preken & praatjes op maandag

Geen traditionele zondagspreken hier, maar elke maandag een actuele preek, gegeven in de kapel van Huize Glorieux te Eindhoven.

maandag 5 december 2022
Jesaja 35, 1 – 10 en Lucas 5, 17 – 26

Een prachtige tekst geeft de eerste lezing uit Jesaja, jubel en blijdschap. Er is zelfs sprake van uitbundig juichen en jubelen. Ik haal enkele vreugdekreten over de glorie van de HEER, de luister van onze God, terug namelijk: dat Hij zwakke handen weer kracht geeft, bevende knieën sterkt, de ogen van blinden en de oren van doven opent, de kreupele laat dansen en de tong van de stomme laat juichen. Het valt op dat de glorie en luister van onze God niet gericht is op innerlijke vrede, gemoedsrust, mentaal welbevinden of andere fijne zielstoestanden, maar juist op lichamelijke gezondheid. Wat moeten wij daarmee? Geloven wij dan dat God zich daarmee bezig houdt?

Een ding is zeker: ook de Godgelovige zal met lichamelijke kwalen en bij falen van ledematen of organen en niet bij de HEER aankloppen, maar wel bij de dermatoloog, de cardioloog, de neuroloog, de oncoloog, de uroloog, de KNO-of de oogarts, de fysiotherapeut, de sportschool of bij eventueel bij Kaj voor tai chi. Als het hopeloos wordt dan steekt de gelovige (vaak ook de ongelovige) een kaarsje aan voor het Mariabeeld. Maar toch zegt Jesaja bij de lichamelijke reparaties: Dan zal men de glorie van de HEER zien. Wat moeten wij met Jesaja!? De evangelisten konden wel wat met hem. Als zij over Jezus van Nazaret schrijven, hebben ze sterk de indruk dat ze iets, nee iemand zien die warempel iets waar maakt waar Jesaja het over heeft. Zo bijvoorbeeld met de lamme die voor Jezus’ voeten wordt gelegd omdat de mare is rondgegaan dat in Jezus de kracht van de Heer schuilt om te genezen. Het gerucht blijkt te kloppen, Jezus geneest de lamme; op zijn woord staat hij op, pakt zijn bed op en gaat naar huis. Het is interessant om te zien wat de reactie is van de omstaanders, zij die het gezien hebben. Verrukking maakt zich van iedereen meester, ze verheerlijken God en zeggen: het is ongelooflijk wat we vandaag gezien hebben. Waarom vind ik dat interessant? Omdat ze gezien hebben – in de woorden van Jesaja: omdat ze de glorie van de HEER gezien hebben – en tegelijkertijd uitroepen dat het “ongelooflijk” is. Ik denk dat we hier voor een paradox staan van een taal die naar woorden zoekt maar niet goed kan uitdrukken wat het ziet of wat ze zeggen wil. Bij “Vroege vogels” doet zich dat ook voor: er wordt een zeldzame vogel gespot en wat zegt degene die de vogel in de kijker heeft: ongelooflijk! Andere woorden die gebruikt worden om aan de bewondering en verwondering lucht te geven zijn: wauw, absurd, te gek! Welnu, dat hadden de omstaanders bij Lucas ook kunnen roepen.

Maar nu naar de omstaanders die wij zelf zijn. Wat moeten we met de lichamelijk opgevatte glorie uit Jesaja en Lucas? Wat moeten we als we niet geloven dat kanker bijvoorbeeld genezen wordt door gebed of door aanraking van een relikwie van een heilige? Dan zijn we aangewezen op de wonderen van de medische wetenschap, de vaardigheid van onze specialisten, de talloze factoren die we niet overzien, maar die bepalen dat de ene mens wel geneest en de andere niet. Geloven in de 21ste eeuw betekent dat we geloven dat God – inzake lichamelijke gezondheid – werkt door de handen, de expertise en de inzet van terzake geschoolde medici. God heeft zich uitgeleverd aan de schepping, aan de evolutie, aan de genen, aan de toevallige omstandigheden. Heel simpel gezegd: God is mens geworden en heeft onder ons zijn woning. Kijk maar naar Jezus, dan weet je hoe laat het is …

maandag 28 november 2022
Jesaja 4, 2 – 6 en Matteüs 8, 5 – 11

Apokalyps heeft plaats gemaakt voor Jesaja, ondergang en einde voor opgang en nieuw begin. Alles op zijn tijd. In Jesaja wordt die overgang nog even aangetipt. “Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, dan zal hij boven de plaats waar Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken.” Kijk, dan kunnen we er weer tegen. In Matteüs lezen we over de slaaf van de centurio die hevige pijn lijdt. Hij heeft een meester die zich om hem bekommert – dat is het goede nieuws, in tegenstelling tot de machthebber in Qatar die zijn slaven laat creperen en sterven – dat is het slechte nieuws. Het hangt boven het voetbal dezer dagen. De slaaf uit Matteüs wordt genezen, dankzij het grote geloof van de centurio. Hij kan er ook weer tegen.

Hoe moet David Grossman er tegen kunnen? Wie? David Grossman. Hij is geboren in hetzelfde Jeruzalem waar Jesaja over spreekt (in 1954), hij is een Israëlische schrijver, de auteur van prachtige boeken. In Tijdgeest van Trouw (19 november) staat een interview met hem, want morgen 29 november ontvangt hij de Erasmusprijs. De Stichting Erasmusprijs zegt over hem: “Grossman is net als Erasmus een ware humanist: hij laat ons de mens zien, naakt en feilbaar, even goddelijk als monsterlijk. Het werk van Grossman verandert de lezer: de vergevende blik waarmee hij zijn personages beziet straalt ook op ons af.” Heeft Grossman steun van de luister die volgens Jesaja over alles heen ligt? Nee, want over alles hangt de grauwsluier van Gods niet-bestaan. Ik laat hem aan het woord: “Ik ben geen religieus mens. Integendeel, het is belangrijk voor mij dat er geen God is. Dat we naakt staan tegenover de gruwel van leven en dood. Ik ben zeer Joods, ik voel een sterke verbondenheid met het Joodse volk, de cultuur, de humor – ik ben gewoon zeer, zeer Joods. Al meer dan dertig jaar heb ik elke week mijn bijbelavond met dezelfde twee mensen. We lezen de Bijbel, en de Bijbel is als een oceaan. Al die mythes die zoveel vertellen over het leven. Je hoeft niet religieus te zijn om daarvan te genieten.” De interviewer toont geen verbazing over het feit dat Grossman – zonder in God te geloven – zo veel met de Bijbel bezig is. Hij vraagt wel: wat is eigenlijk het verschil. Zijn antwoord: “Als je religieus bent kun je de meest rebelse persoon zijn die er is, maar er is een grens die je niet over gaat: het bestaan van God. Je moet geloven dat er een God is, zelfs als je die God niet begrijpt of Hij jou niet veel kan schelen. Maar ik zeg actief nee. Ik wil beseffen dat er niets staat tussen mij en de zinloosheid van het bestaan. Het is míjn verantwoordelijkheid om deze zinloosheid te vullen met waarden en idealen. Het is mijn verantwoordelijkheid om moedig te zijn in de confrontatie met de leegheid, het duister, de afgrond. Om goede dingen te doen.” De interviewer, Stevo Akkerman (1963), vindt het kennelijk ongelooflijk dat iemand die dagelijks met de Bijbel omgaat deze antwoorden geeft. Hij probeert het nog één keer met de vraag: Als u de Bijbel leest, ontleent u die waarden dan niet stiekem aan een religieus boek? Grossman antwoordt: “Niet stiekem, het verrijkt me. Ik lees de Bijbel en sluit me aan bij de keten van mensen die dat door de eeuwen heen hebben gedaan. Maar wat ik niet begrijp van religieuze mensen die religieuze oorlogen voeren, is dat zij dat doen terwijl ze geloven dat de mens geschapen is naar het beeld van God. Hoe kunnen ze dat beeld dan vernietigen? Zij zouden de humanisten bij uitstek moeten zijn. Voor mij bestaat er geen heiligheid die van buiten komt, het enige dat heilig is, is het menselijk leven. Maar iedereen kiest het zijne uit de Bijbel, schaamteloos soms. Het is verschrikkelijk te zien hoe in Israël religie zichzelf om de politiek heen wikkelt, en zowel de politiek als de religie verstikt.”

Tot zover het interview met Grossman. Ik denk dat hij een terechte ontvanger is van de Erasmusprijs, een eerbetoon aan zijn radicale humanisme. Ik heb wel een vraag bij dat actieve nee-zeggen tegen het bestaan van God. Overspeelt hij niet zijn hand? Grossman wil nogal willen. Wat kan een actief nee-zeggen uitrichten tegen God of tegen het bestaan van God? Wel heeft hij een punt als hij zegt dat gelovigen vaak ongeloofwaardig zijn. Als je werkelijk gelooft geschapen te zijn naar Gods beeld: hoe kun je je dan gedragen zoals je je gedraagt. Het gedrag is vaak een schreeuwend atheïsme. Maar Jezus gedroeg zich toch anders …?

maandag 21 november 2022
Apokalyps 14, 1 – 3.4b – 5 en Lucas 21, 1 – 4

Opdracht van de heilige Maagd Maria, zo heet het feest vandaag. Het is in bepaalde opzichten een obscuur feest: als katholieken niet eens meer het verschil weten tussen Pasen en Pinksteren – dat is toch de jammerklacht van onze bisschoppen – dan zullen ze zeker niet de betekenis van het voorliggende feest kennen. Om het te weten te komen wordt de hedendaagse mens echter niets in de weg gelegd: je hoeft het maar te googelen en Wikipedia bijvoorbeeld is je van dienst. Vers twee is dan natuurlijk nog een acceptabele duiding en een toepassing voor het eigen leven. Wat zegt Wikipedia? Het volgende: “Op het feest van de Opdracht van de Heilige Maagd Maria in de tempel of Maria Presentatie viert de Kerk dat de ouders van Maria haar opdroegen in de tempel. Daarmee viert de Kerk dat Maria, vervuld van de heilige Geest, vanaf haar Onbevlekte Ontvangenis geheel aan de Heer was toegewijd. Het feest is niet gebaseerd op Bijbelse geschriften maar op het Proto-evangelie van Jakobus. Daarin wordt verhaald dat Joachim en Anna uit dankbaarheid voor haar miraculeuze geboorte Maria toewijdden aan God in de tempel, waar ze bleef tot haar puberteit. Het is in de katholieke kerk een gedachtenis die valt op 21 november. In de Orthodoxe Kerk is het een van 12 Grote Feesten, waar het Opdracht van de Moeder Gods in de tempel genoemd wordt. Sinds de achtste eeuw wordt deze gedachtenis in het Oosten gevierd. Later introduceerden geestelijken uit Constantinopel het feest van Maria Presentatie in het Westen.”

Goed, Opdracht, Presentatie. Een moderne duiding, wat andere woorden voor hetzelfde, zou kunnen zijn: het uit de kast komen van Maria. We kennen die uitdrukking voor mensen die openbaar maken dat ze homoseksueel zijn, homo of lesbisch. Een verbreding zien we bij de verklaring omtrent gender. Veel pubermeisjes tegenwoordig verklaren aan de buitenwereld dat ze eigenlijk een jongen zijn, of omgekeerd dat jongens zich meisje voelen. Het uit de kast komen van Maria heeft te maken met de verklaring aan de buitenwereld dat zij zich geheel aan God wil toewijden. Wat betekent dit? Betekent het dat zij zich dan niet zal toewijden aan mensen en andere besognes? Volgens mij kan dit de betekenis niet zijn. We lezen dat Maria zich verlooft met Jozef, dat ze haar nicht Elisabeth gaat helpen als zij in de laatste maanden van haar zwangerschap is, dat zij haar kind Jezus ontvangt, met hem vlucht naar Egypte en zich vestigt in Nazaret. We zien dat zij bij de Bruiloft van Kana Jezus aanspoort iets te regelen omtrent de tekortschietende wijnvoorraad, we zien dat zij te midden van de twaalf aan rouwverwerking doet als haar kind groot geworden gekruisigd is, gestorven, begraven en opgewekt en ten hemel is opgenomen. We mogen veronderstellen dat al die dingen niet ten koste gingen van haar toewijding aan God. Integendeel. Met Schillebeeckx hebben we hier een theologische duiding: God concurreert niet met de mens. En een toepassing voor ons? Ook wij mogen uit de kast komen als mensen die hun leven aan God toewijden en tevens omzien naar de naasten en doen wat ons te doen staat.

Nu eens kijken hoe de lezingen deze Presentatie stofferen. Apocalyps en Lucas beginnen met kijken, toe zien. Apocalyps zegt: “Weer keek ik toe. En zie, daar stond het lam op de berg Sion. En met hem honderdvierenveertigduizend mensen. Die droegen zijn naam en de naam van zijn Vader op het voorhoofd geschreven.” Wie denkt dat tatoeages een recent verschijnsel zijn, kan hier dus leren dat het al zo oud is als de Apocalyps. Al die mensen zijn er voor uit gekomen dat ze van het lam zijn, Jezus Christus dus, en van zijn Vader God. Van wie ben jij er een? Ik ben van het lam. Het kan van moed getuigen als je daarvoor uitkomt. We zouden liever een leeuw zijn. In Lucas gaat het over die Jezus die toe kijkt hoe de rijken hun gaven in de offerkist werpen. Dat gaat natuurlijk gepaard met enig vertoon, ze maken er een show van, kijk mij eens. Je zou daarom over het hoofd zien dat er een arme weduwe is die een paar schamele muntjes geeft. Maar Jezus kijkt toe en ziet het. Ik moet hier denken aan de voorlaatste zin van Reves De avonden. Frits Egters mompelt daar, voordat ie in slaap valt: “Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.” Op het feest van Maria Presentatie mogen we dus bedenken dat ook het kleine gezien wordt. Het kleine gebaar, de eenvoudige vriendelijkheid, je bescheiden inzet. Onze Opdracht hoeft niet per se spectaculair te zijn ...

maandag 14 november 2022
Apokalyps 1, 1 – 4 + 2, 1 – 5a en Lucas 18, 35 – 43

Je kunt merken dat we naar het einde van het kerkelijk jaar gaan, want de Apokalyps verschijnt nu in de eerste lezing, twee weken lang. Het laatste bijbelboek gaat over de laatste dingen. Hoewel de taal en de beelden verhullend zijn, heet het boek toch Apokalyps of Openbaring. “Gelukkig degene die de woorden van deze profetie voorleest, en gelukkig degenen die ernaar luisteren en in acht nemen wat daarin geschreven staat; want de tijd is nabij.” De profetie is altijd verstaan als de aankondiging, zo niet de beschrijving, van het einde van de wereld. In allerlei hoeken en gaten van de christelijke traditie hebben duiders en cijferaars zich bezig gehouden uit te rekenen wanneer precies de stekker eruit zou gaan. Er zijn al heel wat tijdstippen op de kalender aangewezen; ze hadden één ding gemeen: de datum kwam en ging voorbij zonder dat de wereld ten onder ging. Nieuwe ronde nieuwe kansen. De christelijke mainstream heeft zich nooit zo beziggehouden met het einde van de wereld: zullen we dat maar aan God overlaten? Wel was de gedachte dat het einde (van het kerkelijk jaar) vooral symbolische of liturgische betekenis had, want er volgende telkens weer Advent. Apokapyps ging in de mottenballen en Jesaja vol hoop en nieuwe toekomst kwam er voor in de plaats.

Nu zou je denken dat Apokalyps somber is, vol doemgedachtes en Weltuntergang, maar dat is niet zo. In onze tekst vandaag staat zelfs twee keer: gelukkig die de profetie voorleest, gelukkig die er naar luistert. Ik vraag me af of dit symbolisch en liturgisch einde ons voorbereidt en sterkt voor als het werkelijk gaat gebeuren. Want het gaat eens gebeuren. Wat astronomen wel goed, zelfs precies, kunnen berekenen is de levensduur van de zon. Op een gegeven moment is de zon opgebrand – over zo’n vijf miljard jaar, we zijn op de helft - en dan is er geen leven meer mogelijk op aarde. Als we zo doorgaan met onze co2-uitstoot gaan we ook naar het einde, we raken er steeds meer van overtuigd dat we echt moeten veranderen. Als we toelaten dat de aarde 2, 3, 4, 5 graden warmer wordt, hebben onze kinderen en kleinkinderen geen leven meer. Op grote stukken van de aarde is het al voor miljoenen mensen onleefbaar. Afgezien van het klimaat zijn veel mensen tegenwoordig echt bezorgd om niet te zeggen bang dat een allesvernietigende atoomoorlog tot de mogelijkheden hoort – Poetin dreigde ermee en Biden sprak over een Armageddon - en dan kan het op elk moment gedaan zijn. Ik herhaal mijn vraag: of het symbolisch en liturgisch einde dat we kennen van het kerkelijk jaar ons voorbereidt en sterkt voor als het werkelijk gaat gebeuren. Laten we hopen van wel. Maar Jezus zegt ergens: wee, wee.

Kijken we naar de lezing uit Lucas, naar de blinde bij Jericho die om medelijden vraagt van Jezus. Hij wil zien. In verband met het voorafgaande denk ik: pas toch op wat je vraagt, misschien kun je beter niet zien. We steken graag de kop in het zand, we denken liever niet aan het einde. Als we zouden zien, zouden we geen oog meer dichtdoen. Maar goed, de blinde luistert niet naar mijn advies, hij is lang genoeg blind geweest, hij wil zien. Jezus willigt die wens in omdat hij zo vol vertrouwen is. Maar voordat hij van zijn blindheid genezen wordt, vraagt Jezus hem om hem aan te kijken. Dat is merkwaardig! Hoe kan hij Jezus aankijken als hij blind is? Dat moet een spiritueel aankijken zijn. En dan vindt die merkwaardige omkering plaats die in het spirituele leven vaker het geval is. De blinde kan Jezus aankijken omdat hij eerst door Jezus aangekeken is.

“Het donker is niet donker voor U, donker en licht zijn gelijk voor U. Uw oog zag mij, al mijn dagen stonden in uw boekrol gegrift, leid mij op de weg die toekomst heeft.” Kwisvraag: in welke psalm staan die woorden? Het goede antwoord is psalm 139, die prachtige psalm 139. Het donker is niet donker. Of het nu gaat om mijn persoonlijk einde of om het collectieve einde van mensheid en wereld … het is nooit volkomen donker, omdat Uw oog mij zag, omdat U mij geleid heeft op de weg die toekomst heeft. Dat is het inzicht dat de blinde bij Jericho kreeg toen hij Jezus aankeek, wat hem genas van zijn blindheid …

maandag 7 november 2022
Jesaja 52, 7 – 10, Hebreeën 13, 7-9a.15-17a en Marcus 16, 15 – 20

Een hoogfeest op maandag, hoe mooi is dat! We vieren de heilige Willibrord, bisschop, verkondiger van ons geloof, patroon van de Nederlandse Kerkprovincie.

Uit Wikipedia haal ik de informatie dat Willibrord in de kantlijn van zijn kalender een aantekening maakte over belangrijke data van zijn missioneringswerk: zijn aankomst in 690, zijn bisschopswijding in 695. Hij eindigt de aantekening met "in Dei nomine feliciter": in de naam van God gelukkig. Willibrord stierf op 81-jarige leeftijd en werd op eigen verzoek begraven in Echternach. Zijn graf ligt in de crypte van de basiliek van de Abdij van Echternach.

Ik heb dat graf bezocht, jaren geleden, maar ik bewaar dierbare herinneringen aan de prachtige fietstocht van Egmond naar Echternach, een tocht van meerdere etappes op verschillende tijdstippen die ons leidde naar plaatsen waar Willibrord voetsporen had liggen en zijn naam verbonden was aan putjes, kapellen, bomen en kerken. Ik herinner me de aankomst in Echternach op een mooie zonovergoten zondagmorgen terwijl de kerkklokken van de basiliek waar Willibrordus begraven ligt werden geluid. Natuurlijk gingen we – mijn vrouw en ik – naar de mis, bezochten zijn graf en waren in Dei nomine feliciter, in de naam van God gelukkig.

Willibrord is de patroon van de Nederlandse Kerkprovincie. Volgens de geschiedenis – waar feit en fictie mooi dooreen verweven zijn – is hij de verkondiger van ons geloof. Die formulering “van ons geloof” vind ik fascinerend. Anno 2022 geloven we immers niet meer collectief, als wij en ons. Geloven is persoonlijk geworden, en wat iemand die naast mij in de kerk zit gelooft mag God weten, maar dat kan hemelsbreed verschillen van het mijne. Maar misschien doet dat hemelsbrede verschil er niet toe als we het maar over de fundamentals eens zijn.

Ik ga een kijkje nemen naar de lezingen, gaat u mee? Misschien leren we daar wat die fundamentals kunnen zijn. Drie lezingen maar liefst, om de hoogheid van het feest te benadrukken: uit de profeet Jesaja, de brief aan de Hebreeën en uit het evangelie van Marcus.

Jesaja geeft niet zo zeer een credo als wel een vreugdezang. “Hoe welkom is de vreugdebode die over de bergen komt aangesneld, die vrede verkondigt en goed nieuws brengt.” Ja, dit mogen we allemaal geloven en onderschrijven: de brenger van vreugde en vrede is meer dan welkom in onze wereld die eeuw in eeuw uit geteisterd wordt door oorlog, geweld en verdriet. In dezelfde adem van dat vers 7 wordt nog gezegd wat dat goede nieuws is dat die vreugdebode brengt: je God is koning. Welnu, het is maar zeer de vraag of ons geloof dát ook vasthoudt: dat God koning is. Niet een ceremoniële koning zonder macht, franje, toeters en bellen, maar een werkelijke macht die alles ten goede leidt als wij zijn gehoorzame onderdanen willen zijn.

Hebreeën heeft ook een vers 7: “Denk aan uw leiders, die het woord van God aan u hebben verkondigd, neem een voorbeeld aan hun geloof en kijk vooral goed hoe hun levenswandel eindigt.” Een geschikte keuze voor het Willibrordusfeest, voor de patroon van de Nederlandse Kerkprovincie: en kijk hoe zijn levenswandel eindigt. Het is een opluchting dat hij niet vermoord is of de marteldood is gestorven. We hopen dat wij die ook niet hoeven sterven. Ik haal nog een vers uit Hebreeën terug, vers 16: “Houd de liefdadigheid en de onderlinge solidariteit in ere, want dat zijn offers waarin God behagen schept.” Liefdadigheid en solidariteit zou inderdaad ook tot de kern van ons gedeelde geloof kunnen behoren, maar de motivering is ten gevolge van de secularisatie wat onderuit gehaald: we vinden dat we het ook moeten doen zonder gedachten aan offers en zonder gedachten aan Gods welbehagen.

Komen we aan de derde tekst uit Marcus. Die eigenlijk niet van Marcus is maar een latere toevoeging om een mooier slot aan zijn evangelie te geven. Het vormt de opdracht waarin we Willibrord in herkennen, Willibrord die gevolg heeft gegeven aan die opdracht. “Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.” Ach, dat laatste hoort beslist niet meer tot het gemeenschappelijk geloof. Is er alleen redding voor wie gedoopt is, alleen redding voor wie gelooft? Nee, dat geloven we niet meer, dat vinden we te eng kerkelijk. Daar heeft de kerk zich een te grote broek aangetrokken, en even vergeten dat God koning is. We geloven eerder psalm 145, vers 9: “Goed is de Heer voor alles en allen, hij ontfermt zich over heel zijn schepping.” Een grotere gevoeligheid leggen we aan de dag voor de woorden dat het goede nieuws verkondigd moet worden “aan ieder schepsel”. Dus ook aan de kat en de hond, het rund en het varken, de wolf en de vos, de insecten, de vissen en de vogels, het koraalrif en het plankton, het water, de bodem, de lucht …. alles wat de goede God geschapen heeft. We geloven dit liever, al handelen we er niet naar en helpen we de Gods goede schepping om zeep. Maar ook hier moeten we genuanceerd naar dat “we” kijken: veel mensen doen hun best, dragen hun steentje bij, anderen geloven het wel of zijn helemaal niet in staat om een steentje bij te dragen; en de beleidsmakers wereldwijd zijn veel te traag. We kijken allemaal naar Sharm-el-Sheikh en de klimaattop die daar nu gaande is.

Zo geeft het feest van de heilige Willibrord ons veel te denken. En de Nederlandse Kerkprovincie? Die moest maar eens op pelgrimstocht gaan: onderweg zijn, veel meer onderweg zijn … . Zij zou daar in Dei nomine feliciter, in Gods naam, veel gelukkiger van worden.

maandag 31 oktober 2022
Filippenzen 2, 1 – 4 en Lucas 14, 12 – 14

“Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan. Acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.”

“Wanneer u een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren (…), nodig armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.”

Beide lezingen vandaag zijn kort, er is geen ontsnappen aan. Ze confronteren je met je zelf, ze houden je een spiegel voor: hoe is dit bij mij? Filippenzen roept op om niet te handelen uit geldingsdrang of eigenwaan. Een goed advies, maar ik denk dat we er goed aan doen deze aanbeveling niet al te absoluut op te vatten. Een beetje geldingsdrang mag toch wel? Als je dat niet zou hebben zou je nooit solliciteren en kwamen er heel wat mensen niet op de plaatsen en in de functies die vervuld moeten worden om de maatschappij te laten draaien. Nu is er tegenwoordig overal een tekort aan mensen in de zorg, het onderwijs, de verpleging, de woningbouw, het spoor, het leger. Misschien is de achtergrond van die tekorten wel het gebrek aan geldingsdrang; er zijn mensen die daar zo weinig van hebben dat ze überhaupt nergens meer aan beginnen. Ook eigenwaan kan niet geheel als negatief worden gezien. De waan misschien wel, maar een zeker gevoel van eigenwaarde en vertrouwen in je zelf lijken me niet verkeerd. Niemand gun je een minderwaardigheidscomplex. De oproep van Filippenzen is dus behartigenswaard, maar met mate.

Hoe is het met de oproep uit Lucas? Die oproep inzake het uitnodigingsbeleid als je een feest geeft? Kun je daar ook onderuit komen met relativerende opmerkingen? Want een ding is zeker: in onze christelijke burgerlijkheid hebben we ons daar nooit wat van aangetrokken. Als we een feest geven, dan nodigen we inderdaad familie en vrienden en buren uit, en bepaald niet armen, kreupelen, verlamden en blinden. We handelen dus regelrecht in strijd met wat Jezus van ons vraagt. Tenzij, tenzij, ik ga toch een uitvlucht bedenken. Tenzij de groep familieleden, vrienden en buren toevallig een overlap vormt met armen, kreupelen, verlamden en blinden. Dat zou al heel toevallig zijn, maar het is maar hoe je het bekijkt: als je een malicieuze bril opzet is het helemaal niet vergezocht om het volk dat je feesten bevolkt te zien als geestelijk arm, kreupel, verlamd en blind.

