kan ze niet meer zien. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij.” Nou, daar is geen woord Latijn bij, of beter geen woord Hebreeuws. In fris Nederlands zet de NBV hier een oeroude tekst om in een hedendaags sentiment dat elke rechtgeaarde atheïst of godsdiensthater zal herkennen. Hé wat? Staat dat in de bijbel? Ja, dat staat in de bijbel. Alleen al omwille van deze tekst moet je de bijbel nooit bij het oud papier zetten.

Maar nu naar de tweede lezing uit Mattheüs 10, 34 – 11,1. Mattheüs is een van de vier evangelisten die elk op hun manier een venster openen op Jezus. Er openen zich dan verschillende vergezichten, maar de overeenkomst is toch die wonderlijke man die weldoende rondtrekt, zieken geneest, de mens boven de sabbat zet, vrede sticht en zonden vergeeft. Hij verkondigt overal het goede nieuws dat het koninkrijk van de hemel ophanden is. O ja, zeggen de al eerder genoemde, rechtgeaarde atheïsten en godsdiensthaters: wat doe je dan met Mattheüs 10 vers 34? “Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” Er zijn mensen die nagenoeg niets van de bijbel kennen, maar dit vers kennen ze wel. Ze brengen het triomfantelijk in stelling en zetten je mat in drie zetten en daar ligt je koning. Staat dat in het evangelie? Ja, dat staat in het evangelie, ik kan er ook niets aan doen. Wat moet je er mee? Ik zou zeggen: nog even doorlezen en kijken waar dit op uitdraait. En het is ongelooflijk waar dit tekstgedeelte mee eindigt, namelijk: “En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van mij is, ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.” Dat oorlogszuchtige begin met dat zwaard heeft dus als inzet dat je iemand een beker koel water te drinken geeft, iemand uit de Jezusbeweging. Dat zwaard is niet uit op macht, op het veroveren van kolonies zoals de christelijke koning Leopold de Vrijstaat Congo veroverde met kruis en zwaard om zijn zakken te vullen, of zoals de christelijke Christoffer Columbus uittrok om wat hij Amerika noemde als wingewest toe te voegen aan de macht van de zeer christelijk koning van Spanje, of dichter bij huis onze eigen VOC die “ons Indië” met zwaard en kruis bedwong om er de rijkdommen weg te slepen waar onze welvaart nog steeds op teert. Ik heb het over wereldwijde acties waarin de standbeelden van foute helden van hun sokkel worden getrokken en in zee gekieperd, ik heb het over de twistgesprekken die verdeeldheid brengen tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder, precies zoals het evangelie zegt in het vervolg van de zwaard-tekst.

Wat moet je doen? Die beker koel water geven, of zorgen dat je houdt wat je hebt? Vasthouden wat je hebt of delen? Solidariteit of ieder voor zich? Die vraag verdeelt als een zwaard niet alleen de wereldpolitiek, maar even goed de Europese en de landelijke. Ja, die vraag brengt wellicht verdeeldheid aan in jezelf en zolang die vraag niet bevredigend is opgelost zal er geen vrede zijn in jezelf. Ach, ging iedereen maar het klooster in als een stille trappist of als een waakzame claris. Dan zou de HEER uit Jesaja tevreden zijn, en zou dat glas koel water geven van Jezus gerealiseerd worden. Het rijk der hemelen was dan ophanden.

maandag 6 juli 2020

In de profetische tekst van Hosea is de verhouding van God tot zijn volk uitgetekend als die van bruidegom en bruid, man en vrouw. Omdat we tegenwoordig inclusief denken kan ik ook zeggen man en man, vrouw en vrouw: het is de liefdesrelatie die telt. Wie de oudtestamentische geschriften een beetje kent weet dat het altijd een moeilijk huwelijk is geweest … God en zijn volk. Zijn volk is ontrouw, het pleegt overspel, loopt achter vreemde goden aan. In principe is het zo dat het volk niet gelooft in de levende God, het gelooft in wat het recht voor zijn ogen ziet: het is nooit anders geweest. Maar God – bij monde van zijn profeten – geeft nooit op. Hosea heeft pure poëzie. “Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken.” “En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd.” “Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard, zodat ze in rust en vrede kunnen leven.” Welke vader wil dit niet voor zijn kinderen, welk mens zou zijn hart sluiten voor deze goddelijke verlokking? Waarom geloven we niet?