Maar misschien heeft Jezus (of Lucas) het helemaal niet over kleinburgerlijke feesten, misschien moeten we een heel andere kant uitdenken. Misschien denkt hij ecclesiaal en noemt hij pas iets een feest als er armen, kreupelen, verlamden en blinden uitgenodigd zijn en afkomen op de hapjes, de glaasjes en de knabbelnootjes. Een ander “feest”, een feest tussen aanhalingstekens: waarbij we eerder moeten denken aan voedselbanken en aan de alternatieve gemeenschap van mensen die buiten de boot van de welvaartsmaatschappij gevallen zijn, voor wie de staat en de sociale voorzieningen niet langer het vangnet is. In Tijdgeest, het magazine bij de zaterdagkrant van Trouw 22 oktober 2022, las ik een interview met de Belgische schrijver Stefan Hertmans ter gelegenheid van de verschijning van zijn nieuwe boek: Verschuivingen. Hij betreurt het dat het ouderwetse socialisme dat nog opkwam voor de onderkant van de samenleving niet meer bestaat. En dan wijst hij op een initiatief van een kunstenaar in New York die een billboard had gemaakt met een oproep aan het publiek: Zet elke dag voedsel op dezelfde plek buiten en praat met de mensen die komen eten en verenig ze. Misschien bedoelt Jezus zoiets ….

maandag 24 oktober 2022
Efeziërs 4, 32 – 5, 8 en Lucas 13, 10 – 17

We bevinden ons dankzij Lucas in de synagoge. “Er was daar ook een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die haar ziek maakte. Ze was helemaal krom en kon met geen mogelijkheid rechtop staan” (NBV). We kennen het verhaal, het is een van de vele juweeltjes in het evangelie van Lucas. We kennen de afloop: Jezus ziet haar, roept haar bij zich, zegt dat ze verlost is van haar ziekte terwijl hij haar de handen oplegt. Meteen gaat ze rechtop staan en looft ze God. Het verhaal behoeft weinig duiding of uitleg, het spreekt voor zichzelf. Toch begrijpen wij dat de feministische theologie hier nog wel het een en ander op te merken heeft. Hoe krom is de kerk niet geweest – en nog – ten aanzien van vrouwen? Hoe slecht heeft de kerk de houding van Jezus ten aanzien van vrouwen begrepen? Maar in Volzin van oktober 2022 kiezen twee vrouwelijke theologen toch een andere invalshoek. Riëtte Beurmanjer (1955) is theologe en dansdocente, medeoprichter van Stichting de 7evende Hemel en tevens werkzaam bij de Werkplaats voor dans en christelijke spiritualiteit. Leonie van Straaten (1962) is opgeleid in bibliodans bij de 7evende hemel. Zij werkt met dans en geestelijke begeleiding vanuit haar bedrijf Het woord in beweging. Met deze introductie begrijpen we al waar het hun om gaat. Hun stelling is: theologie en dans zijn niet twee verschillende werelden. Dat is natuurlijk wensdenken, want lange tijd waren het wel twee werelden. We herinneren ons de pastoors van destijds die vanaf de kansel verkondigden dat dansen uit den boze was, als ze het al niet regelrecht verboden. Riëtte en Leonie gebruiken de dans in hun pastoraat. “Door te dansen kun je de betekenis van bijbelverhalen voor jouw leven ontdekken. In bibliodans zijn we totaal mens: met geest én lichaam, met verdriet, plezier, woede en erotiek. Je bent op een lichamelijke manier aanwezig in alles wat in je is. Daarmee raak je aan de godsnaam in Exodus: Ik ben. Je weerspiegelt dan op een of andere manier even die naam.” Via de dans is er dus aandacht en ruimte voor het lichaam, het lichaam dat in de christelijke traditie nogal verdonkermaand is, ondanks het kernstuk van het christelijk geloof dat het woord vlees is geworden. Veel theologen vandaag leggen daar de nadruk op: het woord is vlees geworden, God is mens geworden, God en mens vormen samen één wereld, er zijn geen twee werelden. De interviewer vraagt of er in het evangelie een verhaal is dat zij bijzonder inspirerend vinden. Zij wijzen dan naar het verhaal uit Lucas 13 dat we vandaag lezen. Genezen worden van kromheid die achttien jaar geduurd heeft, weer recht kunnen lopen, ja misschien heeft de vrouw een huppeldansje gemaakt, haar armen ten hemel geheven toen ze God loofde en dankte. Sacred dance in Lucas 13.

Heeft de brief aan de Efeziërs iets dat dansant is en licht? Misschien de beginverzen en het eindvers. Wees goed voor elkaar, volg het voorbeeld van God, ga de weg van de liefde die Christus ons heeft gewezen. Sacred dance lijkt me nogal een individuele expressie, misschien heb ik het mis, maar met de verzen van Efeziërs zou je God en Christus kunnen zien als degenen die de dans leiden. De stappen en de patronen komen wel zoals de geest die ingeeft. Het laatste vers roept op om de weg te gaan van de kinderen van het licht, met andere woorden de dansvloer van het leven op te gaan …

maandag 17 oktober 2022
Efeziërs 2, 1 – 10 en Lucas 12, 13 – 21

“Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus, om in ons leven de goede werken te doen die God voor ons heeft bereid, opdat wij daarin zouden leven.” Dat is de laatste zin uit de eerste lezing, uit de brief aan de Efeziërs. Bij die lezingen is het meestal zo dat de teksten het ene oor in het andere oor uit gaan; hoe kort de teksten ook zijn, ze zijn meestal te lang. Maar die slotzin is memorabel, de moeite waard om te onthouden voor ieder die zich afvraagt: waarom zijn wij ook weer op aarde, hoe is het gesteld met ons mensen? Efeziërs geeft dan een antwoord dat uit drie elementen bestaat: 1. Gods werk zijn wij. 2. Geschapen in Jezus Christus om goede werken te doen die God als het ware voor ons klaar heeft gelegd. 3. Opdat wij daarin leven: wij leven als we goede dingen doen.

Ik kom nog terug op een ander element uit die tekst uit Efeziërs, maar eerst nu over de snipper uit het Lucasevangelie. Daar springt in het oog dat een mens nog zo veel kan bezitten, maar zijn leven bezit hij niet. Ik geloof dat ieder mens dat wel weet, of hij nu religieus is of niet, de bijbel leest of niet: dat is gemeenschappelijke kennis, dat is verankerd in het bewustzijn van de mens, ja dat definieert haast de mens: de mens is het dier dat sterfelijk is én zich daarvan bewust is. Dit bewustzijn maakt bescheiden, relativeert wat je doet of gedaan hebt, relativeert wat je wel of niet bezit: het maakt ons allemaal gelijk. Die gelijkheid is goed verenigbaar met de gedachte dat we Gods werk zijn. Een stapje verder is de gedachte dat er een opdracht voortvloeit uit het leven, namelijk dat je iets goeds met je leven moet doen.

Zo gesteld is het patroon, de partituur van het leven die volgens het spreekwoord niemand krijgt, overzichtelijk en helemaal niet zo moeilijk. Maar de praktijk van dat muziekstuk is wel een slag anders: veel moeilijke noten, kruisen en mollen, dissonanten en wanklanken. Terug naar Efeziërs zoals beloofd, die weet hoe vals het kan zijn. Ben ik dit woordje begonnen met het laatste vers, nu grijp ik terug op het eerste: “U was dood door de misstappen en zonden waarmee u de weg ging van de god van deze wereld.” Zo! Dat gaat er fors tegenaan!

Het zal je maar gezegd worden. Denk je te leven? Nee, je bent dood, dood, dood. Maar hoe kom van dood tot leven? Aha, daar hebben we Jezus Christus voor, dat is juist het evangelie. Hoe verander je van een zinloos leven tot een zinvol leven? Hoe kom je tot groei en verandering? Ik zag die vraag opgeworpen door Maxim Februari in het katern Leven van de NRC op zaterdag 8 oktober. Het antwoord vond hij bij de toneelschrijver Tony Kushner. In zijn toneelstuk Angels in America uit 1991 zegt de mormoonse Hannah dat verandering iets met God van doen heeft. Want wat doet God? Houd u vast, want het is niet mals. „God splijt de huid met een gekartelde duimnagel van keel tot buik en plempt er dan een grote vuile hand in, hij grijpt je bloederige organen vast en ze glippen weg om aan zijn greep te ontkomen, maar hij knijpt hard, hij houdt vol, hij trekt en trekt tot al je ingewanden eruit zijn gerukt en de pijn! Daar kunnen we het niet eens over hebben. En dan propt hij ze terug, vuil, verstrengeld en kapot. Het is aan jou om jezelf dicht te naaien.”

Dit was nuttig, zegt Februari. Er zijn dagen waarop ik deze tekst zou kiezen voor de avondmis, als ik die zou moeten verzorgen. Volgens Hannah loop je na zo’n ingreep rond als „gemangelde ingewanden die doen alsof” en dat is vrij juist getroffen. En dan ben ik nog een van de fortuinlijkste mensen ter wereld, natuurlijk. Man, wit, hetero en zo. Levend in vredestijd in een nog altijd welvarend land, met goede genen, al mijn haar en tanden nog, en volop kansen. Waarom zocht ik naar bemoediging? Dat was omdat ik onlangs een abonnement heb genomen op de zoveelste nieuwsbron. Opeens kan mijn maag al het nieuws niet meer aan. Mijn ingewanden protesteren. Dat komt niet alleen door het wereldnieuws, oorlog, machtsverschuiving, honger, terreur, maar vooral ook door de verontreinigde onderstroom van al die fortuinlijke en fatsoenlijke mensen die hun invloed aanwenden om hun eigen belangen veilig te stellen.

Heel herkenbaar. Maar waarom een abonnement op de zoveelste nieuwsbron, zou ik tegen Maxim Februari willen zeggen? Als er al een gratis abonnement op de bijbel is, en vandaag bemoedigende teksten uit Efeziërs en Lucas? Wel is het zo dat dit de stervensdag is van Ignatius van Antiochië (45 – 115); we herinneren ons dat ook hij gemarteld werd ….

maandag 10 oktober 2022
Galaten 4, 22 – 24.26-27.31 – 5, 1 en Lucas 11, 29 – 32

Vorige week kregen de Galaten op hun lazer omdat ze dachten dat er meerdere evangelies zouden zijn. Er is echter maar één evangelie, zegt Paulus, en vandaag horen we meer over de aard van dat evangelie. Om zich te verduidelijken roept hij het verhaal op van de twee zonen van Abraham: een zoon kreeg hij bij Hagar, zijn “tot slaaf gemaakte vrouw” (zo moeten we dat tegenwoordig zeggen), de andere zoon kreeg hij van Sara, zijn vrije vrouw. De zoon van Hagar is op een natuurlijke manier ter wereld gekomen, maar sleept zijn slavenafkomst met zich mee. De zoon van Sara, tja, je kunt nauwelijks zeggen dat hij op een natuurlijke wijze ter wereld is gekomen. Sara was immers veel te oud om nog kinderen te baren. Deze zoon komt voort, zegt Paulus, uit de belofte, uit Gods belofte, en uit dien hoofde is het een bovennatuurlijke voortbrenging. Van boven, vanuit Jeruzalem, het Jeruzalem dat als bijvoeglijk naamwoord eigenlijk altijd “hemels” met zich meedraagt. Paulus versterkt deze wijze van voortbrenging met een citaat. Want er staat geschreven: “Wees verheugd, onvruchtbare vrouw, jij die niet baart. Jubel en juich, jij die geen weeën kent. Want zij die zonder man is heeft meer kinderen dan zij die met een man is” (Jesaja 54,1). Die vele kinderen die geboren zijn zonder man … dat zijn wij, dat zijn de gelovigen, de mensen van het ene evangelie. Het kenmerk van christengelovigen is dat ze vrij zijn. Kinderen van de vrije vrouw niet van de tot slaaf gemaakte vrouw; Paulus wil er geen misverstand over laten bestaan dat we het verhaal allegorisch moeten opvatten (“het is maar een verhaal”), maar wel een allegorie/een verhaal met een principiële betekenis. De gelovigen zijn gelovig als erfgenamen van de belofte, zij zijn kinderen uit een geestelijke afstamming, het zijn vrije mensen met de vrijheid van de kinderen Gods. Het gaat er niet langer meer om wie je moeder, vader, broer of zuster is, sterker het maakt niet uit of je ze überhaupt hebt. De adressant van het evangelie is de individuele mens, de unieke mens, deze mens hier op deze plaats in deze tijd. En daarmee is de christenmens universeel, niet gebonden aan taal of cultuur, land of volk, ras of gender. Ongehoord, nog steeds eigenlijk.

In het evangelie van Lucas verwijst Jezus naar Salomon. Koninginnen kwamen van het uiteinde van de aarde naar Salomon toe vanwege zijn legendarische wijsheid: daar wilden ze zich aan laven, er hun voordeel mee doen. Salomon gold als de slimste mens ter wereld. Welnu, laat Lucas Jezus zeggen in al zijn bescheidenheid: hier is méér dan Salomon. De grote filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770 – 1831) die als een van de grootste, meest diepzinnige denkers van de Westerse filosofie geldt, zou het met Lucas eens kunnen zijn. Hij onderscheidt drie grote fases in de geschiedenis van de religiositeit der mensheid: een magische, een klassieke en een romantische. De derde fase laat hij beginnen met Jezus van Nazareth die hij beschouwt als het absolute culminatiepunt van de religie, omdat in hem God mens wordt, aan het kruis sterft en met zijn opstanding de dood doodt. Volgens Hegel zijn we met Jezus Christus in een eeuwigdurend heden terecht gekomen. En dit vertel ik u op een gewone gewone maandagmorgen in de maand oktober van het jaar 2022 …

maandag 3 oktober 2022
Galaten 1, 6 – 12 en Lucas 10, 25 – 37

Het is een ingewikkelde zin die Paulus – na zijn begroeting - aan de arme, verwarde, afvallige Galaten schrijft. Hij spreekt er zijn verbazing over uit of meer zijn verwijt: “dat u zo spoedig afvalt van hem die u riep tot de genade van Christus, en overgaat naar een ander evangelie; maar er ís geen ander evangelie.” Ik weet niet hoe de Galaten die woorden ontvangen hebben – misschien welwillend – maar voor onze hedendaagse oren zijn ze haast onverdraaglijk stellig. Is er maar één evangelie? Is er maar één goede boodschap? Als je christengelovige bent misschien wel, maar we zijn inmiddels wel zo ruim dat we niet meer uitsluiten dat ook in de andere godsdiensten heil verkondigd wordt. Dat is de opvatting/leer van Vaticanum II. Ja ook aanhangers van ietsisme, agnosticisme, atheïsme en humanisme (die zo’n beetje de meerderheid uitmaken van de Westerse geseculariseerde samenleving) ontzeggen we niet dat ze dragers kunnen zijn van een goede boodschap als ze zich inspannen voor het behoud van de aarde, zich inzetten voor rechtvaardige verhoudingen in de wereld, zich beijveren voor de vrede, of gewoon dichter bij huis gewoon goed zijn voor hun naaste, hun vader en moeder eren en hun broer niet vermoorden. Is er maar één evangelie, Paulus? Hoe weet je dat zo precies? Omdat het je geopenbaard is door Jezus Christus zelf, zeg je. En omdat jij die openbaring ontvangen heb, kun je mensen roepen tot de genade van Christus, tot diezelfde openbaring. Dat nu is toch een ingewikkelde route, want genade is iets wat je gegeven wordt, gratis, door God, en jij, Paulus, gaat er zo maar van uit dat die gratis gave tot stand komt als jij, misgeboorte zoals je je zelf ergens noemt, oproept te geloven in het ene evangelie? Nogmaals, ik heb te doen met die arme, verwarde, afvallige Galaten.

Nu zullen we dan maar eens inhoudelijk kijken wat dat evangelie is. En daarvoor wenden we ons tot Lucas. Het fragment van vandaag is misschien wel het meest bekende uit zijn hele evangelie, ja misschien wel uit het hele nieuwe testament. De eerder genoemde ietsisten, agnostici, atheïsten en humanisten zijn waarschijnlijk bekend met de barmhartige Samaritaan. Het is een verhaal dat diep in het bewustzijn van de Westerse mens is ingedaald, en je mag hopen dat het zelfs blijvend het geweten gevormd heeft van de naties én de verenigde naties met zijn instellingen. Het verhaal geeft antwoord op de vraag wie mijn naaste is, en hoe je houding moet zijn tegenover een mens in nood. Als je die goede houding hebt en dienovereenkomstig handelt, heeft dat eeuwigheidswaarde. Dan heb je deel aan het eeuwig leven; dat was immers de vraag van de wetgeleerde aan Jezus. Dat is dus tevens de inhoud van het evangelie: de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.

Is dat inderdaad het evangelie, het enige evangelie? Zoals Lucas het formuleert in dit verhaal kan elk mens van goede wil zich aansluiten of zich ingesloten voelen. Wat is dan het onderscheidende van het evangelie van Jezus Christus? Daarvoor ga ik terug naar de brief aan de Galaten. Ik heb tussen neus en lippen vermeldt dat Paulus begint met een begroeting, vooraleer hij zijn verbazing c.q. zijn verwijt tot uitdrukking brengt. Paulus begint zijn groet met zich voor te stellen: “Ik, Paulus, apostel, niet vanwege mensen en ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God de Vader die Hem uit de dood heeft opgewekt.” Hier zit het typisch eigene van de het christelijk evangelie, dat het de goede boodschap is van Jezus Christus die uit de dood is opgewekt, Jezus de nieuwe Adam die de dood verslagen heeft. Dit is het ongehoorde, het ongeziene, het grote heilsmysterie dat ons verstand te boven gaat, maar wat het fundament uitmaakt van christelijk geloof, hoop en liefde ….

maandag 26 september 2022
Job 1, 6 – 22 en Lucas 9, 46 – 50

“Ze kregen een meningsverschil wie van hen de grootste was.” Zo begint het gênante fragment uit Lucas. We zijn dan al in hoofdstuk 9, “Ze” (de twaalf apostelen) hebben al heel wat gezien van Jezus, ze zijn zelfs op missiereis gestuurd, waarbij ze macht kregen over alle demonen en ziekten; ze trokken van dorp tot dorp en overal verkondigden ze de goede boodschap en genazen ze de zieken. Wat moeten zij zich groot gevoeld hebben! En toch hebben ze nog maar weinig begrepen van de aard van de goede boodschap, toch vinden ze het nodig om zich onderling te vergelijken, toch willen ze de grootste zijn.

In Job vernemen we van hemelingen die hun opwachting maken bij de HEER. Satan is kennelijk ook een hemeling want zonder dat iemand zegt: hé, wat doe jij hier, ga eens vlug terug naar de hel, gaat de HEER met hem in gesprek. Het tafereel is uiterst huiselijk, bij wijze van spreken bij de koffieautomaat. Zeg eens Satan, zegt de HEER, nog ergens geweest in het weekend? O ja, zegt Satan, ik heb rondgezworven op aarde. Ha, op aarde, zegt God. Heb je ook Job gezien, mijn dienaar? Op aarde is er geen tweede zoals hij: onberispelijk, rechtschapen, hij vreest Mij en houdt zich ver van het kwaad. Ja, Satan heeft hem gezien, Satan heeft een grote voorliefde voor, of misschien beter een grote hekel aan, zulke onberispelijke mensen, hij ruikt ze al van verre; het is juist zijn plezier om ze minder onberispelijk en rechtschapen te maken. Ja, zeg hij, die Job, rechtschapen? Gemakkelijk zat, alles zit hem mee, hij heeft een gezin, een familie en vele bezittingen, het is voor hem helemaal niet moeilijk om godsdienstig te zijn en uit de buurt te blijven van het kwaad. Maar wedden dat hij U vervloekt als alles van hem wordt afgenomen? Een weddenschap tussen God en de Satan! De schrijver van het boek Job heeft een rijke fantasie. God gaat die weddenschap aan: goed, je mag hem alles afnemen en dan zullen we eens zien. Binnen ons tekstfragment wordt dan per omgaande alles van Job afgenomen: zijn schapen, geiten met de herders erbij, zijn kamelen met de knechten, en op het laatst zijn zonen en dochters, al zijn kinderen dood. Job is verpletterd, hij scheurt zijn kleed, scheert zijn hoofd en zegt: naakt kom ik uit de schoot van moeder aarde, naakt keer ik daarin terug. Ten slotte – in ons fragment althans – zegt hij die beroemde woorden die veel gelovigen van alle tijden hem na proberen te zeggen: de HEER geeft, de HEER neemt, gezegend is de Naam van de HEER. De schrijver van het boek Job rondt af met op te merken: ondanks deze gebeurtenissen zondigde Job niet; hij maakte God geen enkel verwijt.

Het verhaal is eigenlijk af, God zou de weddenschap gewonnen moeten hebben. Er staat niet om wat ze gewed hebben. Dit alles wordt ons verteld in het eerste hoofdstuk. Maar het boek Job heeft maar liefst 42 hoofdstukken. In al die hoofdstukken wordt Jobs standvastigheid zwaar op de proef gesteld door zijn vrienden, filosofen en theologen. Het kan niet anders of dit ongeluk dat Job getroffen heeft moet wel een straf zijn voor zijn zonden, verborgen zonden, of de zonden van zijn voorouders. Niemand is volmaakt, dus ook Job niet: geef nou maar toe. Het is allerminst vreemd dat er zo geredeneerd wordt. In het boek Psalmen – dat onmiddellijk na het boek Job staat – wordt die gedacht talloze malen uitgedrukt: de rechtvaardige gaat het goed, de zondaar slecht. Zie psalm 112, 5-6a: “Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig, wie zijn zaken eerlijk behartigt. De rechtvaardige komt nooit ten val.” Het is de grootheid van Job dat hij niet toegeeft, hij houdt vast aan zijn onschuld, hij blijft de Naam van de HEER zegenen en niet vervloeken.

In de vraag van de nieuwtestamentische leerlingen aan Jezus wie de grootste is, zou het antwoord wel eens kunnen zijn: de oudtestamentische Job is de grootste. Maar Jezus zegt dat een kind de grootste is. Kinderen zijn onschuldig, ze zijn volmaakt, ze maken grote mensen met hun aanspraken op macht en protserigheid, met hun eigendunk en verwaandheid te schande. Van God uit gezien zijn alle mensen kinderen: “Want Hij weet waarvan wij gemaakt zijn, Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd,” zegt vers 14 van Psalm 103. En daarom gaat het vers daaraan voorafgaand zo: “Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt zich de HEER over wie Hem vrezen.” Het is goed om dit te weten, goed om dit te geloven …

maandag 19 september 2022
Spreuken 3, 27 – 34 en Lucas 8, 16 – 18

Op deze maandag 19 september krijgen we spreuken voorgeschoteld, uit het boek Spreuken en uit het evangelie van Lucas. De spreuken uit het Spreukenboek hebben een hoog “ja natuurlijk-gehalte”, maar dat wil nog niet zeggen dat je er altijd naar handelt. Geef als je kunt geven. Zeg niet tegen je naaste: ik geef het je later wel als je het nu kunt doen. Beraam geen kwaad tegen je naaste. Laat het niet zonder reden tot een ruzie komen. Wees niet jaloers op iemand die onrecht begaat. Ja, dat is allemaal verstandig en wijs, konden we maar volgens deze spreuken handelen, konden we überhaupt maar handelen volgens onze inzichten. Vaak weten we wel wat goed is, en wat goed voor je zelf is, maar kunnen we er niet toe komen goed te handelen, zelfs niet ten opzichte van je zelf. We zijn eigenlijk tragische wezens. De spreuken van Lucas beginnen ook met een waarheid als een koe: je steekt geen lamp aan om die te verstoppen (in een kast bijvoorbeeld of onder het bed), je zet de lamp op een standaard zodat iedereen die binnenkomt er wat aan heeft. Als je deze spreuk naast de eerder genoemde zet valt op dat ook hier de praktische gerichtheid van belang is. Met een “want” wordt de spreuk verbonden met de volgende: er is niets geheim dat niet openbaar wordt, niets verborgen dat niet bekend wordt en aan het licht komt. Je kunt zeggen dat deze spreuk voortdurend zijn waarheid bewijst: elke dag zijn er onthullingen over wat in de doofpot werd gestopt, onder het tapijt werd geveegd, in de onderste la verdween; op een gegeven moment komt het toch naar buiten. Maar waarschijnlijk is Lucas niet uit op spreuken voor aan de wand, hij bedoelt geen tegeltjeswijsheden uit te venten, maar het rijk Gods. En dan betekent de spreuk iets heel groots: het rijk Gods dat verborgen is zal hoe dan ook doorbreken, het komt aan het licht, het zal oplichten in the hearts and minds van de mensen.

Vandaag wordt Elisabeth II (1926 – 2022) vanuit de Westminster Abbey uitgeleide gedaan naar haar laatste rustplaats. Zij is na haar overlijden op Maria Geboorte 8 september meer dan wie ook ter wereld in the hearts and minds van de mensen. Er zijn al vele prachtige woorden ter harer ere gesproken, prachtige rouwdiensten gehouden; vandaag zal het culmineren. Let dus goed op hoe je hoort, zegt Lucas, want als je een ontvankelijk hart hebt en een juiste antenne zal je veel gegeven worden. Maar als je niet ontvankelijk bent en je stemt niet af, ach, dan raak je ook nog kwijt wat je dacht te hebben: leegte die vermenigvuldigd met leegte nog steeds leegte oplevert. Zo kunnen we ook de laatste spreuk van Lucas begrijpen.