Nu zijn we goed voorbereid voor het verhaal van Mattheüs. De overste van een synagoge komt naar Jezus toe, valt voor hem neer en zegt: “Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.” Zonder formulieren of protocollen staat Jezus op en gaat met die overste mee om die dode dochter de hand op te leggen zodat ze weer zal leven. We stellen geen kritische vragen, we gaan met Jezus mee in het verhaal. Maar dan komt er iets tussen: “Plotseling naderde hen van achteren een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze raakte de zoom van zijn bovenkleed aan, want ze dacht: als ik alleen zijn bovenleed maar kan aanraken, zal ik al genezen worden.” Een vrouw met bloedverlies was cultisch onrein, een taboe dat wij gelukkig niet meer kennen. Maar in de context van het verhaal is zo’n vrouw dood voor het sociale leven. Afstand houden, en nog wel een beetje méér dan anderhalve meter. We moeten deze vrouw bewonderen, ze is inventief, creatief, moedig: de zoom van zijn bovenkleed moet toch wel kunnen? Hoe loopt dit af? Wel, Jezus is kennelijk gevoelig tot in de zoom van zijn jas, hij voelt dat iemand toenadering zoekt. Hij draait zich om en bij het zien van de vrouw zegt hij: “Wees gerust, uw geloof heeft u gered.” En vanaf dat moment was de vrouw genezen, zegt Mattheüs sobertjes.

Maar zijn we niet op weg naar de dode dochter van de synagogeleider? Inderdaad. Daar aangekomen komt Jezus een heidens kabaal tegemoet: een luid weeklagende menigte en fluitspelers. Niet de plek waar – om met Hosea te spreken – in alle stilte tot het hart van het meisje gesproken kan worden. Of het een afleidingsmanoeuvre is weet ik niet, maar Jezus zegt: ga maar naar binnen, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt. Men lachte smalend, zegt Mattheüs. Je kunt je daar iets bij voorstellen, want hoe zou dat meisje kunnen slapen bij dat kabaal? Als ze sliep was ze daar toch wakker van geworden? Van de andere kant is het storend dat men lacht: dit zijn toch geen serieuze mensen? Dat geweeklaag is toch fake? Je zou toch nog liever dood zijn dan verder te moeten met dat stelletje lolbroeken en herrieschoppers? In ieder geval wordt iedereen weggestuurd, de rust daalt neer, en Jezus gaat naar binnen. “Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op.” Dit is alles wat Mattheüs ons vertelt. Wat dat betreft doet Mattheüs me aan Wittgenstein denken met zijn beroemde uitspraak: waarover je niet spreken kunt, daarover moet je zwijgen. Maar Hosea heeft gesproken! Hosea heeft gesproken over de woestijn waar God tot het hart spreekt. Jezus heeft tot het hart van het meisje gesproken. Als God tot het hart van de mens spreekt wordt die mens levend. Dat is het geloof van de gelovige. Ongeloof ziet er vanuit dat perspectief uit als langdurig bloedverlies, ja zelfs als dood. Maar ongeloof is als een slaap, je kunt gewekt worden. Christelijk geloof is een opgewekt geloof …

maandag 29 juni 2020
HH Petrus en Paulus
Lezing: Handelingen 12, 1 – 11;
2Timotheüs 4, 6-8.17-18; Mattheüs 16, 13 – 19