Elisabeth was een vrouw – zo begrijpen we – die van jongs af aan haar leven als een roeping zag, “of ik nu kort of lang zal leven, zal ik u dienen”, zei ze als 25-jarige jonge koningin. Het werd lang en ze was tot aan haar laatste dag dienstbaar. Aan wat? Aan de gemeenschap, aan de saamhorigheid, de verbinding, de verzoening, de eenheid. Ze was meer dan 70 jaar de koningin van het Verenigd Koninkrijk en het Gemenebest, staatshoofd en hoofd van de Anglicaanse Kerk met als titel Defender of the faith, de verdediger/behoeder van het geloof. Ook dit waren voor haar geen loze woorden. Ik heb een overzicht gezien van haar kerstboodschappen over al die jaren; en in elke kerstboodschap spreekt ze heel eenvoudig over Jezus haar voorbeeld en leidsman, en haalt ze iets uit het evangelie dat ze op de kandelaar zet. Elisabeth leidde een tamelijk verborgen leven, maar haar spiritualiteit stak ze niet onder stoelen of banken, ze stopte het niet weg in een antieke kast. Wellicht zal vandaag in de Westminster Abbey gelezen worden uit het slot van het boek Spreuken dat handelt over de sterke vrouw wie-zal-haar-vinden. De Britten en allen die sympathiseren zullen beseffen dat ze in Elisabeth II die sterke vrouw gevonden hebben. De slotverzen van het boek Spreuken zegt het zo: “Veel vrouwen hebben zich bekwaam gedragen, maar jij overtreft ze allemaal. Bevalligheid is bedrieglijk, schoonheid vluchtig, maar een vrouw die de HEER vreest, moet worden geroemd. Bejubel haar om de vrucht van haar handen en roem haar in de poorten om haar werken” (Spreuken 31, 29 – 31).

maandag 12 september 2022
1Korintiërs 11, 17 – 26.33 en Lucas 7, 1 – 10

De brief van Paulus laat ik maar liggen, hij zit me daar een potje te schelden en te mopperen! Het doet me te veel denken aan een preek onlangs in een parochiekerk op een zondagochtend waar een pastor hetzelfde aan het doen was. De mensen de mantel uitvegen die niet naar de kerk komen, niets voor hun geloof over hebben, die trouwens niets meer van hun geloof afweten. In plaats van naar de kerk te komen gaan ze op zondagmorgen naar de golfbaan. Foei! Een verkeerde keuze! Toen ik het met mijn dochter over die preek had, zei ze heel gevat: die pastoor maakt ook een verkeerde keuze. Hij kiest er voor om te schelden en te mopperen, hij kiest er niet voor om iets van de kerk te maken. Zij had een vakantie-ervaring opgedaan in Wales. Daar was ze op een mooie zondagmiddag een kerkje binnengewandeld waar het een zoete inval was en aangenaam druk. Er werd gemusiceerd en er zaten wat mensen te luisteren. In een andere hoek zaten mensen koffie of thee met elkaar te drinken. In weer een andere hoek werden vouwblaadjes uitgegeven voor een meditatieve wandeling met als vertrekpunt de kerk. Ongetwijfeld werden er ook kaarsjes aangestoken en zaten er mensen gewoon te bidden in de gewijde ruimte waar eeuwen gebeden en liederen geklonken hadden. Misschien lag er ook wel een goede preek ter inzage of om mee te nemen. Kijk, zei mijn dochter, zo kun je het ook doen; je kunt er voor kiezen om de kerk aantrekkelijk te maken, er weer leven in te brengen.

Dat is precies wat Jezus in het evangelie van Lucas doet, in het fragment van de knecht van de centurio die ziek geworden is en op sterven ligt. Zou dit dezelfde centurio zijn als bij Marcus die Jezus zijn laatste adem ziet uitblazen en dan zegt: Inderdaad, die man was de zoon van God? Daar is natuurlijk geen enkel exegetisch bewijs voor, dat is een wilde fantasie van mij. Uit Marcus is hij naar Lucas gewandeld en daarom heeft hij zo’n groot vertrouwen en voelt hij zich onwaardig dat Jezus onder zijn dak komt. “Spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal genezen.” De kerk in onze streken is ook ernstig ziek en ligt op sterven. Zij heeft dat woord van Jezus hard nodig om er weer leven in te brengen. Maar niet alleen de kerk sterft, ook de mensheid als geheel. Het verschijnsel mens kwam voort uit de oersoep, of wat minder poëtisch: uit de zee. In drie boeken over de zee die onlangs verschenen zijn en besproken in de NRC wordt beschreven hoe de zeeën en de oceanen aan het sterven zijn, en daarmee de hele samenhangende keten van leven in welke vorm dan ook. In die boeken klinkt de waarschuwing: dit zijn de laatste ogenblikken waarin we kunnen bepalen welke kant het opgaat met de planeet en zijn oceanen. In de hoop dat het ultrakorte tijdperk waarin de mens dominant is, het Antropoceen, niet eindigt met het einde van de mensheid.

Hoe kun je met deze dreiging, met dit inktzwarte vooruitzicht leven als je niet de kop in het zand steekt? Dan kom ik terug op Paulus. Ik doe hem onrecht als ik zeg dat ie enkel aan het schelden en aan het mopperen is. Tussen neus en lippen door vermeldt hij nog iets anders, iets wat hij van horen zeggen ontvangen heeft, namelijk “dat in de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd Hij een brood nam, het dankgebed uitsprak, het brood brak en zei: Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken. Zo nam Hij ook de beker, en Hij zei: Deze beker is het nieuwe verbond, dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om Mij te gedenken.” Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt. Het is de oudste tekst van de zogenaamde consecratie, ze is te horen in de eucharistieviering, zoals ook de woorden van de centurio te horen zijn vlak voor de communie. Met deze woorden en gebaren, met deze handelingen, die de dood van de Heer gedenken, moeten wij leven … totdat Hij komt.

maandag 5 september 2022
1Korintiërs 5, 1 – 8 en Lucas 6, 6 – 11

Wie kent hem niet? De Frans-Joodse filosoof van Litouwse afkomst Emmanuel Levinas (1906 – 1995). In zijn filosofie gaat hij letterlijke en figuurlijk uit van de Ander; hij schrijft het woord Ander meestal met een hoofdletter. Hij is van mening dat ethische denken en het nemen van verantwoordelijkheid start bij het zien van de andere mens. Hij heeft een filosofie ontwikkeld van “het gelaat”. Als je de ander aankijkt kom je onder zijn/haar/hun appèl te staan, waarbij het ultieme appèl is om niet te doden. Levinas weigert de relatie tot God te zien als een relatie naast en los van de relatie tot de Ander. De Oneindige openbaart zich uitsluitend in het gelaat van de Ander. God komt daar zelf niet aan te pas, hij laat zich door het menselijke bewustzijn niet in kaart brengen. God is veeleer de Ongrijpbare die voorbijgegaan is en die mij met de Ander heeft achtergelaten. Wanneer ik een appèl van de Ander beantwoord, 'zie' ik God in het gelaat van die Ander. God staat dus niet boven de mens (religieus verticalisme) maar is terug te vinden op Aarde in het gelaat van de weerloze Ander (religieus horizontalisme).

Ik moet aan Levinas denken als ik het fragment uit Lucas overweeg. Jezus wil de man met de verschrompelde hand genezen, maar het is sabbat en de farizeeën en schriftgeleerden letten op hem of hij over de schreef gaat. Hij is dat duidelijk van plan en hij weet dat ie gevaar loopt als hij sabbatregels overtreedt. Maar de sabbat is er voor de mens, niet de mens voor de sabbat. Jezus zet de zaken op scherp en vraagt de scherpslijpers: mag je op sabbat goed doen of kwaad, een leven redden of verloren laten gaan. Waarom ik aan Levinas moet denken is het volgende. Jezus stelt die vraag niet met een blik op het oneindige of over de hoofden heen. Nee, Lucas zegt uitdrukkelijk dat hij de farizeeën en schriftgeleerden een voor een aankijkt. Maar die raken buiten zinnen en overleggen wat ze met Jezus zullen doen. We weten wat de uitkomst is van dat overleg. De filosofie van Levinas lijkt hier niet te werken: noch het gelaat van de man met de verschrompelde hand, noch het gelaat van Jezus Emmanuel (mooie voornaam heeft Levinas!) leiden er toe dat de farizeeën en schriftgeleerden tot een religieus horizontalisme bewogen worden.

Het werkt kennelijk ook niet bij opgehitste bewoners van Ter Appel die eieren gooien naar de vluchtelingen. Het werkte ook niet bij de piepjonge Russische soldaten die in Boetsja en Irpin oog in oog stonden met hun Oekraïense broeders en zusters: ze lieten zich niet tot ethische gedrag gebieden, ze verkrachtten, mishandelden en moordden. De filosofie van Levinas lijkt dus veel te optimistisch, de brute werkelijkheid is anders, zonder hoofdletter. Paulus ziet dat in Korinthe: u hebt geen enkele reden om zelfvoldaan te zijn. Wat mij wel een treffende godsaanduiding lijkt is dat God de Ongrijpbare is die voorbijgegaan is en die mij met de Ander heeft achtergelaten. Met de ander heeft achtergelaten, dat is helemaal waar. In welke situatie we ook verkeren, in eigen huis, in stad en land en in de wijde wereld … altijd treffen we daar de ander aan en samen met die ander moeten we de vrede bewaren thuis, een vorm van rechtvaardigheid stichten in de stad en in de wijde wereld gaat het zelfs om een overleven van de soort mens. Daar heb je behalve een goed stel hersens en een warm hart ook je beide handen voor nodig, liefst twee rechterhanden. Maar het geval wil dat een van die handen verschrompeld is, een hand die Jezus wil genezen op sabbat, misschien juist op sabbat ….

maandag 29 augustus 2022
1Korintiërs 2, 1 – 5 en Marcus 6, 17 – 29

De wijze waarop Johannes de Doper aan zijn einde komt is walgelijk. Dat het zo moet gaan met de stoere man waarmee Marcus zijn verhaal begonnen is, stemt verdrietig. Maar het kan altijd nog erger – en in zoverre is dit verhaal over het einde van Johannes een vroege waarschuwing over het einde van die andere stoere man die Marcus al in zijn 1ste vers van zijn evangelie genoemd heeft: Jezus Christus, Zoon van God. In het 9e vers komt die Jezus uit Nazaret in Galilea naar de Jordaan gelopen waar hij zich laat dopen door de Doper Johannes. Ook Jezus’ einde is een walgelijk verhaal, een verhaal dat de mensheid in zo’n verdriet zou moeten dompelen dat je je kunt afvragen of er daarna nog ooit reden kan zijn voor echte vreugde, voor een onbezwaarde lach. Maar datzelfde had je ook na Auschwitz kunnen vragen, of momenteel te midden van de wandaden van Rusland in Oekraïne. Valt het u tussen haakjes niet op hoe vaak de lach van mensen op de televisie – politici, BN-ers, presentators – onecht is, gemaakt, fake, vals? Ik denk als ik zo’n lach zie: een echte lach heb je niet tot je beschikking want achter die façade steekt enkel leegte, het zwarte gat der zinledigheid. Maar om terug te komen op mijn vraag of er na de moord op Johannes de Doper en na de kruisdood van Jezus de Gedoopte nog echte vreugde kan zijn: dat kan eigenlijk alleen binnen het paasgeloof, binnen het kader van de goede boodschap van het koninkrijk van God. Ik maak een uitzondering voor de lach van een kind; kinderen kunnen heerlijk onbekommerd lachen en plezier hebben, eventueel om niks, en dat is natuurlijk de reden dat Jezus hen ten voorbeeld stelt als het gaat om het binnentreden in het koninkrijk van God.

Ik heb hierboven Johannes en Jezus stoere mannen genoemd. Ik doe dat na lezing van Peter-Ben Smit, Mannen in Marcus. Hij onderzoekt in dat boekje de wijze waarop Marcus zijn mannen tekent. Zijn het echte mannen overeenkomstig het ideaalbeeld van 2000 jaar geleden, doorbreekt hij dat beeld, doet hij er iets mee? In onze tijd gaat het vaak over gender, en Peter-Ben Smit leest het Marcus-evangelie vanuit deze hedendaagse interesse. Als je nauwkeurig Marcus leest, zo laat hij zien, kom je tot verrassende ontdekkingen. Johannes en Jezus zijn echt wel mannen, stoere mannen: ze zijn moedig, ze staan voor hun principes, ze zijn baas in eigen geest en lijf. Al treft hun een vreselijk lot, ze gaan moreel niet ten onder maar blijven overeind als bakens van oprechtheid. Maar neem de andere man in het verhaal over Johannes de Doper, Herodes. Wat voor man is dat? Hij mag dan wel koning zijn, baden in weelde, de macht hebben om mensen te doden, maar verder is het een lapschwanz. Hij heeft zich zelf niet in de hand, hij laat zijn hoofd op hol brengen door het meisje Salomé, hij durft niet volgens zijn eigen oordeel te handelen, maar is bang voor de spot van zijn vrienden. Herodes is geen echte man. Zoals ook Pilatus dat niet is, want hij is ook bang voor zijn hachje, voor een ongunstig rapport naar de keizer in Rome, voor de volksmenigte die zich laat opruien. Pilatus is eigenlijk een lafaard en beantwoordt helemaal niet aan de klassieke eigenschap van mannelijke moed. Marcus met zijn scherpe opmerkingsvermogen en zijn vaardige pen heeft het heel precies voor ons uitgetekend.

Nu nog even naar Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs. Ik weet niet hoe u over Paulus als man denkt, maar ik denk: hij was een zeer mannelijke man. Als er één stoere apostel heeft rondgezworven door de toenmalige Romeinse wereld dan was hij het wel. Want waarmee gaat hij de boer op? Wat is zijn verhaal? Niets anders dan Jezus de gekruisigde! Je moet maar lef hebben, je moet maar durven om met zo’n loser op de proppen te komen en hem te presenteren als de overwinnaar “voor wie elke knie in de hemel en op aarde zich buige”. Maar Paulus durft dit aan, nadat hij – als een paasgeloof het licht heeft gezien. Maar hoe moedig Paulus ook is, hij is sterk genoeg om te bekennen dat hij zich zwak voelt, onzeker en angstig. Zijn mannelijkheid gaat gepaard met een kwetsbaarheid waarvoor hij zich niet schaamt. Kwetsbaarheid tonen, dienstbaar leiderschap, voor je geloof uitkomen, zijn zeker op de dag van vandaag trekken van het ideale manbeeld. Marcus had dat 2000 jaar geleden al in de gaten, hij tekende op die manier al een aantal van zijn mannen, van wie vandaag op het feest van zijn marteldood Johannes de Doper in het licht staat …

maandag 22 augustus 2022
Jesaja 7, 10 – 15 en Lucas 1, 46 – 52

Het feest Maria Koningin van hemel en aarde werd door paus Pius XII - met de encycliek Ad Caeli Reginam - ingevoerd in het jubeljaar 1954. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie wordt het gevierd op 22 augustus, een week na de Tenhemelopneming. Maria Koningin is geen dogma, zoals Tenhemelopneming wel is. Het is een eretitel. Als je de litanie van Maria erbij neemt dan zie je dat Maria 12 (13) maal koningin wordt genoemd, maar niet Koningin van hemel en aarde. Wel Koningin van de engelen, van de aartsvaders, van de profeten, van de apostelen, van de martelaren, van de belijders, van de maagden, van alle heiligen. Je kunt zien dat de litanie als een groeidiamant is behandeld, met naar mijn smaak wat rommelige aangroeisels; want als alle categorieën zo’n beetje zijn langsgekomen, heet Maria ook nog Koningin zonder erfsmet ontvangen en Koningin ten hemel opgenomen, waarin we de recente dogma’s terug zien. De Mariale Poolse paus, de heilige Johannes Paulus II, heeft er nog zijn toevoegingen aangeplakt, namelijk Koningin van de heilige Rozenkrans, Koningin van de vrede en Koningin van de gezinnen.

Vorige week vertelde ik dat ik met de Marialiedjes ben opgegroeid, vandaag voeg ik eraan toe: óók met het rozenhoedje en dus óók met de litanie van Loreto, want die kwam er altijd achteraan. Zo zat je als kind tussen je broers en zusjes, samen met je vader (als die niet naar zijn werk was) en je moeder te bidden: Allerreinste Moeder, Zeer kuise Moeder, Maagdelijke Moeder, Onbevlekte Moeder, Beminnelijke Moeder, Bewonderenswaardige Moeder, en het kon haast niet anders of deze titels straalden af op je zeer aardse moeder, je hardwerkende moeder, je vermoeide moeder die toch ook een bewonderenswaardige en beminnelijke moeder was. Het bid-voor-ons werd niet al te duidelijk gearticuleerd zodat het klonk als bifrons. Mysterieus en fascinerend waren de metaforen Spiegel van gerechtigheid, Zetel van wijsheid, Oorzaak van onze blijdschap, Geestelijk vat, Eerwaardig vat, Heerlijk vat van godsvrucht, Mystieke Roos, Toren van David, Ivoren Toren, Gouden Huis, Ark van het verbond, Deur van de Hemel, Morgenster. Het was toch prachtig, dat rijke roomse leven. Zullen we geestelijk traantje laten om al die kinderen die niet meer opgroeien met zo veel moois!

Over kinderen gesproken … dat leidt me naar de eerste lezing uit Jesaja waar koning Achaz uitgenodigd wordt om een teken uit de hemel te vragen. Wie zijn Nieuwe Testament kent zal opmerken dat Jezus later zal zuchten als men hem om een teken uit de hemel vraagt, want verdorie: hij is dat teken uit de hemel, al zal hij dat zo niet zeggen. Bij Jesaja heet het dat het teken uit de hemel een kind zal zijn dat de naam Immanuel draagt. Dat kind komt niet zo maar uit de hemel gevallen, dat gaat toch nog vrij natuurlijk: een jong meisje wordt zwanger en baart het kind, voilà. De christelijke traditie heeft in dat jonge meisje, in die jonge maagd, Maria herkend, de moeder van Jezus. Een gering meisje, maar helemaal openstaand voor God. Het Magnificat bezingt het bestel waarin alles ondersteboven gaat: de geringe wordt verheven, het eenvoudige meisje wordt koningin. De taal van het hart, van de liefde, heeft voor dit eenvoudige meisje een litanie aan titels verzonnen. Maria kon alleen maar koningin van hemel en aarde worden, omdat en nadat ze koningin van de harten was geworden, de harten van de gelovigen ....

maandag 15 augustus 2022
Apocalyps 11, 19a + 12, 1 – 6a; 1Kor. 15, 20 – 26; Lucas 1, 39 – 56

Maria Tenhemelopneming is in een aantal opzichten een fantastisch feest. Ik probeer naar dit dogma gelovig en ongelovig te kijken, kritisch en onkritisch, poëtisch en zangerig.

Het dogma van Maria Tenhemelopneming werd in 1950 afgekondigd. Afgezien van Marleen hebben we allemaal in ons leven nog meegemaakt dat de rkk met onfeilbaar leergezag verklaarde dat Maria, de moeder van de Heer, met ziel en lichaam in de hemel is opgenomen. Het credo van Nicea en Chalcedon is iets van de eerste eeuwen van het christendom, de dogma’s van Maria Onbevlekte Ontvangenis (1854) en Tenhemelopneming (1950) iets van de laatste eeuwen van het christendom. Misschien zijn het ook inderdaad de laatste en is de Wederkomst en het Einde aanstaande. Veel verschijnselen in onze wereld lijken daarop te wijzen.

Uit het Maria-boek van Wiel Logister, Maria, een uitdaging (Averbode, 1995) haal ik veel inspiratie voor dit woord. Ik leer dat deze dogma’s niet vergezeld gingen van anathema’s, de gebruikelijke vervloekingen voor het geval je niet gelooft. De kerk gaf de gelovige wat vrijheid om niet te geloven, heel bijzonder. Die voorzichtigheid was wel geraden, want de orthodoxe christenheid, die overigens Maria in haar ikonen een belangrijke plaats geeft in de ikonostase, deed niet mee. Om van het protestantse deel van de christenheid maar te zwijgen. Bernardus van Clairvaux (1090 – 1153), een van de grootste Maria-theologen van de middeleeuwen, wiens feest we over vijf dagen vieren, zei eens: de Maria numquam satis, d.w.z. over Maria kun je nooit genoeg zeggen. Maar zelfs Bernardus was niet op de gedachte gekomen om Maria Onbevlekt te laten ontvangen en met ziel én lichaam ten hemel te laten opnemen, althans dat te geloven voor te houden. Het Oosters christendom en het Westers protestantisme is van mening dat de rkk met beide dogma’s uit de bocht is gevlogen. Inhoudelijk komt de kritiek er op neer dat Maria een te zelfstandige rol krijgt toebedeeld in de verlossing en haast gelijk wordt gesteld aan Christus terwijl ze een teken moet blijven van de incarnatie, daaraan ondergeschikt en dienstbaar. In de Constitutie over de Kerk heeft Vaticanum II benadrukt dat Maria als gelovige aan de kant van de kerk staat en er niet op grond van privileges boven uit steekt. Haar plaats is in de kerk, niet boven de kerk; zij is immers niet de oorsprong van de kerk en staat niet naast Christus tegenover de kerk. Hoogstens staat Maria als eerste gelovige en als type van de kerk in een moederlijke verhouding tot de kerk, vergelijkbaar met de wijze waarop Israël de wortel van de kerk is.

Voor de liturgie van vandaag heeft de kerk drie teksten gekozen die als het ware body geven aan de spirit van het feest. De tekst uit het evangelie van Lucas lijkt een soort selffulfilling prophecy, want het is inderdaad zo wat hij Maria laat zeggen in 1, 48 – 49: “Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen, ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan.” En Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs schuift onder het dogma een soort redenering: “Zoals allen sterven in Adam, zo zullen allen ook tot leven komen in Christus. Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eersteling Christus, vervolgens bij zijn komst, zij die Christus toebehoren” (1Kor. 15, 22-23). Met een beetje goede wil – en waarom zouden we dat niet zijn ten opzichte van de zoete lieve Moeder – kun je die rangorde van toepassing verklaren op Maria: als wij die Christus toebehoren tot leven zullen komen dan toch op de eerste plaats Maria wel. Als eersteling ná Christus opgenomen worden in het nieuwe leven van Gods eeuwigheid: met ziel én lichaam. Die ziel geloofden wij – oude dualisten als we zijn met diepe wortels tot aan Plato – misschien nog wel, maar het lichaam!? Dat vergaat toch tot stof en as? Ja, ook het lichaam zegt het dogma, en dat is een reden waarom ik het een fantastisch dogma noem. Tegen een heel oude traditie van lichaamsvijandigheid in doet de Kerk de stoere uitspraak dat ook het lichaam deelt in de verlossing en in de verheerlijking, en daarmee is de kerk nu eens niet dualistisch maar monistisch: ziel en lichaam zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Bij Maria kun je dat zien of mag je dat geloven. En als er één schaap over de dam is …

Nu nog die derde tekst die de kerk heeft geselecteerd, uit de Apocalyps (11, 19a. 12, 1 – 6a) . Wie schrijft die tekst? Johannes de ziener, de dromer, de fantast. Op Patmos schrijft hij het volgende: “Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. Ze was zwanger (vers 1 en 2a). Maar toen ze het kind gebaard had – een zoon, die alle volken met ijzeren herdersstaf zal hoeden – werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon.” Het indrukwekkende teken is een vrouw, een lichamelijke vrouw met hoofd en voeten en een dikke buik. Gekleed in een zonnejurk, de maan als haar piëdestal en een diadeem van twaalf sterren op haar hoofd; een sieraad hoort bij de uitmonstering van een vrouw. Maar dit is pure poëzie! De kerk heeft poëzie verdogmatiseerd in het dogma dat we vandaag vieren. Van mij mag het, ik ben geen Oosters christen, noch een protestant, maar een katholieke jongen die van kinds af aan vertrouwd is met de liederen:

Wees gegroet, o sterre
Wees gegroet van verre
Op uw zacht en zalig licht
Houden wij het oog gericht
Wees gegroet, wees gegroet, Maria!

O reinste der schepselen, o Moeder en Maagd
Gij, die in uw armen het Jezuskind draagt
Maria, aanhoor onze vurige beê,
Geleid ons door ‘t leven, o sterre der zee.

Gebenedijd zijt gij!
De dood komt aangedreven;
O Moeder, maak ons blij,
Na dit, in ‘t ander leven!
Gebenedijd zijt gij!

Zo kan ie wel weer. Amen.

maandag 8 augustus 2022
Ezechiël 1, 2 – 5.24 – 28 en Matteüs 17, 22 – 27

Komende weken leest de kerk uit de profeet Ezechiël, vandaag horen we hoe zijn roeping tot stand kwam. Eerst was er het visioen. Er komt een storm in het noorden opzetten, de aanstaande profeet ziet grote wolkenmassa’s waaruit vuur opflitst. In de wolken tekenen zich vier gestaltes af die op vier levende wezen lijken. Ja, wolken kunnen de fantasie aan het werk zetten; ik herinner me dat kinderspel: welke figuren zie je in de wolken? Of ze het nog steeds doen vraag ik me af; de smartphone heeft veel kinderspelletjes verdreven. Ezechiël ziet vier gestaltes die op levende wezen lijken: hij heeft dus een stier gezien, een adelaar, een leeuw en een jonge man – gestaltes die later werden geïdentificeerd als de vier evangelisten, evangelisten die de voornaamste inspiratiebron werden van de dominicanen, de predikheren gesticht door de heilige van vandaag Dominicus. In die wolken zat dus behoorlijk veel heilsgeschiedenis verstopt. Eerst het visioen en dan de stem. De stem van de Almachtige klinkt als het bruisen van machtige wateren, als het rumoer in een legerplaats. Dat laatste klinkt voor onze pacifistische oren niet prettig, maar in Oekraïne zal dat beeld wellicht als treffend worden ervaren. Ook te midden van het oorlogsgeweld wordt de stem van God gehoord en gaan jonge mensen – de eerder genoemde smartphonegeneratie – er toe over om zich in de verwoeste dorpen te melden om puin te ruimen, steen voor steen aan elkaar door te geven, om plaats te maken voor een nieuwe toekomst. Misschien heeft u die beelden ook gezien. Evenals de gloed waar Ezechiël over spreekt gloeien die jongeren van motivatie en vreugde over de zinvolheid van hun inzet. Beter dan met Tinder zullen ze daar contacten leggen, een gezel (lhbtqia +) vinden voor het leven.

Wat ik met het verhaal uit Matteüs aan moet, van die stater uit de bek van een vis waarmee Petrus de belasting kan betalen voor hemzelf en Jezus: ik zou het niet weten. Als het niet zo oneerbieding klinkt zou ik zeggen dat het een flauwekulverhaal is. De leken-dominicaan Erik Borgman in zijn boek Alles nieuw (2020) doet er niets mee. Maar zijn geestelijke vader, de dominicaan Edward Schillebeeckx heeft erover geschreven in zijn magistrale boek Jezus, het verhaal van een levende (1974). Ik citeer: “Dit motief uit oude fabels was toen algemeen bekend (vooral in de vorm van een kostbare parel in de bek van een vis). Duidelijk is dat hier een fabelmotief gebruikt wordt om gewoon te zeggen dat Jezus alles bij de hand heeft als hij het nodig mocht hebben, omdat de Vader voor hem zorgt. Geen van de toenmalige lezers heeft de tekst in letterlijke zin opgevat. Zij begrepen hem veeleer als een parabel, die het kerugma moet verduidelijken. Daarom is het zo moeilijk al wat in de evangeliën als wonderbaarlijk voorkomt onder het algemene begrip wonderverhalen te brengen; een gamma van gevarieerde genres valt daaronder, en zij komen ook niet alle uit de wonderoverlevering” (a.w. blz. 155). Schillebeeckx noemt Mt 17, 27 (de stater in de bek van de vis) een “niet-wonder”, een veraanschouwelijking van het geloof dat wie eerst het rijk Gods zoekt al de rest toegeworpen krijgt. En dat is natuurlijk géén flauwekul, waar of niet?

Nog iets over Dominicus. Van hem wordt gezegd dat ie mensen inspireerde door zijn opgewekte aard, praktische instelling en scherp oog voor de tekenen van de tijd. Hij richtte een dynamische orde op met als hoofdtaken prediking en zielzorg. Ook kregen de 'domini canes' oftewel 'honden van de heer' een grote rol te spelen in de kerkelijke Inquisitie. Dat laatste lijkt me niet iets om trots op te zijn. Wat we van de Inquisitie weten komt eerder in aanmerking voor plaatsvervangende schaamte. Te gemakkelijk werden mensen door de Inquisitie op de brandstapel gegooid: ketters, heksen, roodharigen, mensen met afwijkende meningen of levenswandel, bijvoorbeeld vrouwen die in mannenkleding rondliepen zoals Jeanne d’Arc. De naam Dominicus wordt tegenwoordig weinig meer gegeven. In plaats daar van is de variant Dominique populair geworden. Deze naam wordt zowel aan jongens als meisjes gegeven. Uit een recente telling van voornamen bleken 8.000 vrouwen en 3.000 mannen Dominique te heten. Dominique is dus een handige naam in een tijd waarin steeds meer kinderen een binaire identiteit omarmen of zich als transgender presenteren. Die goede oude Dominicus (1170 – 1221) zou dat in zijn stoutste dromen niet gedroomd kunnen hebben ….

maandag 1 augustus 2022
Jeremia 28, 1 - 17 en Matteüs 14, 13 – 21

Alleen willen zijn en dan tot de ontdekking komen dat je met een menigte bent, met zo’n vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegeteld. Jezus maakt het volgens het verhaal van Matteüs mee. De mensen zijn ziek en hebben honger en Jezus heeft met ze te doen. De leerlingen zien het hopeloze van de situatie in, ze komen met het uiterst zinnige advies om ze weg te sturen naar de dorpen in de omgeving zodat ze daar voor zich zelf eten kunnen kopen. Maar ik geloof dat Jezus weinig vatbaar is voor zinnige adviezen. Hij denkt vanuit een heel andere orde, hij hanteert een logica die tegen het gezonde verstand in gaat; hij lijkt wel met zijn hoofd in de wolken te lopen. “Jullie moeten hun te eten geven.”

Onlangs was ik in de gelegenheid om de aartsbisschop van Blantyre, Malawi, te spreken, Thomas Msusa (1962). We hadden alle tijd en we konden over veel dingen praten, over de toestand van het land, politiek, economisch, kerkelijk. Het hielp dat ik 40 jaar geleden een maand in Malawi was, dus ik kon herinneringen ophalen en met hem praten over plaatsen en gezamenlijke kennissen. Malawi staat in de statistieken als een van de armste landen ter wereld; lange tijd stond het bovenaan, tegenwoordig staat het op de zesde plaats. In het voorjaar was orkaan Anna over het zuiden van Malawi geraasd en had veel vernield. Oogsten mislukken vaak en de honger is nooit ver weg. Toen we het over de kerkelijke situatie hadden bleek ook die moeilijk. De islam is in Malawi in opmars ten koste van het christendom. Mijn zegsman had trouwens een merkwaardige achtergrond: hij was geboren in een familie van moslims, maar toen zijn moeder stierf, hij was toen nog heel jong, was hij elders door een oom opgevoed, een oom die katholiek was in een dorp waar een katholieke kerk stond. Toen hij twaalf jaar was wilde Thomas de eerste communie doen, en daartoe liet hij zich eerst dopen. Omdat het werk van de pastoor hem aantrekkelijk voorkwam wilde hij priester worden en zo ging hij naar het kleinseminarie. Hij werd pater montfortaan, bisschop en aartsbisschop. Zijn bekering werd hem niet in dank afgenomen – afvalligheid ligt moeilijk in de islam, het kan je dood zijn – maar nu hij als aartsbisschop een figuur van statuur is vertelt hij overal waar hij komt: een mens heeft een keuze, in de godsdienst moet geen dwang zijn. Hij heeft nog zijn bejaarde vader mogen dopen. Ik vroeg hem waarom de islam zo aantrekkelijk is, waarom de islam terrein verovert op het christendom. Hij zei: dat is heel eenvoudig. Overal in de dorpen komen er moskees en die moskees hebben geld om kunstmest en eten te kopen en zij delen dat uit aan mensen die gebrek lijden. Toen dacht ik aan de uitspraak van Jezus die we vandaag in het evangelie horen: “Jullie moeten hun te eten geven.”

Wat voor eten hebben wij nodig? Geestelijk voedsel natuurlijk, want aan het voedsel der aarde ontbreekt het ons niet. En wat kan Alphonsus Maria Liguori voor ons betekenen? Wij die zeer oud zijn, lijdend aan veelsoortig gebrek en ongemak, vaak gedeprimeerd en der dagen zat? Wel, als heiligen bedoeld zijn om ons moed in te praten en ten voorbeeld te zijn, luister dan naar een beschrijving van de laatste levensfase van de stichter der redemptoristen (uit: heiligen.net): “In de laatste tien à twintig jaren van zijn leven ging zijn gezondheid almaar achteruit. Hij had overal pijn, groeide krom van de jicht, werd doof en zo goed als blind, terwijl ook zijn verstand ernstig achteruitging. Maar zijn allerergste beproeving was wel dat hij in ongenade viel bij de paus en dat er in zijn religieuze congregatie een scheuring ontstond. Op zulke momenten van zwaarmoedigheid liet hij zich graag voorlezen uit zijn eigen boek over Maria, en knapte er prompt van op. Hij stierf op 1 augustus 1787 te Norcera dei Pagani (bij Napels) ruim negentig-jaar oud.” Als u het dus moeilijk heeft, denk dan aan de heilige Alphonsus Maria, lees een goed boek over Maria daar knap je van op. En troost je met de gedachte dat je in ieder geval niet in ongenade bent gevallen bij de paus. Ik laat Jeremia vandaag maar met rust, genoeg gejeremieer … Overigens weten we sinds het mea-culpa bezoek van Franciscus aan Canada dat de paus het wat kalmer aan gaat doen. Ook hij wordt bezocht door kommer en kwel …

maandag 25 juli 2022
2 Korintiërs 4, 7 – 15 en Matteüs 20, 20 – 28

Onlangs was ik met mijn twee jongste dochters aan het zwemmen, niet in een druk zwembad, maar in een grote plas waar we bijna de enige zwemmers waren. Maar kijk daar was nog een zwemster. Ze riep ons toe: wat is het water toch lekker hé, wat is het fijn om hier te zwemmen, dat nemen ze ons niet meer af. Na een halve minuut kwamen m’n dochters met hun opmerkingen; beiden waren zich af aan het vragen of die uitlating getuigde van een positieve of negatieve levensinstelling. Je kunt het leven zien als iets waar “ze” voortdurend bezig zijn je iets af te nemen. Je kunt het leven ook zien als iets waar je zo maar goede dingen ten deel vallen, zoals lekker zwemwater. Maar wie zou dat van je willen afpakken? Ik dacht dat de uitlating misschien een uiting was van een dankbare levensinstelling, wel met het besef dat uiteindelijk alles van je afgepakt wordt, maar deze zwemervaring zal in der eeuwigheid van jou blijven en niet afgenomen worden.

In het evangelie is de moeder van de zonen van Zebedeüs - de broers Jakobus en Johannes worden om een of andere reden niet met name genoemd, uit een andere passage weten we dat het over hen gaat – ambitieus. Ze vraagt dat die twee jongens van haar in het Koninkrijk een plaats krijgen naast Jezus, de een rechts en de ander links. Ik stel me voor dat ze op de vele wandelwegen zo ook naast Jezus liepen, de een rechts en de ander links, zoals ook mijn dochters rechts en links van mij zwommen. Ze stelt zich voor dat die posities niet meer afgepakt zullen worden, maar bestendigd in het eeuwig Koninkrijk. Weet wat je vraagt. We kennen die navrante passage aan het eind van Jezus’ leven waarin twee misdadigers gekruisigd worden, de een links en de ander rechts van Jezus. Het zijn niet altijd begerenswaardige plaatsen.

Kijken we naar de lezing uit 2 Korintiërs 4, 7 – 15. Ik moet bij deze tekst denken aan het overlijden van Remco Campert (Den Haag 29 juli 1929 – Amsterdam 4 juli 2022) de man die in zijn en onze jonge jaren het leven vurrukkulluk noemde. Dat is het ook. Maar je wordt oud, en je ontdekt dat het niet alleen vurrukkulluk is. Het leven is ook – zoals Fokke & Sukke heel geestig meldden daags na het overlijden van Campert – vurschrukkulluk. Dat wist hij zelf ook: de dichter van de lichte, jeugdige toets was gaandeweg ernstig geworden. In het gedicht Lamento drukt hij dat uit hakkelend, stamelend, snikkend: ik dacht dat ik altijd, ik dat dat jij nooit. Halve onafgemaakte zinnen die telkens terugkeren waarin teleurstelling zit, ontgoocheling, smart in contrast met de verwachting dat het altijd goed zou gaan, dat jij altijd bij me zou blijven, dat we alleen maar gelukkig zouden zijn. Dit verlangen noemt Paulus “een schat in een aarden pot”. Die schat is kostbaar maar kwetsbaar. “Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee. Voortdurend worden wij tijdens ons leven aan de dood uitgeleverd omwille van Jezus. Zo is de dood aan het werk in ons.” Wat is de levensinstelling van Paulus? Als je die zinnen leest zou je zeggen: negatief. Maar ik heb slechts de helft van zijn zinnen geciteerd, want hij zegt ook: “wij sterven opdat ook het leven van Jezus zich in ons openbaart.” Dat negatieve wordt in Jezus omgebogen naar het positieve. Op het lamento volgt christelijk gezien het alleluja. Tot slot nog even over Zebedeüs, zvadja in het Hebreeuws wat “geschenk van Jahwe” betekent. Hier komt in ons verhaal opnieuw het geschenk terug. Zebedeüs is een geschenk dat “ze” niet van ons zullen afpakken en al helemaal niet op de dag dat we de feestdag van zijn zoon Jakobus vieren …

maandag 18 juli 2022
Micha 6, 1 – 4.6 – 8 en Matteüs 12, 38 – 42

Een sterke tekst die van Micha! Een rechtsgeding tussen de God van Israël en zijn weerspannig, ondankbaar, vergeetachtig volk. Waar gaat het over? Het volk vergeet de grote weldaden van God: de verlossing uit het slavenhuis Egypte, de goede leiding van Mozes, Aaron en Mirjam richting het beloofde land. Dat vergeten is een ondankbaar vergeten – het heeft niets met dementie te maken – want als het geheugen door de profeten wordt opgefrist is het volk weerspannig. Het volk deugt niet, heeft nooit gedeugd en zal nooit deugen. Ik denk dat je zo adequaat een anti-populistische geschiedfilosofie kunt formuleren. En wat nu zei Pichegru. Waarmee kan dit weerspannige, ondankbare en vergeetachtige volk het goedmaken met de God van Israël? Brandoffers van eenjarige kalveren? Zou dat wat zijn? Duizenden rammen, tienduizenden bekers olie? De eerstgeborene offeren? De laatste suggestie is schokkend: het mensenoffer, het eerstgeboren kind opofferen om God tevreden te stellen? De andere suggesties lijken veel op afkopen. Alle suggesties samen getuigen van een primitieve religiositeit en van een diep onbegrip inzake de God van Israël. De profeten van Israël hebben er hard aan getrokken om die primitieve religiositeit om te buigen en Israël naar een beter godsbegrip te brengen. Wat moet het dan wel zijn? Wel, de profeet Micha weet het, hij schreeuwt het niet van de daken maar vanaf de bergen en de heuvels. Wat verlangt de HEER, de God van Israël van zijn volk? Dat het recht doet, niets anders dan dat het recht doet, de trouw eerbiedigt en dat het nederig wandelt met God. Niets anders. Ik moet er wel een beetje om lachen, grimlachen eerder, want recht doen … wat betekent dat in de praktijk van conflicterende belangen? Wat is recht doen aan de boeren, als je óók recht wil doen aan het dierenwelzijn, recht aan de biodiversiteit, recht aan de bodem-, water- en luchtkwaliteit, recht aan het klimaat? Wat is recht doen in onze manier van leven als we in ogenschouw nemen de mensen die niets of weinig hebben en de grootste moeite om überhaupt in leven te blijven? Hoe kunnen we in concreto trouw blijven aan de aarde en aan alle schepselen Gods? Ja, we hebben veel reden om nederig en bescheiden te zijn. De laatste oproep van Micha: nederig wandelen met God is een goeie, alleen is wel de vraag of God nog met ons wil wandelen.

Wat zou Jezus daar van vinden? Je zou kunnen zeggen dat sinds God wandelde met Adam en Eva in het aards paradijs, er niet meer zo close met Hem gewandeld is dan met Jezus, “de Zoon in wie Hij vreugde vindt”. Jezus heeft veel gewandeld, met de 12 en met de andere leerlingen, met de vrouwen die hem vergezelden en hem van dienst waren tot aan het graf. Kijken we naar luttele verzen in Matteüs. Jezus heeft er een hard hoofd in. Na al dat wandelen en weldoende rondgaan, de zieken die hij genas, de demonen die hij uitdreef: het kwartje wil maar niet vallen. Ze vragen een teken uit de hemel. Ook hier weer die primitieve religiositeit waaraan Jezus niet tegemoet wil komen. Als hij aan het kruis hangt zeggen ze: kom van het kruis af, dan zullen we geloven. Geen ander teken dat het teken van Jona, zegt Jezus. Jona verbleef drie dagen en nachten in de buik van het zeemonster, de Mensenzoon zal in de schoot van de aarde liggen en dan opstaan uit de dood. Dat is nog eens een teken! Voor wie dat gelooft is er de mogelijkheid de draad op te pakken, de wandeling te hervatten … in Galilea waar Hij ons voorgaat.

maandag 11 juli 2022
Spreuken 2, 1 – 9 en Matteüs 19, 27 – 29

We vieren vandaag Benedictus, abt, patroon van Europa. Benedictus (480 – 547) is niet de eerste de beste abt, want hij wordt beschouwd als de vader van het kloosterleven in de Latijnse kerk. Zijn regel voor de monniken, zijn dagorde van bidden en werken, is door nagenoeg alle vormen van kloosterleven overgenomen, door contemplatieve én actieve religieuzen. Leken – dat zijn mensen die niet in kloosterverband leven of beroepsmatig in de clerus zijn ingeordend – kunnen hun voordeel doen met zijn grote wijsheid door in hun hectische leven een gezonde afwisseling in te bouwen van werk en rust, van actie en inkeer. Misschien is Benedictus als abt toch wel de eerste en de beste. Patroon van Europa? Wat moeten we daar van denken? De kerk heeft allerlei patronen van Europa, zonder uitzondering allemaal religieuze vrouwen en mannen. Ik vind dat komisch, getuigend van een speciaal soort humor in het Vaticaan want daar worden dergelijke titels uitgedeeld. Of het veel impact heeft op de Europese instituties waag ik te betwijfelen. Ik denk niet dat Ursula von der Leyen en Frans Timmermans met hun collega’s in de Europese Commissie vandaag bij de koffie taart hebben of kloostermoppen en dat iemand vraagt: wat is het feestje? Antwoord: vandaag is het de heilige Benedictus, patroon van Europa.

Het kloosterleven in de Latijnse kerk maakt zware tijden door. Misschien kan het niet anders, want om God te zoeken binnen het eeuwenoude verband van kloosters en abdijen, daar moet je haast voor in de wieg gelegd zijn. Ik ontmoette onlangs een jonge man die vlak voor de plechtige geloften was weggegaan bij de benedictijnen. Hij vond het een prachtig leven, het getijdengebed en de zang spraken hem aan, maar hij kon de druk van de verwachtingen niet aan die in hem gesteld werden. Je zult maar de hoop zijn van een kleine groep oude, zeer oude mannen die in jou de toekomst zien. Ook zag hij weinig ruimte voor nieuwe wegen, integendeel: de mentaliteit van andere jonge mannen was eerder vasthouden aan het oude.

Wat is de core business van een monnik? Ik heb het aan verschillende ervaren monniken kunnen vragen en het antwoord was altijd: God zoeken. Ik heb me wel eens verbaasd over dat antwoord: zeg je daarmee dat het altijd zoeken is en niet vinden? Laten we eens kijken naar de lezingen. In Spreuken vinden we dat woord ook: zoeken. In Spreuken zoek je naar wijsheid en onze tekst zegt: “Als je ernaar zoekt als naar zilver en speurt als naar verborgen schatten, dan zul je de vrees voor de HEER verstaan en vind je de kennis van God.” Bij Matteüs heeft Petrus een punt als hij zegt: Kijk, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. Wat zullen we dan krijgen, wat levert het op? Jezus geeft een antwoord dat niet vrij is van absurditeit: het honderdvoud aan huizen, broers, zusters, vader, moeder, kinderen, landerijen en deelhebben aan het eeuwig leven.

In VolZin van juni 2022 is het emeritus-predikant Henk Kroese die naar woorden zoekt voor God en geloven. Die vindt hij vooral bij dichters. Zo bij Hans Andreus voor wie het woord licht van het allergrootst belang is:

Gelukkig dat
het licht bestaat
en dat het met
me doet en praat

en dat ik weet
dat ik er vandaan
kom, van het licht
of hoe dat heet.

Kroese probeert ook woorden te vinden, ik lees twee van de vijf strofen: het is zoeken, gevonden worden en weer zoeken …

U bent de bron van mijn gebed.
Voor wie mij liefheeft, wil ik heten!
Maar als ik U wil vangen in mijn weten
zoek ik vergeefs en proef ik uw verzet.

U weet mij steeds opnieuw te vinden!
In mijn gebed spreekt U mij aan
in mijn lied kunt U bestaan –
U maakt mij van een ziende blinde.

maandag 4 juli 2022
Hosea 2, 16.17b-18.21-22 en Matteüs 9, 18 – 26

Gender is tegenwoordig een ding. Het besef baant zich steeds meer een weg door onze cultuur dat man of vrouw zijn niet enkel een kwestie is van biologie of geslachtskenmerken, maar ook en vooral zelfs van rolpatronen, culturele opvattingen en zelfbeelden. Ook exegeten houden zich met gender bezig en lezen de bijbel opnieuw met die belangstelling. Feministische theologen hebben daarbij de weg gewezen – zoals vrouwen in religiosis heel vaak de weg wijzen – door aandacht te vragen voor de vrouwen in de bijbel. In het voetspoor van die theologen zijn er nu gendertheologen die kijken naar mannen. Welk beeld van mannelijkheid komt daar naar voren? Peter-Ben Smit kijkt naar Mannen in Marcus, ondertitel: gender in de oudste biografie van Jezus (VU University Press 2022), ik ga daar zeker op terug komen. Niet vandaag, want we lezen uit Matteüs.

Eerst naar Hosea, de profeet van wie we met wat knip- en plakwerk enkele verzen lezen. Aan het woord is de God van Israël die zijn volk als een vrouw ziet: “Daarom lok ik haar binnenkort naar Mij toe, zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek Ik tot haar hart. Vervolgens geef ik haar de wijngaarden terug.” God is hier een viriele man, een minnaar die weet hoe hij een vrouw moet verleiden: eerst haar naar een eenzame plaats lokken, dan tot haar hart spreken en ten slotte mooie dingen geven. Het effect van die acties staat een paar verzen verderop: “Op die dag zult u tot Mij roepen: Mijn man! Nooit meer roept u Mij dan toe: Mijn Baäl.” Baäl is de concurrent van de God van Israël die zich hier laat kennen als een jaloerse God; hij duldt geen mededingers. Als vrouw Israël dus geroepen heeft: Mijn man, zegt Hij op zijn beurt: “Ik neem u als mijn bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in goedheid en mededogen, als mijn bruid in trouw.” Ik geloof niet dat hier veel onduidelijkheid is over gender. Elders in het Oude Testament zijn wel teksten te vinden die een ander licht werpen op de zogenaamde mannelijkheid van God, maar daar heb ik het nu niet over.

Nu naar Matteüs. Is dat een duidelijk verhaal? Allerminst! Er komt een vooraanstaand man naar Jezus die zich voor hem neerwerpt. Dat is nogal wat, zo’n opzichtig teken van onderdanigheid of onderworpenheid, je verwacht het niet van vooraanstaande mannen. Zijn dochter is gestorven en hij vraagt vanuit zijn neergeworpen positie of Jezus haar de hand op wil leggen, dan zal ze weer leven. Een heel vreemd verzoek, misschien hoogstens verklaarbaar als je in rekening brengt dat de man in de war is, wat weer begrijpelijk is als je dochter zojuist gestorven is. Maar ook als je in de war bent, dan nog kun je toch niet de verwachting hebben dat de handoplegging van een rondtrekkende leraar je dochter weer levend zal maken? Vreemd, vreemd. Maar Jezus staat op en beweegt zich op weg naar het huis van de man, samen met zijn leerlingen die ook geen tekenen vertonen dat er iets geks gevraagd is. Dat komt er een tussendoor verhaal van de vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies lijdt, en die genezen wordt door de zoom van Jezus’ mantel aan te raken, maar vooral door vertrouwen in hem te hebben. Na dat intermezzo komen Jezus, zijn leerlingen en de vooraanstaand man, de vader van het dode meisje, aan op de plaats waar ze wezen moeten. Daar zijn de rouwrituelen losgebarsten: een luid weeklagende menigte en fluitspelers, een tafereel dat benadrukt dat de man die zich tot Jezus heeft gewend niet van de straat is. Jezus zegt de ingehuurde rouwacteurs: ga maar naar huis, het meisje is niet gestorven, ze slaapt. Ze lachen hem uit. Drie dingen vind ik heel vreemd. Eerstens is Jezus niet het huis binnen gegaan om de toestand van het meisje te beoordelen, tweedens zegt hij dat de vooraanstaand man niet het verschil zou kunnen zien tussen slapen en gestorven zijn, en derdens: dat ze hem uitlachen! Daarmee lachen ze niet alleen Jezus uit, maar ook de vooraanstaand man, en me lijkt: je past wel op voordat je een aanzienlijk man in zijn gezicht uitlacht. Maar goed, Jezus gaat – ik zou haast zeggen zijn goddelijke gang, hij legt haar niet de hand op, maar pakt haar bij de hand en ze staat nog op ook. Levend en wel. Een raar verhaal. Wat me nu weer niet verwonderd is de slotopmerking van Matteüs, namelijk dat dit verhaal zich verspreidde in heel de omgeving. Het verspreidde zich ook in de tijd, tot in onze tijd aan toe. En we zijn nog even verbaasd als de mensen toen …

maandag 27 juni 2022
Amos 2, 6 – 10.13 – 16 en Matteüs 8, 18 – 22

Meester, Ik zal U volgen, waar U ook gaat. Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.’

In de evangelies komt het niet vaak voor dat iemand uit zich zelf voorstelt Jezus te volgen. Meestal is het zo dat een mens geroepen wordt, het initiatief gaat uit van Jezus, of naar zijn diepste diepte gedacht: van God. In het fragment uit Matteüs komt het initiatief van een schriftgeleerde, een categorie mensen die doorgaans sceptisch staan tegenover Jezus. Je zou dus verwachten dat Jezus positief zal reageren. Doet hij dat dan niet? Hoe lees je zijn antwoord? Het is een vreemd antwoord: vossen hebben een hol, vogels een nest. De suggestie is: Waar denk jij, schriftgeleerde, dat jij een soort hol of een nest zult hebben als je de Mensenzoon volgt die nergens het hoofd kan neerleggen? Denk eens aan je boekenkast, je schrijftafel en je pennenbakje. Daarvoor is geen plaats als je de Mensenzoon volgt, is de suggestie. En is dat werkelijk wat je wilt? Matteüs vertelt ons niet wat de reactie van de schriftgeleerde is. Hij zwijgt daarover, en zijn zwijgen is veelzeggend. Waarschijnlijk heeft de schriftgeleerde gedacht: ach, laat ook maar. Zo wordt hij tot een gesjeesde volgeling van Jezus.

Ik was onder de indruk van het verhaal in Trouw op woensdag 15 juni in de reeks waarin Trouw-lezers hun zingevingsverhalen vertellen. Op 15 juni was het de gesjeesde theoloog Vincent van de Vrede (1980). “Gesjeesd” noemt hij zich zelf, dat is niet een etiket dat Trouw op iemand zou plakken. Hij vertelt dat ie is opgegroeid in een volkomen onkerkelijk milieu; als kind van elf raakte hij gefascineerd door Jezus. Hij werd gegrepen door de verhalen uit de evangelies, hij kreeg het gevoel dat er een persoonlijke verbinding met God ontstond. Hij werd op school gepest, niemand begreep hem, maar hij zette door en ging zelfs theologie studeren. Hij zag het al voor zich: dominee Vincent van de Vrede. Kun je een mooiere naam hebben als dominee? Hij ontmoette op Rhodos een Griekse, ze werden verliefd en ze geloofden dat ze voor elkaar bestemd waren. Het meisje had zo mogelijk een nog groter geloof in Jezus, want het knobbeltje in haar borst liet ze niet behandelen, ze geloofde dat Jezus haar zou redden. Niet dus. Zelf kreeg Vincent grote gezondheidsproblemen, voortdurende duizeligheid, een chronische verstoring van sensor-motorische prikkels. Zijn leven werd een pittige dans met gezondheidsklachten, zo noemt hij het, en intussen verloor hij zijn geloof in Jezus en die verbinding met God. Hij gelooft nu enkel nog dat hij bestaat, dat zijn twee kinderen bestaan voor wie hij zo veel liefde voelt, en dat wij samen de maatschappij maken. Hij is geen dominee geworden, maar een soort schriftgeleerde; hij heeft een tekstbureau en een online antiquariaat van boeken op het gebied van sterrenkunde. Een gesjeesde theoloog, maar wel een schriftgeleerde.

Bij het vers van Matteüs moet ik denken aan een welbekend lied van Huub Oosterhuis:

Een mens te zijn op aarde,
is eens voorgoed geboren zijn,
is levenslang geboortepijn.
Een mens te zijn op aarde
is leven van de wind.

De bomen hebben wortels
de bomen mogen stevig staan
maar mensen moeten verder gaan.
De bomen hebben wortels
maar mensen gaan voorbij.

De vossen hebben holen
de mensen weten heg noch steg
zijn altijd naar hun huis op weg.
De vossen hebben holen –
maar wie is onze weg?

De mensen hebben zorgen
het brood is duur, het lichaam zwaar,
en wij verslijten aan elkaar.
Wie kent de dag van morgen?
De dood komt lang verwacht.

Een mens te zijn op aarde
is pijnlijk begenadigd zijn
en zoeken, nooit verzadigd zijn,
is rusten in de aarde
als alles is volbracht.