Met mijn maandagpreken zit ik wat de grote feesten betreft altijd “de dag erna”. De beste wijn is de vorige dag geschonken en gedronken. Ik vind dat prima, het geeft me geen kater terwijl het euforisch gevoel nog niet verdwenen is. Vandaag maandag 29 juni heb ik nu eens wel een hoogfeest, het hoogfeest van de apostelen Petrus en Paulus. Wie de serie “Jezus verovert de wereld” volgt (EO, Kefah Allush) heeft vorige week gezien dat de resten van Petrus begraven liggen onder, onder, onder de Sint Pieter (ik ben niet aan het stotteren, maar zo kun je aangeven dat onder het hoofdaltaar een ander altaar ligt, daaronder weer een dieper altaar en daaronder ten slotte het graf van Petrus); de resten van Paulus liggen begraven in de basiliek van Paulus buiten de Muren (van Rome), maar hun beider schedels zijn bijeengebracht in de Sint Jan van Lateranen. De twee koppen konden nogal eens hard botsen, maar dat zullen ze nu niet meer doen. Ach, het zijn aardige weetjes, Kefah Allush is een open, aardige, nieuwsgierige man. Dat het allemaal zo oppervlakkig is, kan op de televisie kennelijk niet anders.  

Voor de diepte moeten we in de teksten duiken die de kerk voor dit hoogfeest heeft uitgekozen. En dat ga ik nu doen. Wie is Petrus? Daarvoor kijken we naar het verhaal van Mattheüs 16, 13 – 19. Daar vraagt Jezus aan de leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is’? De antwoorden zijn anders dan wij zouden geven; er komen geen gegevens van de burgerlijke stand of wat biografische achtergronden; nee, de antwoorden proberen iets van de ziel aan te duiden – ga er maar eens aan staan, probeer het maar eens – als ze melden: sommigen zeggen “Johannes de Doper”, anderen zeggen “Elia”, weer anderen “Jeremia” of “een van de andere profeten”. Deze pogingen geven wel aan in welke richting de mensen denken als ze met Jezus te maken hebben. Maar dat is wat “de mensen” zeggen. Wat zeggen zijn leerlingen? Wie ben ik volgens jullie? En dan komt Petrus: “U bent de messias, de Zoon van de levende God.” Dit antwoord maakt Petrus tot degene die hij is. Wie is Petrus? Petrus is de man die op de vraag van Jezus naar zijn identiteit het antwoord geeft: de messias, de Zoon van de levende God. Dit antwoord maakt hem tot de rots waarop Jezus zijn kerk zal bouwen, tot de eerste bisschop van Rome, en terugblikkend tot de eerste paus van de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk. Dit antwoord is zo goed – dat vind ik wel grappig aan deze passage – dat Jezus zegt: “Gelukkig ben je Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel.” En Jezus vervolgt: “En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt, zal ook in de hemel ontbonden zijn.” Kijk, en daarom kun je beelden van Petrus altijd thuisbrengen: hij draagt twee sleutels en dan weet je: dat is Petrus.

In Handelingen gaat het ook over Petrus; Paulus komt er in de lezingen maar bekaaid af. Daar horen we het fantastische verhaal van de gevangenschap van Petrus. Herodes wil Petrus doden. Het verhaal vormt een soort echo van het verhaal van Jezus. Aan de vooravond van zijn beoogde dood slaapt Petrus in de kerker. Hoe je dan kunt slapen is mij een raadsel, maar Petrus is altijd een goede slaper geweest. In de hof van Olijven sliep hij ook prima. Daar ligt hij te slapen. Dubbele sloten, dubbele wachten. Maar zijn sleutels zijn magisch. Zelf denkt Petrus dat hij droomt, maar als hij wakker wordt is hij uit de gevangenis, uit de greep van Herodes die hem wil doden. Hem is nog enige tijd gegeven vooraleer hij volgens de vrome overlevering sterft zoals zijn leermeester Jezus, zijn Heer en God: aan het kruis, maar dan ondersteboven.

Gaat het vandaag helemaal niet over Paulus? Jawel, in de tweede brief aan Timotheüs is hij zelf aan het woord. Hij schrijft – Paulus was een groot brievenschrijver – “Mijn bloed wordt als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien.” Petrus en Paulus zijn de grote heiligen van de Kerk. Veel mensen heten Peter of Piet en Paul, namen waar niemand zich voor hoeft te schamen. Zouden zij ooit anderen de vraag voorleggen: wie zeg je dat ik ben? Waarschijnlijk niet: de ander zou vreemd opkijken en niet weten wat te antwoorden …