Hoe zullen wij volbrengen
wat door de eeuwen duren moet;
een mens te zijn die sterven moet?
Wij branden van verlangen
tot alles is voltooid.

maandag 20 juni 2022
2Koningen 17, 5 – 8.13 – 15a en Matteüs 7, 1 – 5

De splinter en de balk, het is een prachtig spreekwoord over oordelen dat ruime bekendheid heeft gekregen in onze taal. Over de balk in het eigen oog heb ik het vorige week gehad, die zien we echt wel. Er is onder lezers van kwaliteitskranten en nieuwsrubrieken van de NPO – zo veel zelfkritiek dat het door populisten wel eens wordt afgedaan als “linkse zelfhaat”. In het evangeliefragment van vandaag vraagt Jezus ons om niet te oordelen. Hoe moeten we ons dat voorstellen, we zijn voortdurend aan het oordelen, we zijn een soort oordeelmachines die constant aan staan. In de roman van Karl Ove Knausgârd (De Morgenster, 2021) komt een personage voor, Egil heet hij, die gegrepen is door deze oproep van Jezus om niet te oordelen, om de bloemen en de vogels tot voorbeeld te nemen. Ik zal een stuk citeren (met enkele weglatingen) om te laten zien hoe hij dat verwoordt.

“Ik las over het razen van de zee, over het ruisen van het bos, en toen ik las dat bidden niet spreken was, maar zwijgen, omdat het koninkrijk van God alleen in stilte kon komen, kwam het koninkrijk van God. Het koninkrijk van God was het nu. De bomen, de zee, de lelies, de vogels, die waren altijd in het nu. Die kenden geen toekomst of verleden. En ook geen angst of vrees. Wat de vogel overkomt, deert hem niet. Dat was de revolutionairste gedachte die ik ooit had gehad. Die zou me van alle pijn en lijden bevrijden. Wat me overkomt deert me niet. Dat vereiste een absoluut vertrouwen in en een absolute overgave aan God. En de lelies op het veld en de vogels in de lucht hadden dat. Zelfs in het grootste verdriet en met een dag vol verschrikkingen in het vooruitzicht, waren de vogels vervuld met vreugde. Het verdriet en de verschrikkingen van de dag van morgen deerden ze niet. Dat alles hadden ze overgegeven aan God. Gehoorzamen zoals het gras gehoorzaamt als de wind het buigt, dacht ik en keek op: buiten was de storm gaan liggen, alles was donker en stil, in het zwakke licht van de maan dat door de sneeuw werd weerkaatst, leek het alsof de platte rotsen zweefden. Het koninkrijk van God was hier. En ik bestond voor God (blz. 411). Mooi allemaal.

maandag 13 juni 2022
1Koningen 21, 1 – 16 en Matteüs 5, 38 – 42

De wijngaard van Nabot is een walgelijk verhaal. Maar in al zijn walgelijkheid is het een korte samenvatting van de wereldgeschiedenis: hoe grote, machtige rijken omgaan met hun kleine, onmachtige buren. Kijk naar de grote machtsblokken van vandaag: China, de VS, de EU en de Russische Federatie. Het onmetelijke China kon onmogelijk leven zonder het Himalaya dwergstaatje Tibet in te pikken, het eilandstaatje Hongkong en straks het afgescheiden eilandje Taiwan. De genocide onder de Oeigoeren kan door niets en niemand gestopt worden. De Russische Federatie met haar enorme landmassa is het buurland Oekraïne binnengevallen en bombardeert grote steden tot een puinhoop. Ze is al jarenlang bezig met landjepik aan haar grenzen. Mensenrechten bestaan daar niet meer, als ze al ooit bestaan hebben. En de VS en de EU dan? Dan heb ik het over onszelf, over het vrije, humane, democratische, rechtsstatelijke Westen. Zijn wij lelieblank? Nee, natuurlijk, de balk in het eigen oog is wel degelijk te zien. De VS is in een groot deel van de wereld gehaat om zijn imperialisme; intern wordt het land tot op het bot verdeeld door racisme en geweld. De EU bestaat uit landen die vanaf de 15e tot de 19e eeuw koloniën stichtten, zogenaamd overzeese gebiedsdelen. Voor Nederland gold “Indië verloren rampspoed geboren”. Voor België was de enorme landmassa langs de Congo persoonlijk bezit van Leopold II. Zijn nazaat, de huidige koning Filip van België, heeft onlangs diepe spijt betuigt over de misdaden die toen zijn begaan, miljoenen doden en een leeggeroofd land. Spijt, regret, maar geen excuses, geen pardon, want dat kan juridische consequenties hebben en geld kosten. Intern loopt de EU groot gevaar door apathie en onverschilligheid onder een groot deel van de bevolking, populisme en vreemdelingenhaat, consumentisme en de weigering om met de nodige klimaatmaatregelen in eigen vlees te snijden. De wereldgeschiedenis is de wijngaard van Nabot. Het walgelijke verhaal van toen en nu staat in de bijbel en dat betekent dat het met God te maken heeft, met Gods aanwezigheid bij de geschiedenis van de mensen, zijn schepselen; of misschien wel juist met zijn afwezigheid. Waar is God?

De tekst uit Matteüs is pikant, een klap in het gezicht van elk weldenkend mens. “Verzet je niet tegen wie kwaad doet, maar keer degene die je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe.” Ja, hallo! Nabot had dus tegen koning Achab moeten zeggen: alsjeblieft, hier heb je mijn wijngaard en neem mijn lieve vrouwtje er maar gerust bij. De Oekraïners hadden tegen Poetin moeten zeggen: kom maar, pak maar wat je hebben wil. Zo ook de mensen op Taiwan die liever niet in een dictatuur willen leven maar in een democratie. Onlangs is de vredesactivist Mient Jan Faber overleden (14 december 1940 – 15 mei 2022); in zijn werkende jaren was hij algemeen secretaris van het Interkerkelijk Vredesberaad, en de organisator van de grootste demonstratie in Nederland ooit tegen de plaatsing van kernwapens in Nederland. Ik lees in necrologieën dat hij op latere leeftijd ging inzien dat je vrede ook kon dienen door je voor te bereiden op oorlog, door je te bewapenen, door een sterk leger te hebben dat bereid is terug te slaan. Geen andere wang dus bij de orthodoxe christen die hij altijd gebleven is.

Hoe moeten we laveren tussen het woord van Jezus in Matteüs 5, 39 en het gerechtvaardigde verlangen je te verdedigen tegen moordenaars, verkrachters, en de gewetenloze misdadigers die aan de macht zijn in de grote rijken van deze wereld? Ik weet het niet. Misschien moeten we te rade gaan bij de heilige van vandaag, Antonius van Padua (1195 – 1231). Hij is niet veel ouder geworden dan Jezus. Ook zijn leven maakte enorme indruk op de mensen van zijn tijd, want een jaar na zijn dood werd hij al heilig verklaard; ook een geval van sancto subito! Hij was onder de indruk van de eerste martelaren van de minderbroeders, en daarom verkaste hij van de augustijnen naar de franciscanen. Me lijkt dat Antonius een man was van de andere wang. Aan hem hebben we dus ook niet veel, tenzij als patroon van verloren voorwerpen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers, verliefden, lijders aan schipbreuk, pest en koorts. Tenzij we bedenken dat het woord van Jezus bedoeld is voor enkele zotten, en dat het geldigheid heeft op het micro-niveau van de persoonlijke verhoudingen, niet in de wereldpolitiek …

maandag 30 mei 2022
Handelingen 19, 1 – 8 en Johannes 16, 29 – 33

De verbreiding van het op gang komende geloof in Jezus Christus gaat zo gemakkelijk, lijkt het. Paulus spreekt zijn woord, de mensen nemen het aan, ze laten zich dopen, ze ontvangen de heilige Geest. De ontvangst van de heilige Geest blijkt uit wat het teweeg brengt: spreken in talen en profeteren. Vorige week zei ik dat Lucas bijzonder weinig woorden nodig heeft om zijn verhaal neer te zetten. Hij vertelt het wezenlijke, het meeste laat hij ongezegd. Psychologische processen, een groei in geloof met een zekere tijdsduur, we horen er niets over. Het gaat zo gemakkelijk, lijkt het. Maar ook bij het verhaal over Lydia moeten we niet over het hoofd zien dat zij al godvrezend wordt genoemd – Paulus treft haar immers aan op een plaats waar gebeden wordt – en dat de aanvaarding van Paulus’ prediking geschiedt omdat/nadat God haar hart daarvoor geopend heeft. Je kunt wel zeggen dat het zo gemakkelijk gaat, maar zonder Gods hulp gaat het kennelijk ook niet. Er is veel reden om als (christelijk) mens bescheiden te blijven.

In het verhaal van vandaag dat zich afspeelt bij Efese heeft Johannes de Doper voorwerk verricht en verloopt de overgang van het Johannesgeloof naar het Jezusgeloof soepel. Zo ging het ook in de (synoptische) evangelies: Johannes doet het voorwerk, maar daarna neemt Jezus het stokje over. In Efese zijn het 12 mannen die het geloof omarmen. Als Lucas zijn verhaal anno 2022 had geschreven waren het beslist 12 vrouwen geweest; daarom zijn de mannenbroeders van de christelijk gereformeerden kerken die geen vrouwen toe willen laten tot de ambten ook zo dom bezig. Enfin, als katholiek kan ik daarover beter mijn mond houden. Twaalf dus en dat zal niet een willekeurig aantal zijn. Jezus kiest uit zijn volgelingen 12 apostelen. De eerste lezers zullen gedacht hebben aan de 12 stammen van Israël waaruit het volk bestond. Zo is heden, verleden en ver verleden in één zinvol verband met elkaar verbonden, één grote samenhang. Dat grote verband – historisch én theologisch – lezen we ook bij Johannes. In vers 28 – dat onmiddellijk vooraf gaat aan ons fragment vandaag – zegt Jezus: Ik ben uitgegaan van de Vader, Ik ben in de wereld gekomen, maar nu verlaat ik de wereld en ga Ik weer naar de Vader. De leerlingen, die gewend zijn geraakt dat Jezus in parabels sprak, in versluierende taal, zijn opgetogen. Even zijn ze van mening dat ze het zien, dat ze het nu begrijpen. Omdat de mens egocentrisch is, zal die opgetogenheid hen zelf betreffen: nu begrijpen ze eindelijk waar het in hun eigen leven allemaal om draait. Je bent uitgegaan van de Vader die jou in het leven heeft geroepen; je hebt een tijdlang op deze aarde vertoefd, en dan verlaat je de aarde en keer je naar de Vader terug. Verder nog vragen? Geen vragen. We hebben zelfs geen uitleg meer nodig, zeggen de leerlingen bij Johannes: Kijk, nu gebruikt U eens geen versluierende taal. Die lieve leerlingen!

Ik vrees dat we altijd uitleg nodig zullen hebben. Laten we vandaag luisteren naar de uitleg van Miskotte die in zijn Bijbels ABC (1941) het volgende schreef over de Daden van God. “‘Met die Daden maakt God menselijke geschiedenis. Hij is altijd vóór de mens […]: zo openbaart Hij zich als des mensen medestanders.’ De notie ‘wereldgeschiedenis’ zou nooit ontstaan zijn, als joodse profeten niet de stroom van de Daden Gods hadden verkondigd. De godsdienstige leiders van Hellas, China en India zijn op deze gedachte niet gekomen, omdat hun kosmos, hun ‘kringloop des levens’ geschiedenis als veld van Gods doelgerichte handelen uitsluit. Geschiedenis wordt gekend, waar de prediking van de bijzondere daden van Israëls God een spoor getrokken heeft. In zijn daden, met de incarnatie van Jezus Christus als middelpunt, schept God samenhang en doelgerichtheid in het wereldgebeuren. Het doel van Gods handelen is bevrijding: ‘Jahweh is de bevrijder, Hij schept het heil, d.i. de ruimte om voor Zijn aangezicht te leven’” (Herman de Liagre Böhl, Miskotte, Theoloog in de branding 1894 – 1976; Prometheus, Amsterdam, 2016, blz. 192).

Miskotte schreef dat in 1941; het klonk hoopvol in een tijd waarin de volkeren bezig waren elkaar uit te moorden en waarin joden werden uitgeroeid. Deze woorden klinken nog steeds hoopvol, Ondanks het bezwerende “nooit meer oorlog” dat 77 jaar geklonken heeft, is er wel degelijk weer oorlog en bidden we al ruim drie maanden voor het vermorzelde volk van Oekraïne en bidden we om wijsheid van de leiders van de wereld. Die wijsheid zal vooral van boven moeten komen, want hier beneden zie ik die niet …

maandag 23 mei 2022
Handelingen 16, 11 – 15 en Johannes 15, 26 – 16, 4a

Wat heeft Lucas weinig woorden nodig om het verhaal over Lydia neer te zetten. Paulus ontmoet haar in Filippi op een plaats buiten de poort waar gebeden wordt; God de Heer opent haar hart zodat ze ontvankelijk is voor de prediking van het evangelie; ze laat zich dopen met heel haar familie; dan nodigt ze Paulus en zijn metgezel uit om van haar gastvrijheid te genieten want dat hoort bij haar nieuw verworven geloof. Lucas geeft als detail dat Lydia uit Tyatira afkomstig is, en dat ze in de purperhandel zit. Het is genoeg om een beeld te krijgen. Veel laat hij over aan de verbeelding van de lezer. Het wezenlijke is gezegd: je opent je hart en je omhelst het evangelie en leeft volgens het evangelie. Wat valt er nog meer te vertellen?

Ik las over Bruno van den Elshout en zijn project “Strandwandelen als kunstwerk” (NRC 14 mei 2022). Hij maakte met 145 verschillende mensen een strandwandeling van Scheveningen naar Kijkduin en weer terug, ze waren acht uur bezig, besloten de dag met een portretfoto (“ik ben er”) door de deelnemers zelf gemaakt met een camera die ze op afstand bedienden. Een maaltijd tot slot. De kunstenaar zegt dat het kunstwerk bestaat in de aandacht en de intentie waarmee het gemaakt is. Het gaat om de beleving dat je onderdeel bent van een wandelend kunstwerk dat zich urenlang voortbeweegt tussen een hoge duinenrij en een verre horizon. De kunstenaar wil rust en ruimte zichtbaar en deelbaar maken. Dat leek hem belangrijk in een wereld waarin nut domineert evenals geld, macht, belangen, winst en tegenstellingen. De horizon is van zichzelf, die is van niemand en iedereen tegelijk. De interviewer stelt de vraag: hoe creëer je de ruimte om elkaar wezenlijk te ontmoeten? Zijn antwoord: “Ik heb het gevoel dat we met z’n allen probleemverslaafd zijn. Voortdurend zijn we gericht op tekorten. We zien vooral wat er níét is in plaats van de overvloed die er wél is. ( ) Wezenlijke antwoorden krijg je door vragen te formuleren die niet gevangen zitten in problemen.” Een mooi project, ik beluister religieuze boventonen, al blijkt nergens dat de kunstenaar religieus geïnspireerd is.

Jezus zegt in het evangelie van Johannes dat hij de Geest der waarheid zal zenden. Die Geest wordt nogal verschillend vertaald of aangeduid met woorden als helper, trooster, pleitbezorger, bemiddelaar, uitlegger. De parakleet of de pneuma kan dus diverse gestaltes aannemen en zich in veel verschillende vormen voordoen. In concreto denk ik aan kunstenaars zoals de vermelde Bruno van den Elshout, maar ik denk ook aan liedjeszangers zoals S10 (spreek uit es-tien – Stien den Hollander, Hoorn, 2000) die 11e werd op het Eurovisiesongfestival met haar liedje “Diepte”. Onze geseculariseerde jeugd ontvangt vooral vertroosting van liedjeszangers en rappers, popgroepen en bands. Ze zingen hun teksten mee, ze bewegen hun lijf op de bewegingen die zij voordoen. Zij zijn de pleitbezorgers voor een leven dat smaak heeft, zij bemiddelen tussen de saaiheid van het dagelijks leven en de gedroomde ideale wereld, zij helpen te geloven in de waarde van het leven en de liefde.

Als toegift geef ik u de tekst van Diepte, het liedje van S10. Je moet een zekere leeftijd hebben en van het houtje zijn om in die tekst de ondertonen van het De profundis te horen. Jongeren horen dat niet meer, maar ze horen wel:

Ken je het gevoel dat, dat je droom niet uitkomt
Ben je wel eens bang dat het altijd zo blijft
Want het regent alle dagen en ik zie geen hand voor ogen
Jij en ik toch samen, dat zou altijd zo zijn

Tadada dadadadada, dada dadadadadada
Tadada dadadadadada
Oehoe aha
Hier in de diepte hoor ik steeds maar weer je naam

maandag 16 mei 2022
Handelingen 14, 5 – 18 en Johannes 14, 21 – 26

“Onze boodschap is nu juist dat u geen afgoden moet vereren, maar de levende God die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft.” Deze uitroep komt uit de mond van Paulus als de goede burgers van Lystra goden menen te zien, geïncarneerd in Paulus en Barnabas; en niet zo maar de minsten van de Griekse goden die de Olympus bewonen, namelijk Zeus de oppergod en Hermes zijn woordvoerder. Paulus kan wel roepen, maar hij heeft de schijn tegen. De burgers van Lystra zijn immers getuigen geweest van een fors medisch wonder: iemand die vanaf zijn geboorte verlamd is wordt met een woord van Paulus op de been geholpen, de man springt op en gaat lopen. In Handelingen zien we Petrus én Paulus dezelfde wonderen verrichten die Jezus placht te doen, tot en met het opwekken van doden. Geen wonder dat de Lystrianen denken met goden van doen te hebben. Misverstand of niet, wel of niet begrijpelijk, de uitroep van Paulus blijft volop van kracht voor onze cultuur die veel afgoden vereert. De afgod van de economie, van de welvaart, van het consumentisme, van onze vakanties, feesten, roes en amusement. Wat onze CDA-minister van Buitenlandse Zaken zo optimistisch “onze manier van leven” noemt. Paulus zegt dat God in het verleden alle volken hun eigen weg heeft laten gaan “maar Hij heeft toch blijk gegeven van zijn goedheid: vanuit de hemel heeft hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen, hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht.” Ik vind dat een komische voorstelling van zaken, Paulus als humorist. Je zou denken dat God als blijk van zijn goedheid nu juist die wonderlijke genezingen heeft gegeven waar die Lystrianen zo verrukt over zijn. Maar nee, daar gaat het niet om, het is de regen en de vruchtbare seizoenen. Die zijn veel belangrijker, wees daar dankbaar om, erken Gods goedheid daarin.

In de korte evangelielezing volgens Johannes heeft Jezus het over de liefde van zijn Vader en van Hem die je gewordt als je je aan zijn woorden, geboden houdt. Als je zijn wil doet. Wij bidden het nagenoeg elke dag: uw wil geschiede. Maar wat is de wil van God? Hoe moet je die verstaan? Elie Wiesel vertelt in zijn boek Mijn liefde voor de Talmoed (Kok, Kampen, 2005) dat er aanvankelijk twee scholen waren van twee grondleggende rabbijnen, namelijk Hillel en Sjammai. Hillel stond voor een soepele uitleg van de wet, water bij de wijn, rekening houdend met de menselijke zwakheid, barmhartig, menslievend, flexibel, Sjammai stond voor de strenge uitleg van de wet, radicaal, geen weekhartigheid, rechtvaardig, recht door zee. Drie jaar lang vochten beide scholen met elkaar op leven en dood en ze kwamen er niet uit. Toen legde ze kwestie voor aan God: wie heeft er gelijk? En God gaf als antwoord: allebei, ze hebben allebei gelijk.

Toen ik dat antwoord las moest ik lachen en realiseerde ik me – niet voor het eerst – dat een godsdienstig mens gevoel voor humor moet hebben. En hier moet u het op deze maandag mee doen.

maandag 9 mei 2022
Handelingen 11, 1 – 18 en Johannes 10, 1 – 10

Elke bijbeleditie is verschillend in omvang; mijn editie van de NBV21 telt 1910 bladzijden bijbeltekst. De afstand tussen Johannes 10 en Handelingen 11 is slechts 34 bladzijden. Op papier liggen ze dicht bij elkaar. Maar geestelijk lijkt er een grote afstand te bestaan tussen het verhaal van Johannes over de schaapskooi en het verhaal van Handelingen over het linnen laken met een hele dierentuin er in. In Johannes vergelijkt Jezus zich met de herder van schapen; schapen kennen zijn stem. Hij vergelijkt zich ook met de deur van de schaapskooi. Ik heb wel eens gelezen dat je dat letterlijk mag nemen: de herder ging ’s nachts in de opening van de omheining zitten en sloot zo die opening met zijn lichaam af. “Wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden.” Aan het eind van het fragment zegt Jezus waarom Hij gekomen is, namelijk “om hun het leven te geven in al zijn volheid.”

Wie is hun? Hun slaat natuurlijk op de schapen binnen de schaapskooi, de zijnen die zijn stem kennen. Dat lijkt een homogene groep, en er zijn zeker teksten in de evangelies waar weinig inclusiviteit uit spreekt. Jezus zegt hier en daar uitdrukkelijk dat Hij gekomen is voor de kinderen van Israël, niet voor anderen. Maar daar staan weer andere teksten tegenover waaruit blijkt dat de groep allesbehalve homogeen is: het zijn niet allemaal de brave schaapjes, integendeel, zondaars, tollenaars, hoeren eerst. En we weten dat hier een herder optreedt die desnoods 99 schapen alleen achter laat om het ene verloren schaap te gaan zoeken. De richting van de evangelies is naar alle volkeren, de opdracht is alle mensen tot aan het uiteinde der aarde kennis te laten maken met de God die liefde is. Totaal inclusief dus.

Dit wordt het thema van Handelingen, 34 bladzijden verderop. Petrus heeft een droom of visioen nodig om behoudensgezinden, mensen die eerder geloven in exclusiviteit dan inclusiviteit, over de streep te trekken. In die droom komt een mechaniek voor dat al in de klassieke toneelwereld bekend was: de deus ex machina. Met katrollen en touwen daalde de godheid vanuit de hoogte neer op het toneel voor de ogen van de verbaasde toeschouwers. Bij Petrus daalt er een groot linnen kleed uit de hemel neer, met touwen aan de vier punten, waarin een groot assortiment dieren gebundeld is. En wat voor assortiment! Niet de schapen uit de schaapskooi van Johannes. Op een kluitje op elkaar lopende en kruipende dieren, wilde dieren en vogels, bien etonnés de se trouver ensemble. In een droom kan alles, daar hoeven we helemaal niet kritisch naar te kijken. Gelukkig is er een stem die het uitlegt en zegt wat de bedoeling is. De bedoeling is inclusiviteit. Het onderscheid tussen reine en onreine dieren is flauwekul, de voedselwetten die daarop gebaseerd zijn ook. Je mag alles eten; wat God geschapen heeft mag je niet als verwerpelijk afwijzen. Heidenen mogen meedoen, ze horen in de schaapskooi, het heilsaanbod van Jezus is universeel.

Het leven in al zijn volheid. Dat is het aanbod van Jezus. “Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid.” Wat is dat leven in al zijn volheid? Ik moet denken aan die uiterst bedroefde vrouw, het beeld van de moeder van smarten, die geïnterviewd was door Kysia Hekster nadat het weer veilig was in Boetsja. Wekenlang had de vrouw zich met haar kinderen verstopt in een kelder, maar haar man was zes weken spoorloos. Eindelijk vonden ze hem, ze herkende hem aan zijn kleren: gemarteld en vermoord. Ontroostbaar als Rachel. Zij had geweten van het leven in al zijn volheid: een gewoon gezin met een paar nog jonge kinderen, hardwerkende mensen, ze waren een huisje aan het bouwen en het leven lachte hen toe. Toen het voorbij was zal ze beseft hebben wat het leven in al zijn volheid is. Ik denk dat het zo met veel dingen is: als het voorbij is: je jeugd, je gezondheid, je zinvolle werk, je huwelijk, je leven toen je er nog van kon genieten … als het voorbij is zie je het pas goed. Wie zo’n beetje met Jezus mee gaat kan gewaarschuwd zijn: het is “wet en profeten” dat je op een gegeven moment moet lijden, het leven loopt altijd uit op een kruisweg. Lijden en dood, de kelk tot op de bodem, het hoort bij de volheid van het leven. Maar na drie dagen. Als in een droom gaat het weer verder in Galilea, we eten brood en vis aan het meer, we buigen ons over de Schriften en de harten branden. We herkennen hem, we zien hem soms even. Het leven van een christengelovige, zijn leven en lot, verschilt niet veel van de ongelovige of geseculariseerde mens. Tot de volheid van leven beschouw ik wel het in en uit lopen en weidegrond vinden waar Jezus het over heeft. Ik geloof niet aan astrale lichamen, maar ik vind het wel een mooi, poëtisch beeld: ik ben de deur; dat je door Jezus heen kunt lopen, in en uit, op de weidegrond van het leven. En dan vloeien de drie structuurelementen van het leven in al zijn volheid ineen: het goede leven waar je je niet van bewust was, het pijnlijke leven waar je je maar al te bewust van bent, en het droomachtige leven waarin het allemaal samenkomt in het mysterieuze Al.

maandag 2 mei 2022
Handelingen 6, 8 – 15 en Johannes 6, 22 – 29

Stefanus. De geschiedenis herhaalt zich, het verhaal uit Handelingen klinkt bekend voor wie vertrouwd is met de evangelieverhalen over Jezus. Niet iedereen is gecharmeerd van de verkondiging van Stefanus, zoals niet iedereen gecharmeerd was van de woorden en daden van Jezus. Het volk wel, maar schriftgeleerden, farizeeën en oudsten niet. Nu treedt Stefanus in het voetspoor van Jezus. Er wordt stemming gemaakt, er komen valse getuigen die lastertaal hebben gehoord tegen Mozes en tegen God. Een aanklacht doet het belletje luid rinkelen: over het afbreken van de tempel. Jezus heeft iets dergelijks gezegd, hij had het toen over de tempel van zijn lichaam. Voor mensen die de dingen letterlijk nemen was dat een gevaarlijke uitlating, want de figuurlijke betekenis ontging hen volkomen. Ook toen Jezus vasthield aan zijn beeldspraak en verzekerde dat de tempel weer in drie dagen opgebouwd zou worden, bleven de toehoorders doof voor de beeldspraak. Arme toehoorders, je moet ook nog eens absurditeit kunnen verteren: in drie dagen een tempel opbouwen waar een kind kan weten dat zoiets een bouwproces is van tientallen jaren. Er werd wel veel gevraagd van de mensen die naar Jezus en later naar Stefanus luisterden. Waren ze maar enkel afgegaan op wat ze zagen. Blijkens het verhaal had Stefanus het gezicht van een engel, en Jezus moet eruit gezien hebben als het lam Gods. Waarschijnlijk konden ze hun ogen niet geloven.

Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil? Volgens de tekst van Johannes die we zojuist gehoord hebben, stellen de mensen aan Jezus de vraag van alle vragen: wat moeten we doen? Het antwoord is “geloven”. Het is een woord op leven en dood. Hitler geloofde dat hij de stichter was van een 1000-jarig Rijk, het Derde Rijk als opvolger van het heilige Roomse Rijk der Duitse Natie en het het Duitse Keizerrijk in de 19e eeuw. Churchill, om de geallieerde tegenstander één naam te geven, geloofde dat Hitler kost wat kost gestopt moest worden. Die botsende geloven gaf de Tweede Wereldoorlog. Poetin gelooft dat Moskou het derde Rome is, dat het heilige Rusland de missie heeft om het decadente Westen – Oekraïne voorop – te vernietigen. De EU en de VS geloven dat dit project kost wat kost gestopt moet worden. We moeten nog zien hoe veel deze krachtmeting gaat kosten en of het een kwestie wordt van leven of dood voor wellicht de hele mensheid. Deze voorbeelden laten zien hoe gevaarlijk geloven is. Is redelijkheid, matigheid, gezond verstand, leven en laten leven niet veel beter? Waar staan wij als gelovigen anno 2022? Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil? Het hele antwoord van Jezus is: “Dit moet u voor God doen: geloven in Hem die Hij gezonden heeft.”

Dus toch geloven. We vieren vandaag de heilige Athanasius van Alexandrië (296 – 373). In de oosterse orthodoxie is hij één van de grote kerkvaders, in de westerse orthodoxie is hij in de schaduw van Augustinus blijven staan. Het grote thema van Athanasius is de menswording van Gods Zoon. Waarom die menswording? Om ons mensen tot kinderen van God te maken is zijn antwoord. Kinderen van God maken geen oorlog, verwoesten geen steden, moorden elkaar niet uit, zie de zaligsprekingen. Wat doen ze? De werken van barmhartigheid. Om in de sfeer van Athanasius en de goddelijke liturgie van het Oosters christendom te blijven sluit ik af met een beeld dat Paulus geeft in 2 Korintiërs 2, 15, het beeld van de wierook. “Door Christus te verkondigen zijn wij als wierookgeur die God behaagt, die zich zowel verspreidt onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan.” De oosterse kerken zijn kwistig met wierook, de westerse kerken zijn wat zuiniger. Gezien de toestand van de wereld op dit moment hebben de kinderen van God veel wierook nodig om de andere geuren te verdrijven …

maandag 25 april 2022
1Petrus 5, 5b – 14 en Marcus 16, 15 – 20

Op de feestdag van de evangelist Marcus horen we zijn naam genoemd worden aan het einde van de eerste brief van Petrus: doe mijn zoon Marcus de groeten. Dat zal wel een geestelijke zoon van Petrus zijn, met een beetje goede wil kunnen we verzinnen dat hij de schrijver is van het oudste evangelie. Als tweede lezing is een tekst gekozen uit het slot van het Marcus-evangelie, een slot dat volgens alle exegeten niet van Marcus is maar een latere toevoeging. De kerk houdt er merkwaardige mores op na om haar stichters te eren. Het slot van Marcus gaat over de vrouwen bij het graf die bevend van angst en buiten zich zelf wegvluchten van het graf weg. “Ze zeiden niemand iets, want ze waren bang”: dat zijn de laatste woorden van Marcus-zonder-latere-toevoegingen. Dat de vrouwen angstig waren en buiten zich zelf is een heel geloofwaardig relaas, ik vind het een krachtig slot van dat oudste, snelle, krachtige evangelie. Dat ze niemand iets zeiden zijn wellicht ironische woorden, woorden die zich zelf opeten, want als de vrouwen werkelijk niets verteld hadden, was er geen blijde boodschap geweest en was er niets verkondigd. Het verhaal van Jezus de Levende was niet op gang gekomen, we zouden nooit gehoord hebben over Jezus, er was geen christendom of Kerk geweest. Kunnen we ons dat voorstellen? Nee, dat kunnen we ons niet voorstellen. Marcus heeft geschreven om gelezen te worden, wie schrijft die blijft, we lezen zijn verhaal tot op de dag van vandaag.

De toegevoegde woorden bevatten de opdracht om te verkondigen, dat is in ieder geval geheel in de geest van Marcus. “Hij zei hun: Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen” (vs 15). “Zij trokken eropuit om overal de boodschap uit te dragen, terwijl de Heer meewerkte en het woord kracht bijzette door de begeleidende tekenen” (vs 20). Het valt mij op dat de opdracht is om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen. Elk schepsel … dat is heel ruim als we aannemen dat alles geschapen is, de hemel en de aarde, de zon en de maan, de sterren, de kruipende dieren, de vogels van de hemel. Franciscus, weten we, nam dat letterlijk en predikte tegen de dieren. We kunnen er van meenemen dat het heil ook aan onze niet-menselijke medeschepselen aangezegd kan worden, ja dat zij delen in het heil. Honden en katten, kippen en konijnen, vliegen en vissen. En de dingen? De bomen, de wateren, de stenen, de zandkorrels aan het strand? Ja, ook aan de dingen wordt het heil aangezegd. Daar ontlenen we ons pas verworden ecologisch bewustzijn aan: we moeten goed zijn voor de natuur, we moeten de aarde behoeden en beschermen. We bidden in een groene Kerk. Wij mensen zijn volgens het aloude genesisverhaal genomen en gevormd uit de aarde. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren, horen we op Aswoensdag. Uit de aarde genomen, tot de aarde teruggekeerd, de mens weet waar hij vandaan komt en wat zijn bestemming is.

De goede boodschap aan elk schepsel. Een paar weken geleden heb ik even gesproken over het boekje van kardinaal De Kesel, primaat van België. Over de missionaire opdracht zegt hij dat het niet gaat om proselitisme, het gaat niet om zieltjeswinnerij, het gaat niet meer om zo veel mogelijk mensen te dopen en binnen het verband te brengen van de Kerk. Het gaat er wel om dat we in woord en vooral in daad getuigen dat God liefde is, dat geloof hoop en liefde de schepping leefbaar houden. Dat is het evangelie volgens Marcus, dat is het evangelie volgens elke evangelist …

maandag 11 april 2022
Jesaja 42, 1 – 7 en Johannes 12, 1 – 11

Alle evangelisten hebben het verhaal van de zalving van Jezus. Bij Markus en Matteüs gaat het verhaal vooraf aan, nee hóórt het bij het lijdensverhaal. Bij Johannes is het verband losser al is het lijdensverhaal niet ver weg, bij Lucas heeft het verhaal een heel andere plaats gekregen. Maar die zalving. De theoloog Borgman heeft het in zijn theologische visie voor de 21ste eeuw steevast over de Gezalfde Jezus. Dat is natuurlijk de Nederlandse aanduiding van wat traditioneel Christus Jezus is, of Jezus Christus. Christus betekent gezalfd. We kennen allemaal het kinderlijke misverstand dat Jezus de voornaam was van de man uit Nazareth en Christus zijn achternaam. Jan Janssen, Jezus Christus. Christus is echter geen achternaam, maar een stempel, een keurmerk, een kwaliteit, een titel. Je krijgt daar weer oog voor als je gewoon het Nederlandse woord gebruikt, wat Borgman dus doet. Koningen van Israël werden tot koning gezalfd, Jezus zoon van David is als gezalfde een herinnering aan die koning. Koning ben ik, zal hij tegen Pilatus zegen, maar mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Ik heb altijd gedacht dat Christus een theologische duiding was in de zich ontwikkelende christologie die al begon bij de brieven van Paulus, de evangelies, de Handelingen, en in de patristiek in de eerste eeuwen van het christendom tot volle wasdom kwam.

Nu lees ik deze dagen Ad de Keyzer, Bachs grote Passie, een spiritueel-liturgische benadering van de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach (Adveniat, Baarn, 2010, 475 blz.). Bach heeft in zijn Passion de zalving in Betanië opgenomen, en dus heeft Ad de Keyzer het over dit verhaal. Hij wijst erop dat het een vrouw is, een anonieme vrouw, die Jezus zalft. Dat Jezus Christus is, Gezalfde, is dus geen abstract theologisch construct, maar een concrete daad van een vrouw aan de vooravond van zijn dood. Ik had me dat nooit gerealiseerd, ik was er nooit bij stil blijven staan – ik moest dus eerst 77 jaar worden – dat een vrouw deze enorme symbooldaad aan Jezus verricht had. Het lijkt alsof de Kerk dat altijd over het hoofd heeft gezien, ja verdrongen, terwijl toch Jezus bij Markus (14, 9) zegt: “Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, daar zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.” En Matteüs (26,13) zegt hetzelfde, met precies dezelfde woorden: “Ik verzeker jullie: waar ook ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, daar zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.” De Keyzer merkt fijntjes op dat “ter herinnering aan” nergens anders in de evangelies wordt gezegd, behalve bij het laatste avondmaal waar Jezus zegt: “doe dit om Mij te gedenken” (Lucas 22, 19). Bij Johannes is die oproep om zich die vrouw te herinneren verdwenen, bij de overigens zo vrouwvriendelijke Lucas ook. Anno 2022 begint de RKK zich de vrouw te herinneren. In de pauselijke constitutie Praedicate Evangelium (19 maart 2022) wordt de weg geopend voor leken – mannen én vrouwen – voor bestuurlijke functies in het Vaticaan. De topfuncties blijven weggelegd voor kardinalen en bisschoppen. Eerder vernamen we (15 maart 2022) dat bisschop Franz-Joseph Overbeck in Essen 17 zogenaamde pastoraal assistenten, vrouwen, toestemming geeft het sacrament van het doopsel toe te dienen. Het evangelie voorlezen en preken mogen ze niet, ondanks Praedicate Evangelium. Maar toch, heel langzaam komt iets op gang in de logge wereldkerk.

Tot slot roep ik één vers terug uit die prachtige eerste lezing uit Jesaja (Jesaja 42, 6): “Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden, Ik neem je in dienst voor mijn verbond met het volken maak je tot een licht voor alle volkeren.” Volgens mij heeft Jesaja het over de vrouw in Betanië die Jezus zalft en die we ons altijd moeten herinneren …

maandag 4 april 2022
Daniël 13, 1 – 9 etc en Johannes 8, 12 – 20

In het verleden werd de eerste lezing uit Daniël over Suzanna die valselijk beschuldigd wordt gekoppeld aan Johannes 8, 1 – 11 over de zogenaamd overspelige vrouw naar wie een stelletje hypocriete kerels stenen willen gooien. Een thematische verband. Dit jaar niet. Ik weet niet of het een foutje is van de instantie die de leesroosters voor een heel jaar samenstelt, maar ik neem aan van niet. Ik acht die kerkelijke instantie in deze zaken nagenoeg onfeilbaar. Het oude MeToo-verhaal van Suzanna, zo kunnen we vrezen, is van alle tijden en zal van alle tijden blijven. Vandaag wordt het verhaal opgevolgd door Johannes 8, 12 – 20 waarin Jezus van zichzelf verklaart dat Hij het licht van de wereld is. Wie Hem volgt gaat zijn weg niet in duisternis, gaat niet de weg van valse beschuldigingen, leugen en bedrog, van misbruik van vrouwen en kinderen. Toch een verband, toch een samenhang van teksten die zinvol is.

Wie Hem volgt. We hebben in onze tijd meegemaakt dat we een illusie armer zijn geworden wat betreft het gedrag van hen die zeiden Hem te volgen. Ik heb het natuurlijk over de het schandaal van seksueel misbruik in de Kerk. Ook wie Hem volgden, althans die alle uiterlijke verschijningsvormen hadden aangenomen dat ze Hem volgden: bisschoppen, priesters, paters, fraters, broeders, zusters … al die verschijningsvormen van seculiere en reguliere toegewijde troepen in dienst van de Heer die het licht van de wereld is, gingen in de fout en kwamen tot misbruik dat lange tijd verborgen bleef maar dat uiteindelijk toch aan de dag kwam tot onnoemelijke schade voor de Kerk en voor haar geloofwaardigheid. In juli het zoveelste hoofdstuk aan de sorry-keten als de paus afreist naar Canada om vergiffenis te vragen voor wat de inheemse bevolking is aangedaan in instituten die door dienaren van de Kerk beheerd werden. Het blijft een onbeantwoorde vraag hoe onder die mantel van de doop en het kleed van de volledige toewijding die misdaden begaan konden worden. Was het licht van Christus toch niet doorgedrongen tot de harten die onder het kleed klopten, was het doopsel een betekenisloos ritueel geweest?

Kardinaal Jozef de Kesel, aartsbisschop van Mechelen – Brussel, lijkt zo iets te zeggen in zijn boekje: Geloof & Godsdienst in een seculiere samenleving (Halewijn, 2021, blz. 38 – 39): “Voortdurend wordt in de media en in de publieke opinie gehoord dat de kerken leeglopen. Onuitgesproken wordt daarmee gezegd dat het niet goed gaat met de Kerk en dat geloof en Kerk stilaan op hun retour zijn. Er wordt voortdurend gesuggereerd dat velen de Kerk verlaten. Ik zou erop antwoorden: ze verlaten de Kerk niet, ze zijn er nooit binnen gegaan.” Hmm, zou het? Is dat niet wat gemakkelijk, waarde kardinaal? Gaat het dan wel goed met Kerk en geloof? Waarom is er dan dat pleidooi van de Canadese priester James Mallon (Trouw 22 maart 2022) om te stoppen met ploeteren en opnieuw te beginnen? Ik las dat hij in Breda, op uitnodiging van bisschop Liesen, gesproken heeft en dat er maar liefst 2000 mensen op af kwamen. Dat zegt toch wel wat, op zijn minst dat hij met zijn oproep een snaar geraakt heeft.

Opnieuw beginnen, dat kan menselijkerwijze natuurlijk helemaal niet; je sleept altijd de traditie met je mee, al je ervaringen, heel je mentale bedrading. Maar zo denk je als je de Kerk ziet als een sociologisch gegeven, met alle wetten van de sociologie. Dat ziet De Kesel ook. Echter, wanneer hij theologisch over de Kerk nadenkt, komt hij tot de opvatting (helemaal niet nieuw, allemaal te vinden in de documenten van Vaticanum II), dat de Kerk een mysterie is, dat het iets is van Gods scheppende Liefde die zich een plaats zoekt en die om wederliefde vraagt van degene die gevoelig is voor zijn liefde, een oor heeft voor zijn roepstem, een oog voor zijn licht. Als dat waar is kun je niet zeggen dat iets onmogelijks is, want voor God is alles mogelijk. Maar dan is het niet zozeer wij die opnieuw beginnen, wij die een masterplan bedenken, dan is het God die altijd opnieuw begint. Deze gedachte, of misschien kan ik beter zeggen: dit geloof haalt heel wat druk van de ketel. Relax, laat God zijn goddelijke gang gaan …

maandag 28 maart 2022
Jesaja 65, 17 – 21 en Johannes 4, 43 – 54

Wie vorige week maandag een wandeling maakte door het Glorieuxpark zag allerlei wonderen van de natuur waaraan hij/zij zich kon laven. Bomen en struiken uitbundig in bloei, de nijlgans (een gansachtige eend) met een stoet van wel tien jongen achter zich aan, gekwinkeleer van vogels, de zon die zijn stralen schonk, een mild briesje. Het was 21 maart het prachtige begin van de lente. Vandaag is het maandag 28 maart, gisteren hebben we zondag Laetare gevierd, de zondag waarop de Latijnse liturgie begint met het zingen van Laetare: verheug u, wees blij. Aan de beschrijving van die wandeling maandag vorige week kan ik nog toevoegen twee jonge dames op de fiets met een blauw-geel sjaaltje om de hals en een glimlach om de mond. En twee jochies op hun fietsjes, allen uit Oekraïne. Hun aanwezigheid op het park is een memento aan de verschrikkingen in hun thuisland, maar de natuur, de nijlganzen en de kuikens, de bloeiende bomen en struiken houden zich daar niet mee bezig. Zo ook niet Jesaja vandaag. Het is moeilijk om een tekst te vinden bij de profeten – die wis en waarachtig wel van onheil en rampspoed afweten – die zo opgewekt van toon is, zo uitbundig blij. God is aan het woord: “Ik ga vreugde voor u scheppen en vrolijkheid voor altijd. Jeruzalem wordt door Mij herschapen als een stad vol vrolijkheid, met een bevolking vol blijdschap. Aan wat vroeger geweest is wordt niet meer gedacht.” Dat laatste is heel belangrijk. Er wordt wel eens gezegd dat we lijden aan de geschiedenis, aan een teveel aan geschiedenis, aan onrecht van eeuwen her dat vandaag nog herinnerd moet worden en gewroken. Niet meer aan denken: dat is een ingrediënt van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Een paar verzen verder (vers 23) – dat we niet gelezen hebben – staat: “zij zullen geen kinderen ter wereld brengen voor de verschrikking” en alweer treft mij hoe hard we dit visioen nodig hebben in een wereld die haast het tegenbeeld is, het contrast met wat Jesaja ons voor ogen spiegelt. Hoeveel kinderen worden vandaag niet geboren voor de verschrikking? Jezus’ eigen geboorte is omgeven met het verhaal van de kindermoord in Bethlehem. Hij en wij leven in een werkelijkheid die contrast staat met het visioen van Jesaja. Toch roept Jezus dat visioen tot leven. Johannes verhaalt hoe hij opnieuw in Kana komt, de plaats waar hij water in wijn had veranderd, zijn eerste teken dat ons moet doen denken aan die oude woorden van Jesaja, dat wenkende perspectief. Maar het was een teken, nog niet die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. Dat we nog steeds in onze gebroken werkelijkheid verkeren blijkt wel als hem gemeld wordt dat een kind aan het sterven is. Een verkeerde werkelijkheid want een kind moet leven, niet sterven. Opnieuw geeft Jezus een teken van de werkelijkheid waar Hij voor staat, het teken bestaat erin dat de koorts de jongen verlaat en dat hij leeft, op het zevende uur, het uur waarop Jezus gezegd had: uw zoon leeft.

Het christelijk geloof is een geloof dat gelooft dat de Zoon van God leeft, Jezus Christus. We geloven dat we met Hem verbonden zullen leven. We worden allemaal geroepen om een contrastleven te leiden dat het visioen van Jesaja naderbij brengt…

maandag 21 maart 2022
2Koningen 5, 1 – 15a en Lucas 4, 24 – 30

Wat een verhaal 2Koningen 5 met als uitsmijter: “Nu weet ik dat er alleen in Israël een God is en nergens anders op aarde.” Dat zegt Naäman nadat hij een nieuwe huid heeft gekregen, een huid van een klein kind. Een nieuwe huid is wel zo’n geloofsbelijdenis waard. Even had het er naar uitgezien dat Naäman naar zijn genezing had kunnen fluiten. Als hij had vast gehouden aan zijn vastomlijnde ideeën over hoe een religieus reinigingsritueel eruit moet zien – strijken, handopleggen, God aanroepen, wierook en wijwater en een palmtakje – dan was hij weer met zijn huidziekte afgereisd naar Aram, c.q. Damascus. Maar hij liet zich overhalen door het gezonde, nuchtere verstand van zijn dienaren die dachten volgens het principe: baat het niet dan schaadt het niet: zo moeilijk is het toch niet om je zeven maal in de Jordaan onder te dompelen. Die dienaren hebben ook gevoel voor humor want ze houden Naäman voor: als je iets heel moeilijks had moeten doen, had je het gedaan. Nu wordt je iets heel gemakkelijks gevraagd: doe het dan. Het valt op dat in dit verhaal een belangrijke rol is weggelegd voor een jong meisje dat tijdens een strooptocht door het land Israël buit was gemaakt, wij zeggen tegenwoordig: tot slaaf was gemaakt en ter beschikking gesteld aan de vrouw van Naäman. Dit joodse meisje herinnert zich de profeet Elisa, de wondere kracht die van de profeet uitgaat; ze heeft kennelijk medelijden met Naäman. De vrouw van Naäman is mogelijk niet zo’n beroerde werkgeefster (ook niet onbelangrijk, alles hangt met elkaar samen), want dit tot slaaf gemaakt meisje heeft een goede tip voor Naäman: kon mijn heer maar eens naar de profeet gaan die in Samaria woont, die zou hem wel van zijn ziekte afhelpen.

Bij Samaria gaan voor lezers van Lucas allerlei belletjes rinkelen, want in zijn hoofdstuk 10 vertelt hij het verhaal van de barmhartige Samaritaan, en in hoofdstuk 17 vertelt hij van de genezing van tien melaatsen, ook weer mensen met een huidziekte. Na genezing is er één die zich dankbaar toont en dat is een Samaritaan. Lucas zegt dat zo uitdrukkelijk omdat hij daarmee een verwachtingspatroon doorbreekt, want we weten dat de Israëlieten ten tijde van Jezus op gespannen voet verkeerden met Samaritanen. Er valt veel goeds te vermelden van de inwoners van die vermaledijde stad. Maar terug naar het verhaal van 2Koningen. Er is nog een andere element waar we ons vrolijk over kunnen maken. Die Naäman wordt op weg gestuurd met tien talenten zilver, zesduizend sikkel goud, tien feestgewaden en een begeleidend schrijven voor de koning. Wat dit omgerekend in euro is weet ik niet, maar je kunt inschatten dat het een enorm bedrag is. Powerplay van de eerste orde. Bedoeld om de koning van Israël te imponeren. Deze koning speelt het spelletje niet mee; hij scheurt zijn kleren en roept uit: Ik ben God niet, zo werkt dat niet bij ons. Nee, in het verhaal van de God van Israël is het niet de macht van het geld, maar de nederigheid van de dienaren en het gevoelig hart van het tot slaaf gemaakt jonge meisje dat leidt naar de nieuwe huid van Naäman. Het is goed dat wij als christenen beseffen dat Jezus uit deze traditie voortkomt, we mogen hem nooit losmaken van zijn volk.

In het evangelie van Lucas hoofdstuk 4 verwijst Jezus naar de profeet Elisa en de Syriër Naäman. Dat verhaal uit 2Koningen is blijkbaar bekend. De ongemakkelijke waarheid dat een heiden genezing vond en de vele melaatsen ten tijde van Elisa niet is nog niet verwerkt. Jezus jaagt er zijn toehoorders in Nazareth mee op de kast. Ons niet waarschijnlijk, want wij zijn zo inclusief de laatste tijd. Wat zit er voor ons in dit verhaal? Misschien wel dit: dat ieder mens lekker in zijn vel wil zitten, ieder wil graag een ongeschonden huid. Je huid is je huis. De huid is het grootste orgaan van het lichaam, de huid loopt als eerste gevaar, de huid wordt als eerste gekwetst, dat zien we dagelijks op de televisie in de verschrikkingen die zich afspelen in Marioepol, Charkov, Cherson, Zaparozije, Lviv, Kiev en vele andere plaatsen in Oekraïne …

maandag 14 maart 2022
1Johannes 4, 7 – 14 en Johannes 14, 1 – 14

Onze driedaagse retraite heeft als thema: tochtgenoten. We mogen ons door onze reis door het leven beschouwen als tochtgenoten.
Wat is richting en doel van de tocht? De aloude vraag van de catechismus springt dan als eerste op ter beantwoording. Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn. We hebben als kind die vraag en het antwoord geleerd, en voor zo ver ik me dat goed herinner was ik als kind volmaakt gelukkig met het antwoord. In de jaren van volwassenheid kwam het kritische verstand ertussen, een wetenschappelijke opleiding in filosofie en theologie, de secularisatie en de geest van onze tijd. Twee woorden werden vooral kritisch om en om gedraaid: God en het hiernamaals, die kregen het zwaar te verduren. De huidige theoloog des vaderlands, de benedictijner monnik Thomas Quartier (1972) profileert zich als agnostisch. Het voordeel van dat profiel is in ieder geval hoge attentiewaarde: hé, wat is dat? Een agnostische monnik? Toch eens luisteren naar wat hij te zeggen heeft. Dankzij Borgman weet ik dat de Thomas’ naamgenoot, de 13e eeuwse dominicaan Thomas van Aquino (1225 – 1274), ook al zei dat aan het einde van onze kennisweg we God kennen als de ongekende. Zo is de grootste Godgelovige nog agnost.

Wie geen agnost is, tenminste dat denk ik zo, is Jezus zoals hij ons tegemoet treedt in de evangelie van Johannes en in de eerste brief van Johannes, de lezingen die we voor vandaag gekozen hebben. Hij noemt God zijn Vader. Hij maakt niet de indruk dat hij erg in onzekerheid verkeert over of twijfelt aan het “vaderschap” van God. Zijn relatie met de Vader bepaalt ook zijn identiteit, want hij durft te zeggen: wie Mij ziet, ziet de Vader. Het doel en de bestemming van onze tocht is het huis van mijn Vader, en Hij weet al dat in dat huis veel kamers zijn. “Kamers” volgens NBV21, in oudere vertalingen lees ik ruimtes of ook verblijven. De Latijnse Vulgaat van Hieronymus gebruikt het woord “mansiones”, en de Griekse brontekst zegt “monai”. Ik kan me voorstellen dat vertalers hier voor een uitdaging staan. In ieder geval is duidelijk dat het er veel zijn: ruimtes, verblijven, kamers, whatever. Het staat voor de inclusiviteit van de Vader: je bent welkom, of je nu gelooft of niet of agnost bent. Het zelfde zal wel het geval zijn met of je katholiek of protestant, boeddhist of hindoeïst, soennitische of shiïtische moslim bent. Die inclusiviteit toont Jezus zelf ook, de evangelies getuigen daarvan dat hij open staat voor ieder die hem nodig heeft. En wie heeft Hem niet nodig?

Maar het einddoel van de tocht wordt gerelativeerd, of anders gezegd, als met een elastiek naar het hier en nu getrokken, niet zozeer naar het hierna. Want daar hebben we dat enorme woord van Jezus: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Hij zegt geloof het of geloof het niet, dat maakt me niet uit, maar geloof dan in de werken die de Vader doet en doe die werken ook. Wat zijn die werken dan?

Om dat te weten hebben we gelezen uit de eerste brief van Johannes 4, 7 – 17. Ik haal enkele flarden terug. Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. God is liefde. Niemand heeft God ooit gezien (tussen haakjes: hier hebben de agnosten een punt). Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden. Als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.

Zie zo, nu weten we het: elkaar liefhebben dat is het hele eieren eten: op naar Pasen!

maandag 7 maart 2022
Leviticus 19, 1 – 2.11 – 18 en Matteüs 25, 31 – 46

Daar hebben we de werken van barmhartigheid weer, we kunnen de tekst wel dromen. Kunnen we er ook nog nieuw naar kijken? Ik ga wat spelen door de interpunctie niet te zien. In de oudste handschriften, waarop tekstbezorgers zich baseren om ons een fatsoenlijke bijbeltekst voor ogen te brengen, stonden geen punten en komma’s, alles stond ram achter elkaar. Leestekens zijn later aangebracht vanwege de leesbaarheid en verstaanbaarheid.

Goed, de Mensenzoon zal eens komen bekleed met al zijn heerlijkheid. Dat is een prachtig perspectief want wij kennen de mensenzoon, de mensendochter en het mensenkind enkel bekleed in onheerlijkheid, in verscheurde kleren. Tussen haakjes: het is hip voor jongelui die het aan niets ontbreekt om met gescheurde jeans te lopen; bij de knie meestal loopt een grote scheur door de broek. Haakjes sluiten. In verband met de huidige Europese oorlog, na 77 jaar van relatieve vrede, is wel gezegd dat wij allen – jong én oud – nu rondlopen in de flarden van onze illusies. Elke avond in de nieuwsrubrieken en in de tafelgesprekken worden de bange vragen gesteld: wat hangt ons boven het hoofd? Maar wat zegt die Mensenzoon dat zo troostend is? “Kom gezegende van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt.” Dan staat er een punt, maar als je die punt weglaat en doorleest staat er als een doorlopende streaming: “want ik had honger en jullie hebben me te eten gegeven, ik had dorst en jullie hebben me te drinken gegeven, ik was vreemdeling en jullie hebben me opgenomen, ik was naakt en jullie hebben me gekleed, ik was ziek en jullie hebben naar me omgezien, ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar me toe.” We zijn gewend geraakt, door een kinderlijke voorstelling van zaken waar we ons graag stevig aan vasthouden, dat schepping lang geleden is. Fundamentalistische berekeningen komen uit op 4000 tot 5000 jaar voor Christus, wetenschappelijke berekeningen op 13.7 miljard jaar geleden. Hoe dan ook: lang geleden. Hedendaagse theologen denken niet meer in termen van lang geleden, maar in creatio continua. God schept voortdurend, gisteren, heden, morgen. Dat koninkrijk ligt vanaf het begin van de schepping voor ons klaar en dat is een koninkrijk (nogmaals we hebben de punten en de komma’s weggelaten) waarin de werken van barmhartigheid worden uitgeoefend.

Ik denk dat het koninkrijk van de Mensenzoon bekleed met heerlijkheid dezer dagen ervaren wordt door eenvoudige mensen in Polen, Hongarije, Moldavië, Roemenië die de vluchtelingen uit hun buurland Oekraïne opvangen. Al zijn ze zelf arm en hebben ze zelf weinig ruimte; ze nemen ze hartelijk en gastvrij op, geven hun voedsel en alles wat ze nodig hebben in hun nood. Daarmee beantwoorden ze aan de oproep tot heiligheid die vanuit Leviticus klinkt aan het begin van hoofdstuk 19: Wees heilig, want Ik de HEER uw God ben heilig en aan het eind van het fragment staat het nog eens: u zult uw naaste liefhebben als uzelf Ik ben de HEER.

Tot slot. Er is het verwijt van racisme geslopen in de getoonde barmhartigheid van Polen, Hongaren, Moldaviërs, Roemenen … en steeds meer landen zoals Duitsland en Nederland. Ook Erfgoed Glorieux vangt nu Oekraïners op. Zij/wij hielden de deuren gesloten voor vluchtelingen uit Afrika, het Midden-Oosten en nog verder weg. Barmhartigheid op basis van huiskleur is niet oké, maar verder lijkt me het verwijt van racisme onterecht. Je houdt meer van je eigen kinderen dan andermans. Je buurman gaat je meer ter harte dan een onbekende. Het buurvolk meer dan een volk ver weg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam Nederland een miljoen Belgische vluchtelingen op. Het is menselijk en begrijpelijk. Het bijbelse gebod tot liefde voor de medemens is in principe universeel, maar drukt zich toch uit in termen van “je naaste”.

maandag 28 februari 2022
1Petrus 1, 3 – 9 en Marcus 10, 17 – 27

Hadden we het vorige week over “dat alles kan” als je maar gelooft? Dat beweerde Jezus in ieder geval, en doorgaans geloven we hem. We hadden het ook over het theologisch dispuut tussen katholieken en protestanten (tegenwoordig minder fel, en wellicht achterhaald) over de vraag of redding alleen van God afhangt of dat je daar zelf ook wat voor kunt doen. Aan het eind van ons fragment uit Marcus praten de leerlingen opnieuw met Jezus na en vragen hem: wie kan er dan nog gered worden als een kameel gemakkelijker door het oog van een naald kruipt dan dat een rijke in de hemel komt? Uit de bezorgdheid van de leerlingen maak ik op dat ze niet straatarm waren, misschien behoorden ze wel tot de normale hardwerkende Israëliet. Het antwoord van Jezus is interessant. Redding? “Bij mensen kan dat niet, maar bij God wel, want bij God kan alles.” Zou God dan geloven? Die gedachte is zo gek nog niet, want als er wel eens gezegd wordt dat de mensen niet meer geloven, niet meer geloven in God, dan draait een gewiekst theoloog dat om door te zeggen: ook al geloof jij niet in God, God gelooft in jou. Vandaar dat je de vraag bevestigend kunt beantwoorden: God gelooft, en daarom kan alles. Blijft staan dat menselijk geloven niet alles vermag.

Ik zag een ingezonden brief in de NRC. De schrijver, een Paul Bataille uit Oosthuizen reageert op een artikel waarin beweerd wordt dat ieder mens een trauma heeft, een psychische verwonding dus, een knauw die het leven zwaar maakt. Hier komt de brief:

Ja, we hebben allemaal een trauma. Het trauma van geboren zijn; het trauma dat we vanuit de tijd- en vormloosheid deze wereld van tijd en plaats ingegooid zijn. Van het imperfecte leven, van oud worden en moeten sterven. De enige echte oplossing is in de wereld van tijd en plaats het tijdloze te herkennen. Het bijzondere te ontdekken in het gewone. Stil te staan bij het wonder dat het leven is, ook al verloopt ons levensverhaal dan met hobbels en kuilen, stuiteren onze gevoelens alle kanten op en hebben we allerlei gedachten over hoe het zou moeten en kunnen zijn. Stil te staan bij het feit dát we leven en hoe bijzonder dat is. Doordat we altijd maar bezig zijn te proberen het verhaal van ons leven mooier te maken, altijd maar werken om een betere versie van onszelf te maken, altijd maar denken aan iets beters in de toekomst, zien we dat niet. We missen de dynamiek van het nu. Terwijl die onze basis is. Het is alles wat we hebben. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven.” Dit is de brief, ik heb bijna de neiging om Amen te zeggen.

In de eerste lezing lezen we het beginnetje van de eerste brief van Petrus. De brief is helemaal niet van Petrus, maar een kniesoor die daar op let. Het is een mooie brief, net zoals die van Jakobus een echt katholieke brief, ook weer kort genoeg om in een keer te lezen. Stil staan bij het feit dat je leeft, stil staan bij het wonder dat leven is van briefschrijver Paul Bataille, zou wel eens die hergeboorte kunnen zijn waar 1Petrus het over heeft: een soort kanteling in het zien, een kanteling van blikrichting, ja een hergeboorte “tot een leven van hoop, tot een onvergankelijke, onbederfelijke, onaantastbare erfenis die gereed ligt om op het einde van de tijd geopenbaard te worden.”

Joost van den Vonder dichtte in 1632 “eeuwigh gaat voor oogenblick”, de rijke man uit Marcus 10 vraagt Jezus naar deelname aan het eeuwig leven. Jezus had kunnen antwoorden: leef in het ogenblik, leef in het nu: dit is de dag die de HEER heeft gemaakt en gegeven.

maandag 21 februari 2022
Jakobus 3, 13 – 18 en Marcus 9, 14 – 29

Op maar liefst tien weekdagen in februari (van 15 februari tot en met 26 februari) wordt uit de korte brief van Jakobus voorgelezen. Deze brief wordt in de RKK in hoge ere gehouden, anders dan in de Reformatie. Luther vond het maar “een strooien brief”, een brief van niks. Hem beviel de theologie van geen kant. “Werkheiligheid” was zijn fundamentele bezwaar, alsof je door goede werken gered zou kunnen worden, alsof het heil afhankelijk zou zijn van je eigen verdiensten. Nee, niks daarvan: heil wordt je geschonken door God, je goede werken betekenen niets als het erop aankomt gered te worden.

Wie de brief helemaal achter elkaar leest – doe dat eens – begrijpt dat de katholieke kerk er goed mee vooruit kan. De brief is gematigd en verstandig, evenwichtig, middle of the road; als je geen kritische vragen stelt kom je een heel eind en zul je niet gauw problemen veroorzaken. De brief is doordesemd van het Feyenoord-motto: Geen woorden maar daden, geloof zonder daden is dood. In het fragment van vandaag worden we opgeroepen onberispelijk te leven en een wijze zachtmoedigheid te betrachten. Je moet niet jaloers zijn of egoïstisch. En vergeet vooral niet dat de wijsheid van boven komt. De brief is een toonbeeld van gelovige redelijkheid.

Marcus 9, 14 – 29 daarentegen barst van onredelijkheid. Het gaat over het lot van een zieke zoon; de vader is een anonieme man uit de menigte. De diagnose is dat de zoon bezeten is van een stomme geest die vreselijk stomme dingen doet; ja, zo zou je de symptomen van epilepsie wel kunnen noemen. Het is onredelijk wat die jongen overkomt, het zou niet moeten zijn. De vader heeft de leerlingen van Jezus gezegd dat ze die geest moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet. Me lijkt dat het een onredelijk verzoek van de vader is, gebaseerd op onredelijke inschattingen van de vermogens van de leerlingen. Maar de vader – hij is een snelle leerling – is wat realistischer geworden, en hij formuleert de vraag richting Jezus aldus: “als U iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.” Nu krijgen we een extreem stukje theologie in het verhaal van Marcus. “Of Ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.” Nou, dat is nogal wat: alles is mogelijk voor wie gelooft; zet je verstand maar op nul en geloof. Redelijkheid of onredelijkheid kan de vader op dat moment niet boeien, hij houdt van zijn zoon en is ten einde raad. “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp.” Vervolgens toont Jezus de kracht van zijn geloof: zijn woord wordt daad, de stomme geest verlaat onder geschreeuw en stuiptrekkingen de jongen die zo’n beetje voor dood achterblijft; Jezus pakt hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij staat op. Wat een tafereel! Het boeiende van dit evangeliefragment is dat er nagekaart wordt, dat gebeurt niet vaak. De leerlingen vragen Jezus – als ze weer onder elkaar zijn, niet meer te midden van de menigte – waarom konden wíj dat niet, waarom konden wij die geest niet uitdrijven? Jezus’ antwoord: “Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.” De leerlingen doen het ermee, al kan ik me voorstellen dat ze het antwoord maar zo zo vinden. Leer ons dat gebed, leer ons bidden, leer ons geloven dat alles mogelijk is. Ik heb nagezocht of Jezus in het Marcus-evangelie de leerlingen leert te bidden. Nee, dat doet hij niet. Hij doet dat in de evangelies van Matteüs en Lucas, evangelisten die het evangelie van Marcus kenden en zich erop baseerden. Matteüs en Lucas hebben het hiaat in het evangelie van Marcus opgemerkt en gerepareerd. Van de andere kant lijkt het me niet onredelijk te veronderstellen dat bidden niet zo’n onbekend verschijnsel was: Israël bad met de psalmen, en de leerlingen van Jezus waarschijnlijk ook. Zij zetten geen vraagtekens bij Jezus’ uitspraak dat alleen door gebed die stomme geest verdreven kan worden. Ik denk dat zij zelf nu met stomheid geslagen zijn. Daarom doen zij er het zwijgen toe.

Het evangelie van Marcus spoedt zich na dat 9e hoofdstuk naar zijn einde. Enkele verzen na ons tafereel spreekt Jezus zijn leerlingen over zijn lot: “dat de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen Hem doden, maar drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.” Marcus geeft in reactie hierop een andere variant van het zwijgen van de leerlingen: “Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden Hem geen vragen te stellen.” Wie het hele evangelie van Marcus in één keer leest – doe dat ook eens, het is te doen – krijgt de indruk dat het voor de leerlingen én voor Jezus zelf één overrompelende ervaring is geweest: de maalstroom van de gebeurtenissen, de gunst en vooral de ongunst van de tijd, tot en met de kruisiging met de smartelijke laatste woorden van Jezus: “mijn God, waarom heb je mij verlaten”? Het evangelie van Marcus wordt wel getypeerd als dat van Gods verborgenheid én zwijgen. Op de vraag van Jezus komt geen antwoord, God zwijgt op Golgotha, zoals God zwijgt bij het Golgotha van elke mens, gelovig of niet. Het idee van een redelijke God kun je beter vergeten.

In zoverre heeft Luther en de Reformatie het goed gezien: als er heil is wordt het gratis geschonken door God, die – zo geloven we als christenen het leven schenkt aan Jezus zijn Zoon, hem doet opstaan uit de dood en hem doet zetelen aan zijn rechterhand. Daar hangt alles van af. Dat neemt niet weg dat je met de RKK en Jakobus in de hand toch wel goede daden kunt doen zo hier en daar, zo af en toe ...

maandag 14 februari 2022
Handelingen 13, 46 – 49 en Lucas 10, 1 – 9

Op de feestdag van de heilige Cyrillus en Methodius zijn de regels uit Handelingen geschikt: “Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken, om redding te brengen tot aan de uiteinden van de aarde.” Cyrillus en Methodius trokken naar Kiev en Moskou, het onmetelijke land Roes. Er is alle reden om wat schietgebeden op te sturen naar deze Slavische heiligen, met als lading laat er alsjeblieft niet geschoten worden! Cyrillus en Methodius zijn patronen van Europa – een groot gedeelte van de Slavische landen, inclusief het westelijke deel van Rusland behoort tot Europa – en het zou mooi zijn als dankzij hun hemelse bemiddeling een oorlog in de Oekraïne voorkomen zou worden. Ja, dat zou mooi zijn, maar hoe naïef is het om te denken dat ze dat zouden kunnen. Wat voor krachten zouden zij moeten hebben om de noodlottige loop der dingen in deze wereld te veranderen? Als zelfs God … (ik durf deze gedachte niet eens af te maken).

Als Jezus 72 afgezanten de wereld in stuurt om overal een Godsvrede aan te kondigen, stuurt hij ze als lammeren onder de wolven. Het is hartverscheurend hoe zij met lege handen op weg gaan, geen beurs, geen reistas, zelfs geen schoenen. Het is voorstelbaar dat dit blote voeten apostolaat ontwapend werkt (Gandhi is een voorbeeld, zoals ook de kapucijnen destijds en de ongeschoeide karmelieten), maar het is nog beter voorstelbaar dat de wolven die lammeren verscheuren. We weten hoe het met Jezus is gegaan. We weten dat het kruisteken het symbool is voor de christenheid. We kennen het woord van Jezus dat de knecht niet beter is dan de meester. Met de weg van Jezus hebben zijn volgelingen – althans spiritueel – geaccepteerd dat de weg een kruisweg is en dat je die weg gaat als een lam Gods.

Borgman, mijn gids tegenwoordig, wijst erop dat in de voorstelling van de Openbaring van Johannes, het laatste bijbelboek, het mysterie van de wereld uiteindelijk onthuld wordt door een ‘lam als geslacht’ dat in de hemel voor de troon staat van de Heer God en Albeheerser (zie blz. 189 e.v.). Het lam is voor Johannes, de ziener van Patmos, het beeld van de gedode en verrezen Jezus als Gezalfde van God. Zijn afdaling in de dood en zijn opstanding eruit hebben universele betekenis. Met het bloed van het lam zijn mensen gekocht uit alle stammen en talen en volken en naties. Zij komen uit de grote verdrukking. Het zijn de slachtoffers van de geschiedenis, maar juist daardoor gered volgens de mysterieuze logica die de logica van God blijkt te zijn en daarmee van de kosmos en de geschiedenis. Theologie, aldus Borman, denkt de kosmos en de geschiedenis vanuit de logica van het lam, in de grammatica die de dode en door God opgewekte Jezus Christus is.

Nou, nou, dit is behoorlijk zwaar allemaal, en dat nog wel op Valentijnsdag. Paus Gelasius riep in 496 14 februari uit tot de dag van de heilige Valentinus. Toen de gedachte aan de martelaar ver uit zicht was verdwenen, is het via Amerikaanse, commerciële wegen tot de dag geworden waarop geliefden elkaar extra aandacht geven met cadeautjes, bloemen of kaarten. Aangezien christenen per definitie geliefden voor elkaar zijn zouden vandaag veel attenties uitgewisseld mogen worden, van lam tot lam. Je kunt het mysterie van kosmos en geschiedenis waarschijnlijk ook heel simpel als volgt ontsluiten: houd de onderlinge liefde in stand en streef ernaar in vrede te leven met allen. Dan vervul je de opdracht uit Handelingen: “Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken, om redding te brengen tot aan de uiteinden van de aarde.” Amen.

maandag 7 februari 2022
1Koningen 8, 1 -7. 9 – 13 en Marcus 6, 53 – 56

Inmiddels zijn we in het koningenverhaal bij Salomo aangekomen. De verhouding tussen de koning van Israël en God is aan verandering onderhevig. Onder David hadden beiden een bescheiden behuizing: een eenvoudig paleis en een schamele tent van samenkomst. Maar Salomo bouwt een schitterend paleis en dat schreeuwt om een nog mooiere tempel voor God, althans in zijn religieuze denken. Trots verkondigt hij: “Ik heb een machtig huis voor U gebouwd, uw woonplaats voor eeuwig.” Grootspraak natuurlijk, de eerste én de tweede tempel worden met de grond gelijkgemaakt. Wat rest is een Klaagmuur. Maar wij staan niet zo ver af van datzelfde sentiment. Honderdvijftig jaar geleden verschenen in alle Brabantse dorpen enorme kerken, uitdrukking van een triomfalistisch katholicisme dat zich zelf weer op de kaart had gezet. En waar staan we nu? Wie Trouw heeft gelezen van donderdag 27 januari, vrijdag 28 januari en zaterdag 29 januari weet het, als je het al niet wist uit eigen waarneming. De kerk in Nederland verdwijnt, de kerken sluiten, de gelovigen lopen weg. In zekere zin is dat allemaal buitenkant.

Want wat is binnenkant? Wat is anno 2022 onze tempel voor God, hoe denken wij daarover? Ik zal u zeggen wat de theoloog Erik Borgman daarover denkt, volgens mij het beste wat we momenteel in huis hebben als het erop aankomt gelovig te denken. Uiteraard sluit hij aan bij de paulinische gedachte dat de gelovige zelf een tempel is van de heilige Geest. Thomas van Aquino werkt dat uit als “de ruimte van de ziel die een heiligdom voor God wordt.” Het gaat er volgens Thomas voor mensen om een tempel, een woonplaats van Gods wijsheid te worden door alles wat zij zijn en hebben, alles wat het geval is en alles wat zich voordoet, steeds weer te plaatsen in het licht van het geloof ‘als in een wazige spiegel’ en dat zo getuigt van het feit dat alles wat is, zijn oorsprong heeft in, gedragen wordt door en gericht is op God, die liefdevolle wijsheid en wijze liefde is. Met andere woorden, in de theologie wordt de wereld verbeeld als de wereld van God die hij naar christelijke overtuiging is, teneinde op basis hiervan de wereld als Gods wereld te leren kennen en zo onszelf om te vormen. We worden Gods tempel volgens Thomas door serieus te nemen dat ons leven in de wereld betekenis blijkt te hebben wanneer we geloven dat we ervoor gemaakt zijn Gods tempel te worden, bestemd voor Gods aanwezigheid, en wanneer we vervolgens ons handelen, ons kennen en ons denken laten vullen met wat in het licht van dit geloof oplicht aan tekenen van Gods aanwezigheid” (zie Borgman, Alle dingen nieuw, blz. 150).

De wereld naar christelijk overtuiging. Volgens Marcus 6, 53 – 56 tref je die aan als je oversteekt en aan land gaat bij Gennesaret. “Hij werd meteen herkend. In het hele gebied ontstond een druk komen en gaan van mensen, die zieken op draagbedden meenamen naar elke plaats waarvan ze hoorden dat Hij daar was. Overal waar hij kwam, in dorpen en steden en gehuchten, legden ze de zieken op het plein. Ze smeekten Hem of ze tenminste de zoom van zijn mantel mochten aanraken. En iedereen die Hem aanraakte, werd genezen” (NBV21). Ik vond een treffende karakterisering van het volk dat geraakt wordt door Jezus: de geschokten, en de gemeenschap wordt gekenmerkt door de solidariteit van de geschokten. Bij Marcus is het een komen en gaan van zieken; als je een poosje bij de ingang van een groot ziekenhuis staat wordt je geschokt door de grote stroom mensen die in en uitgaan. Jezus spreekt zalig die honger heeft, dorst lijdt, die treurt, die gehaat wordt. Als hij hier om zich heen zou kijken zou hij zeggen: zalig zij die niet meer kunnen zien, die slecht horen, die alles aan het vergeten zijn, die alles kwijt aan het raken zijn. Maar de zoom van het kleed aanraken is genoeg, marginaal geloven, “zien soms even” (Huub Oosterhuis) kan een wereld van verschil maken, een wereld waarin je – midden in de geseculariseerde samenleving – een tempel kunt worden, een heiligdom van de Geest.

Paus Franciscus heeft aan Huub Oosterhuis een liefdevolle brief geschreven, Oosterhuis die ons zo veel nieuwe woorden heeft gegeven voor het nieuwe lied. Het voelt alsof de paus aan ons allemaal een liefdevolle brief heeft geschreven …

maandag 31 januari 2022
2Samuel 15, 13 – 14.30 + 16,5 -13a en Marcus 5, 1 – 20

En weer gaat het verhaal over Israëls koningen verder; het zijn grote sprongen als je intervals hebt van een week. Vorige week hoorden we dat David tot koning gezalfd werd en nog 40 jaar voor de boeg had. Vandaag zijn die veertig jaar nagenoeg voorbij en staat zijn zoon Absalon te popelen om corona en troon over te nemen. Zei ik vorige week dat de Gezalfde Jezus in David een voorvader heeft? We herinnerden ons de blinde Bartimeüs die Jezus aansprak als “zoon van David”. En zie welk tafereel we vandaag geschilderd krijgen: David die de helling van de Olijfberg oploopt, wenend en op blote voeten. Waar doet ons dat aan denken? Aan Jezus die de Calvarieberg opgaat om gekruisigd te worden. Maar nog even terug naar het verhaal uit het tweede boek Samuel. We maken kennis met de heer Simi uit de familie van Saul die verhaal komt halen, die zich wil wreken. Hij maakt David uit voor bloedhond, hij bekogelt hem en zijn gevolg met stenen. Iemand uit het gevolg van David is bereid om die Simi het zwijgen op te leggen door hem de kop af te slaan. Maar dan krijgen we een inkijkje in de uitzonderlijke religiositeit van de oude David die door scha en schande, veel levenservaring en zelfkennis wijs is geworden. Hij zegt tegen de zwaarddragende dienaar: laat hem maar begaan, mijn bloedeigen zoon staat me naar het leven, en dat schelden en vloeken: de HEER heeft hem dat ingegeven.

Deze tolerantie voor het storende, stuitende, afwijkende, ja zelfs criminele, treffen we aan bij de heilige van vandaag Johannes (Don) Bosco (1815 – 1888). Ik lees op heiligennet dat Johannes Bosco zich in zijn gebedsleven liet inspireren door de heilige die we vorige week herdacht hebben: Franciscus van Sales. Beide heiligen maakten zo’n indruk dat ze volgelingen kregen, congregaties stichten van broeders en zusters. Franciscus van Sales is een bisschop die ik me voorstel met een damasten servet, een goede tafel en een mooie bibliotheek. Zo’n beetje de cultuur van de meeste bisschoppen ook vandaag nog. Johannes Bosco is uit ander hout gesneden, hij was dan ook maar een eenvoudige priester, tot het bisschopsambt werd hij niet geroepen. Johannes Bosco’s hart ging uit naar hangjongeren, jongens die opgroeiden voor galg en rad, type Simi uit 2Samuel: stenengooiers, vandalen die bushokjes vernielen en eind januari nog steeds vuurwerk afsteken en bommen laten ontploffen. Johannes Bosco ging de straat op, zocht ze op en wist ze te bereiken met ongebruikelijke methodes. Hij kon goochelen, was acrobaat en atleet. “Voor een priester destijds bepaald ongewone eigenschappen”, tekent heiligennet daarbij aan. Waarbij ik op mijn beurt weer aanteken dat het ook in onze tijd ongebruikelijke eigenschappen voor een priester zijn. Althans ik heb nog nooit gehoord dat ze zich in het Sint-Janscentrum bezig houden met acrobatie, goochelkunst en atletiek.

Nu weer even serieus: de tweede lezing uit Marcus 5, 1 – 20. Die lezing is goed gekozen op de feestdag van Don Bosco, het is een ook mooie echo van 2Samuel. De woesteling uit het verhaal van Marcus doet denken aan Simi uit de eerste lezing, hij doet denken aan de randjongeren die de doelgroep vormden van Don Bosco. Ook Jezus laat zich niet afschrikken door de onaangename buitenkant. Hij heeft oog voor de legio aan problemen waarmee die man bezet is, ik probeer maar wat: een moeilijk potje genen, armoede, een disfunctioneel gezin, laag zelfbeeld, sociale uitsluiting, geen kansen, verslavingen, werkloosheid, een ongezonde levensstijl. Als je al die problemen zou adresseren zou je uiteindelijk een man vinden normaal gekleed en in het bezit van gezond verstand, kortom een kind van God zoals God hem bedoeld heeft.

Het is de grootheid van mensen als David, Jezus, Johannes Bosco dat zij dwars door alle ellende en narigheid heen kijken en zich coram Deo opstellen, biddend in de nabijheid van God met een heldere blik op de bestemming van de mens, van iedere mens, en daarnaar handelen …

maandag 24 januari 2022
2Samuel 5, 1 – 7.10 en Marcus 3, 22 – 30

Het koningsverhaal gaat verder. De oudsten zalven David tot koning, hij wordt de tweede koning van Israël, dertig jaar jong. Veertig jaar zal hij koning zijn, in de bijbel altijd een betekenisvol getal. Israël zal nog vele koningen krijgen, maar David heeft een stempel gezet. Zijn liedjes worden wereldwijd nog elke dag gezongen, ik bedoel de psalmen. De Gezalfde Jezus, zoals Borgman onveranderlijk over Jezus spreekt, is een afstammeling van hem, volgens de geslachtslijsten van Matteüs en Lucas via Jozef. De blinde Bartimeüs noemt Jezus zoon van David.

Maar vandaag wordt Franciscus van Sales (1567 – 1622) op de troon gezet. Hij is de patroonheilige van schrijvers en journalisten. Dat komt natuurlijk omdat hij met verve de pen gehanteerd heeft. Omdat ik veel schrijf beschouw ik hem ook als mijn patroon. Er is over Franciscus een bon mot van Vincentius à Paulo (1581 – 1660), een tijdgenoot: "God moet wel heel goed zijn, als je ziet hoe goed zijn dienaar Franciscus al is." Ik laat een staaltje van Franciscus’ schrijverschap hierna volgen; uit het verhaal blijkt tevens dat hij oké moet zijn geweest. Hij schrijft onderstaande aan zijn vriendin Jeanne de Chantal (1572 – 1641):

Het had flink gesneeuwd; op de binnenplaats lag een laag van wel een voet dik. Jean veegde het in het midden van de binnenplaats een beetje schoon en strooide wat graankorrels voor de duiven. Onmiddellijk kwamen ze naar hun eetgelegenheid en aten ervan met een vrede en eerbied die je versteld zou hebben doen staan. Ik bleef er met plezier naar kijken. Je zult niet geloven hoeveel devotie deze diertjes mij gaven, want ze zeiden geen woord, en degenen die klaar waren met eten vlogen een klein stukje verder om daar op de anderen te wachten. Toen ze zo de helft van de open plek hadden leeggegeten, kwam er een hele zwerm vogels bij, die tot dan toe alleen maar hadden zitten toekijken. De duiven die nog aan het eten waren, gingen opzij en gaven de veel kleinere nieuwkomers alle ruimte. Ze konden aanschuiven zonder dat de duiven hen ook maar één moment lastig vielen. Ik was onder de indruk van hun liefde. Want de duiven waren zo bang hun kleinere collega's af te schrikken dat ze zich met z'n allen een eindje verderop afzijdig hielden. Maar ook bewonderde ik de nieuwgekomen bedelaars, want ze waren pas op de aalmoes afgekomen, toen ze zagen dat de duiven praktisch klaar waren met eten en nog meer dan genoeg hadden overgelaten. Tot slot krijg ik tranen in de ogen bij de gedachte aan de vriendelijke eenvoud van die duiven en aan het liefdevolle vertrouwen van de kleinere vogeltjes. Ik geloof niet dat een gewone preek mij ooit zó getroffen zou hebben. Dat beeld heeft mij de hele dag een goed gevoel gegeven.

Zo naar vogels kijken! Wat je gezien hebt opschrijven in een brief aan je vriendin – en daarbij aantekenen (heel modern!) wat je gevoel daarbij is. Zeggen dat dit kijken naar vogels beter is dan een goede preek, ja geweldig, Franciscus van Sales!

Naar de vogels kijken kan hij geleerd hebben van zijn naamgenoot Franciscus van Assisi (1182 – 1226), maar ook van Jezus. De heilige Geest daalde als een duif op hem neer. In het evangeliefragment is Jezus woest dat de heilige Geest gelasterd wordt, zeg geen kwaad woord van de heilige Geest en de duiven, dat is onvergeeflijk. Ik denk dan dat het niet om houtduiven gaat, maar om Turkse tortels. Volgens Hooglied 2,14 zit mijn duif verscholen in de spleet van een rots. Bernardus van Clairvaux zegt dat deze duif uit het Hooglied het beeld is van de gelovige die in lijden en hulpeloosheid blijft uitzien naar God en diens Gezalfde Jezus … (Borgman, Alle dingen nieuw, blz. 114).

maandag 17 januari 2022
1Samuel 15, 16 – 23 en Marcus 2, 18 – 22

Vorige week maandag zijn we begonnen aan het grote verhaal van hoe Israël een koning kreeg. In de tussenliggende dagen hebben we gehoord hoe de gepeste Hanna haar afgesmeekte zoon kreeg, Samuel, en hoe Samuel – weer afgestaan aan God – die stem hoorde; spreek HEER, uw dienaar luistert. Samuel is geroepen om de eerste koning van Israël te zalven, Saul. Die eerste koning is geen succes. Vandaag horen we dat de koning ongehoorzaam is, een groter deel van de buit voor zich zelf neemt dan Gods bedoeling is. Niets nieuws onder de zon, dat doet elke koning. We vernemen de onverbiddelijke woorden van Samuël: “… omdat u het woord van de HEER verworpen hebt, zult u geen koning meer zijn.”

Nu moet u me even volgen in mijn hersenkronkel is, want ik ga het hebben over Koningshoeven en Koningsoord. Het is frappant dat zowel de trappisten als de trappistinnen in abdijen wonen met namen die naar een koning verwijzen. Als je niet beter wist zou je denken: die naam moet verwijzen naar God die koning is van hemel en aarde. Maar die namen verwijzen naar koning Willem-II – een koning met een niet al te beste morele reputatie – die evenwel nabij Tilburg gronden ter beschikking stelde voor de bouw van twee abdijen voor een type van leven dat in feite begonnen is met de woestijnvaders van wie we vandaag een bijzonder exemplaar gedenken: Antonius, abt. De mannen, onder leiding van abt Bernardus Peeters, leven in de abdij Koningshoeven in Tilburg, de vrouwen, onder leiding van abdis Pascale leven in de abdij van Koningsoord, vroeger in Berkel-Enschot en nu sinds twaalf jaren al weer in Oosterbeek, nabij Arnhem. In de glossy Klooster! winter 2021 vond ik een verhaal van de dichter Ingmar Heytze (1970) die als gast vierentwintig uur verbleef in Koningsoord. Het is een mooi maar bekend verhaal waarin de drukke, doorgedraaide en gestreste wereldling de heilzame werking ondervindt van het stille klooster, het rustige ritme, de woestijnige openheid voor het eeuwige. Aan het slot van zijn verhaal, als hij weer terug rijdt naar de wereld, zijn vrouw en zijn kinderen, zegt hij: “Nee, het is geen hotel, maar iets oneindig veel beters.” Zijn ervaring met Koningsoord heeft hij vorm gegeven in een sonnet, het gaat zo:

Koningsoord

Slapen in een klooster levert op, als het niet anders is:
kennis van hoe zusters in een uurwerk leven, getijden
rond het ademhalen van hun Schepper, dag in, nacht
uit, dag in, achter de muren van de stiltehouderij.

Dat ritme blijft je bij. Soms komt in je op: nu zingen ze,
nu werken ze, nu slapen ze, ontwaken ze, in het uur
van de wolf waarin jij wakker ligt op weg van niets
naar niets gaan zij de witte ruimte in, staan ze

onder het blauwe walvisoog van glas-in-lood te bidden
en zingen, ook voor jou en mij. Waarom lig je hier
en zijn zij daar, is binnen iets anders dan buiten,

is het waar dat wie zich afvraagt hoe hij bidden moet
het eigenlijk al doet – zijn we hoe dan ook en ongeacht
ons weten of geloven op de goede, kleine aarde bij elkaar?

Ja, mooi gedaan, Ingmar Heytze, mooi dat woord “stiltehouderij”. Is binnen iets anders dan buiten, bid je al als je je afvraagt hoe je bidden moet? En zijn we niet op de goede kleine aarde bij elkaar … ongeacht ons weten of geloven?

Volgens Marcus had Jezus sterk het gevoel dat er iets nieuws aanbrak, hij wandelt door Galilea als een bruidegom, ziet zich zelf als een nieuwe lap van ongekrompen stof, als jonge wijn. Nu zegt hij dat niemand zo’n lap aan een oude jas naait, of die wijn in oude zakken giet … maar dat is juist wat hij wel doet. Zijn blijde boodschap in onze droeve oude wereld schuurt en scheurt. Het koninkrijk van het onmogelijke, dat is wat hij present stelt, in de woorden van Halik die bekend is van zijn boek Raak de wonden aan. Door de scheur uit de hemel komt de stem van God, door de scheur in het zwerk komt het licht, bij de wonden van de wereld is God ….

maandag 10 januari 2022
1Samuel 1, 1– 8 en Marcus 1, 14 – 20

De eerste lezing opent het 1ste boek Samuel; tot in februari blijft de kerk lezen uit de twee boeken Samuel. Het grote verhaal is hoe Israël op enig moment in zijn geschiedenis een koning wilde en tegen alle adviezen in ook kreeg. God als koning was te hoog gegrepen voor de volkse smaak. Een koning moet je kunnen zien, aan zijn pracht en praal wil je je vergapen, desnoods wil je voor hem bloeden financieel of op het slagveld. Grote verhalen beginnen klein, zo is het ook met de geschiedenis die wordt verteld in de twee boeken Samuël. Het begint als een soort tijdloos sprookje: er was eens een man uit het bergland. Die man krijgt een naam en binnen de kortste keren zitten we verstrikt in zijn huishoudelijke problemen, je zou er een Netflix-serie van kunnen maken. De man heette Elkana. De man had twee vrouwen, Hanna en Pennina. Pennina heeft kinderen van hem, Hanna niet. Het is nooit eerlijk verdeeld in Gods goede schepping. De liefde van Elkana is ook niet eerlijk verdeeld over beide vrouwen, want hij houdt het meest van Hanna. Het gevolg is jaloersheid en onderlinge pesterijen: sliep uit ik heb kinderen en jij niet. Hanna wordt dan bijzonder vroom, gaat naar de tempel en belooft God dat haar eerstgeboren zoon – mocht ie haar geschonken worden – voor God zal zijn. Aan de zoon wordt niets gevraagd. Die zoon komt er, dat is Samuel naar wie de twee boeken genoemd zijn, en dan zijn we al een stuk op de weg naar een koning voor Israël. Enfin, daar horen we de komende weken meer over in de eerste lezing.

Voor ik wat zeg over de tweede lezing uit Marcus geef ik u een voetnoot van Borgman, Alle dingen nieuw (blz. 19) dat ik aan het herlezen ben: “Het is betekenisvol dat volgens het rooms-katholieke getijdengebed Jes. 42, 10 – 16 elke vierde week op maandag onderdeel is van het ochtendgebed, de lauden.” In mijn maandagpreek maak ik u daar graag op attent. De tekst luidt:

Ik leid blinden langs wegen die zij niet kennen,
langs onbekende paden leid Ik hen.
Voor hen uit verander Ik het duister in licht
en maak Ik ruwe plekken vlak (Jes. 42, 16).

Borgman schrijft over de onmogelijke mogelijkheid een goddelijk perspectief (dat is waar de theoloog voor staat) in menselijke taal uit te drukken. Daarmee hangt samen dat de bijbelse verhalen werken en krachtig genoeg zijn óók als je ze met je verstand niet kunt doorgronden. Een voorbeeld daarvan is hoe het koningschap in Israël begint met het verhaal van Elkana en zijn twee vechtende vrouwen: Ik leid blinden langs wegen die zij niet kennen. En zo is het misschien wel met de meeste dingen die we zelf in ons leven meemaken of die wij in gang zetten met onze daden. Volkswijsheid is altijd geweest: God schrijft recht ook op kromme lijnen.

Nu naar Marcus 1, 14 – 20. Hoe krom is het dat de profeet Johannes de Doper gevangen genomen wordt? Maar voor Jezus is het de aanleiding om naar Galilea te gaan waar hij Gods goede nieuws gaat verkondigen. De stem van een roepende in de woestijn wordt het zwijgen opgelegd, de gevangenisdeuren sluiten zich achter hem, maar Jezus gaat nu des te krachtiger spreken nadat de hemel voor hem is opengescheurd en de Geest als een duif op hem is neergedaald. Hij krijgt een stem nadat hij die stem uit de hemel gehoord heeft: Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind Ik vreugde. Jezus gaat dus op weg, ziet Simon en Andreas bij het meer, en iets verderop Jakobus en Johannes. Hij roept hen op hem te volgen, de letterlijke visserij op te geven en de figuurlijke visserij op te nemen. Ze hebben natuurlijk geen idee wat Jezus van hen vraagt en nog minder waartoe dat zal leiden. Ik leid blinden langs wegen die zij niet kennen, langs onbekende paden leid Ik hen. Het woord uit Jesaja is evengoed van toepassing op Elkana en zijn twee vrouwen Pennina en Hanna, als op de vier vissers Simon en Andreas, Jakobus en Johannes, ja ik denk: zelfs op Jezus zelf.

En nogmaals, het woord geldt ook voor ons. Van veel dagelijkse situaties zien we niet wat de zin er van is en waar het heen moet; sommigen zien het zelfs niet voor heel hun leven. Ik kreeg een rouwkaart van een aangetrouwde nicht die een moeilijk leven had geleid en als tekst had laten opnemen: “Pff, ik vind het nogal een klus: leven.” De laatste regel uit het Jesaja-fragment biedt het geloofsperspectief: Voor hen uit verander Ik het duister in licht en maak ik ruwe plekken vlak. Woord van de HEER.

maandag 3 januari 2022
1Johannes 3, 22 – 4, 6 en Matteüs 4, 12 – 17.23 – 25

Het verhaal van Jezus wordt in vliegende vaart verteld. Ruim een week geleden was het kerstmis, gisteren 2 januari heeft de kerk al gevierd wat normaal op 6 januari staat: Driekoningen ofwel de Openbaring des Heren. En vandaag lezen we in het evangelie dat Jezus aan zijn verkondiging begint in Galilea. Aan de hand van de evangelieverhalen wordt becijferd dat het optreden van Jezus anderhalf tot 3 jaar heeft geduurd, een korte tijd dus waarin heel veel gebeurd is. Vooral Marcus staat bekend om zijn vaart: de woorden meteen en onmiddellijk zijn bij hem niet van de lucht. Maar ik wil terug naar eerste kerstdag; er waren op de televisie een aantal kerstmissen te zien. De BBC zond een mis uit vanuit Coventry Cathedral, NPO2 en België Een hadden een mis uit een franciscanerklooster in Orsay voorgegaan door de provinciale overste van de Franse en Belgische franciscanen, de ZDF had een viering vanuit de Sankt Kiliansdom van Würzburg voorgegaan door Bischof Dr Franz Jung. Zappend kon ik van drie missen de preek volgen in een soort vergelijkend warenonderzoek. De Engelsman vond ik goed, de Fransman beter, de Duitser best. Hij beperkte zijn preek tot één beeld, namelijk de windselen van baby Jezus in de kribbe. Hij sprak zo beeldend dat ik me voor het eerst realiseerde dat windselen een ander woord voor luier moet zijn. Een pasgeboren kind heeft een luier om. De eerste Gottesdienst in het christendom – zo vond de bisschop – werd verricht door Maria bij het verschonen van de luier. God is zodanig mens geworden dat ie in de luiers gelegen heeft. De Bischof werd heel persoonlijk toen hij vertelde van zijn vader in zijn onmachtige, hulpeloze oude dag die óók in luiers gelegen had en dat verschrikkelijk had gevonden. Via de luiers kwam hij te spreken over de zorg voor het jonge kind en de oude mens. De Windeln van de kribbe verbond hij met het werk van verzorgers en verplegers in Altersheimen en Krankenhaüsern, hij zag het als Gottesdienst. Binnen zijn thema kwam hij te spreken over de Dom van Aken rond 800 gebouwd en ingewijd op het feest van Driekoningen. In de crypte liggen kostbare relikwieën als daar zijn de windselen van de kribbe én de zweetdoek uit het graf van Jezus. Eens in de zeven jaar worden ze tevoorschijn gehaald en door de gelovigen vereerd. Vorige week heb ik het gehad over relikwieën, over Kefah Allush en zijn zoektocht naar De vrouwen van Jezus van Nazareth, en zijn vraag telkens: is het echt of nep, is het waarheid of fictie? Ik was dus benieuwd wat de met doctorstitel getooide bisschop van Würzburg zou zeggen over de relikwieën van Aken waarmee hij zelf op de proppen kwam. Hij zei: je kunt er natuurlijk om lachen of je schouders over ophalen, maar dan mis je de symboliek van die windselen en doeken, namelijk dat God werkelijk mens geworden is in zijn geboren worden én sterven. Het christelijk geloof is geen hersenspinsel, maar door en door aards, door en door menselijk tot in de pies en de poep en het zweet. Juist ja. Maar dan is Jezus eveneens 17 jaar geweest, puber en adolescent. We weten daar niets van, maar je kunt het je wel voorstellen. Ik heb elders een poging gedaan, maar daar wil ik het hier niet over hebben.

Als Matteüs en Lucas (Marcus en Johannes hebben ze niet) hun geboorteverhalen verteld hebben, slaan ze heel veel jaren over en daar is Jezus met zijn openbare optreden in de synagoge met de boekrol opengeslagen bij Jesaja: er is een groot licht opgegaan, het volk dat in duisternis zit heeft een groot licht gezien. Een licht is opgegaan over hen die in het land en in de schaduw van de dood zitten. Dat licht is zeer welkom. Johannes zal in zijn eerste brief nog een paar andere woorden aanreiken voor dit licht: namelijk elkaar liefhebben én met God verbonden blijven …

maandag 27 december 2021
Johannes, Apostel en evangelist
1Johannes 1, 1 – 4 en Johannes 20, 2 – 8

“De andere leerling”, “de leerling die Jezus liefhad” zijn de aanduidingen van de apostel en evangelist Johannes van wie de kerk zo vlak na kerstmis de feestdag viert. De auteur van het vierde evangelie schrijft zich zelf niet in in het evangelie met zijn naam Johannes – het is een bescheidenheid die wij ons in de 21ste eeuw haast niet kunnen voorstellen. Maar is Johannes de auteur? Tradities vanaf de tweede eeuw zeggen: de andere leerling, de leerling die Jezus liefhad: dat is Johannes. Wetenschappelijk geschoolde exegeten zijn wat voorzichtiger om wat fictie kan zijn te bevestigen als feit. Zij weten van de ingewikkelde ontstaansgeschiedenis van het evangelie, de late datering, de verschillende handen die de pen hebben gevoerd, de school waaruit dit evangelie voortkomt. In alle voorzichtigheid wordt dan gezegd dat die school wel terug gaat op de apostel en evangelist Johannes.

Het is hetzelfde als met de EO-serie onlangs “De vrouwen van Jezus van Nazareth”. Kefah Allush gaat daar op zoek naar Maria Magdalena, Maria de moeder van Jezus, Helena Augusta, de moeder van keizer Constantijn de Grote die het christendom tot staatsgodsdienst maakt en Nino van Georgië de grondlegger van de Georgisch Orthodoxe Kerk. Hij zoekt en hij vindt relikwieën, schedels, botten, spijkers, stukjes kruishout, doornen uit de doornenkroon en vooral verhalen. Onveranderlijk stelt Allush aan de religiewetenschapper Jürgen Zangenberg de vraag of het waar is, of het echt is. Dan ontstaat er een meesmuilen. Wat is waar, wat is echt? Het wetenschappelijk antwoord op de vragen van Allush is: nee, niet echt, niet waar, of voorzichtiger, we weten het niet. Maar toch hebben “de mensen” het geloofd, ze hebben waarheid en echtheid toegekend aan … ja wat? Rondom die toegekende waarheid hebben ze kerken, kloosters en kathedralen gebouwd, bedevaartsoorden, kunst en literatuur, ja heel onze westerse cultuur.

Waar is waarheid en echtheid aan toegekend? Aan harde feiten? Nee, van meet af aan is waarheid toegekend aan een ervaring, de ervaring met Jezus van Nazareth. En er is waarheid en echtheid toegekend aan getuigen van die ervaring met Jezus tot over zijn dood heen en dat is precies wat het evangelie ons vandaag vertelt. Als eerste getuige wordt opgevoerd Maria Magdalena, die daarom later de titel Apostel der Apostelen kreeg. Zij zag het lege graf, ze ervoer de aanwezigheid van Jezus, zij getuigde van die ervaring door naar Petrus te gaan en naar de andere leerling, de leerling van wie Jezus hield. En zo kwam het verhaal op gang.

In de eerste brief van Johannes wordt het voor ons uitgespeld: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, wij verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken.”

Wat er was vanaf het begin … het lege graf was een begin, het kind in de kribbe was een begin, het scheppen van de hemel en de aarde door God die sprak is een begin, het woord van vrede en verzoening is een begin. Het zijn allemaal beginnen die onder de radar van de wetenschap liggen, maar die vol waarheid en echtheid zijn voor de gelovige …

maandag 13 december 2021
Numeri 24, 2 – 7.15 – 17a en Matteüs 21, 23 – 27

Rood is de liturgische kleding: de martelares Lucia heeft wel een reguliere gedachtenis in tegenstelling tot de H. Nicolaas; verschil moet er zijn, zelfs in het rijk der hemelen. Lucia is een heilige uit de oude kerk, ze zou rond 286 in Syracuse op Sicilië geboren zijn. Volgens een legende werden haar de ogen uitgestoken; daarom is zij – in een merkwaardige omkering waar de kerk een patent op heeft – de patrones van het licht; in Lucia klinkt en schijnt lux, het licht. Het is passend dat haar feestdag in de donkere dagen van december valt, in de advent, wanneer de kerk in afwachting is van het Licht van Bethlehem.

In het evangelie is Jezus in de tempel een beetje aan het dollen met de hogepriesters en de oudsten over bevoegdheid. Wij kennen dit verschijnsel ook: wil je een baan krijgen dan moet je beschikken over de juiste papieren; die geven je bevoegdheid om een beroep uit te oefenen. Maar wat als het over metafysiche of theologische aangelegenheden gaat? Ook dan kent onze maatschappij de geëigende opleidingen, uitlopend in de graden bachelor en master of als je helemaal doorgeleerd hebt: doctor in een af andere tak van weten. Maar wat als het weten gaat over iets waar je niet veel of zelfs niets kunt weten omdat het onze kennis overstijgt? In die situatie verkeert Jezus in gesprek met de hogepriesters en de oudsten. Ze zitten in een patstelling: zeg me waar jij je bevoegdheid vandaan hebt. Goed zal ik doen als jij me zegt waar jij je bevoegdheid vandaan hebt. Tussen haakjes: volgens Lucas was Jezus er al vroeg bij om in de tempel in discussie te gaan met Farizeeën en Schriftgeleerden; naar alle waarschijnlijkheid genoot hij daarvan.

Hoe pakt Numeri de kwestie van bevoegdheid aan? Daar vernemen we van Bileam, u weet wel de profeet die een ezel had die nog slimmer was dan hij. Van Bileam wordt daar gezegd dat hem vergund is geheimen te zien, hij mag God horen spreken, in vervoering ontvangt hij openbaringen, hij ziet wat de Almachtige ontsluiert. Dat ziet er niet uit als een formele opleiding; theologische faculteiten geven geen diploma’s af op basis van openbaringen, vervoeringen of een mystiek zien. Er zijn wel stromingen binnen het christendom, neem evangelicals of pinkstergemeenten, waar de palingboer of elke bevlogen man of vrouw de kansel mag beklimmen om de waarheid te verkondigen. In ons cultuurgebied kennen we de Theoloog des Vaderlands, een titel die toegekend wordt en georganiseerd door Trouw, EO en KRO/NCRV. De lijst van de afgelopen tien jaar bestaat uit: Frank Bosman, Erik Borgman, Ruben van Zwieten, Paul van Geest, Gerard de Korte, Janneke Stegeman, Claartje Kruijff, Stefan Paas, Samuel Lee, Almatine Leene en, onlangs nog Thomas Quartier. Hij is benedictijner monnik, hij heeft alle kans om openbaringen te ontvangen, in vervoering te raken en om dingen te zien die een normaal mens misschien niet ziet. Hij is voor dit jaar wellicht de juiste Theoloog des Vaderlands, want wat zegt hij? Hij zegt: Ik weet het niet. Hij afficheert zich in Trouw als een agnostische monnik. Hij weet niet van God, hij zoekt God. Veel theologen hebben tegenwoordig een broertje dood aan zeker weten, aan dogmatiek, aan zogenaamde geloofswaarheden. Zij bepleiten eerder een houding van lege handen, waakzaamheid en ontvankelijkheid.

Erik Borgman, Theoloog des Vaderlands 2012-2013 schrijft in een onlangs uitgegeven boek waarin al die genoemde theologen een bijdragen hebben geleverd. Borgman wijst op Matteüs 11, 25 – 26, waarin Jezus op een goed moment uitjubelt: “Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen.” Borgman voegt er dit aan toe: “Het komt erop aan dat wij ophouden te zwelgen in onze verstandigheid en geleerdheid, niet omdat deze waardeloos zouden zijn, maar omdat die theologisch gesproken pas werkelijk betekenis krijgen als we ons laten gezeggen door wat in onze cultuur als primitief en achterhaald geldt, als niet meer van deze tijd. Wij moeten niet bang zijn niet van deze tijd te zijn, zoals heel veel mensen voortdurend te verstaan wordt gegeven dat zij niet van deze tijd zijn en dat zij, wil er nog plaats voor hen zijn, dit als de gesmeerde bliksem moeten veranderen.”

Ik beschouw Erik Borgman als een licht, een lux, een hedendaagse Lucia. Gelukkig zijn zijn ogen niet uitgestoken en is hij nog geen martelaar ...

maandag 6 december 2021
Jesaja 35, 1 – 10 en Lucas 5, 17 – 26

De heilige Nicolaas, bij het jonge volkje onder de 7 jaar een van de meest aansprekende heiligen van de christenheid, staat in de liturgische kalender niet meer vermeld als heilige van de dag. In kleine letters staat ie nog wel vermeld, met (ged.) achter zijn naam. Ik weet niet wat “ged.” betekent; het kan staan voor gedateerd, gedegradeerd of gedumpt, ik weet het niet. Wel vermoed ik dat het kinderlijke geloof in Sinterklaas voor de doorgroei tot een volwassen geloof niet altijd gunstig heeft uitgepakt. Als Sinterklaas niet bestaat, bestaat God wellicht ook niet is de logica van kinderen. God als spel dat ongeloofwaardige volwassenen spelen met argeloze kinderen.

Iets ongelooflijks gebeurt in het verhaal van Lucas. Dat is toch de reactie van allen die het gezien hebben: “Vandaag hebben we iets ongelooflijks gezien!” Wat hebben ze gezien? Ze hebben gezien dat de verlamde op een woord van Jezus: Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis, dat inderdaad doet. Hij pakt het bed waarop hij altijd gelegen heeft op, en vertrekt naar huis. De mensen die hem gedragen hebben, hij was geen lichtgewicht, hebben het nakijken en zij geloven natuurlijk hun ogen ook niet. Hoe moet Lucas, arts en evangelist, dat zelf geloven? Iemand die altijd op bed ligt heeft geen spieren, die zijn volledig geatrofieerd: hoe kunnen de beenspieren hem dragen, hoe kunnen de armspieren dat bed torsen? Hoe kunnen die longen nog een lofzang op God eruit krijgen? Afgezien van de genezing zelf zijn dit nog drie aanvullende wonderen. Het is inderdaad ongelooflijk, een wonder van Jesajaanse allure. Op Jesaja kom ik zo meteen terug.

Maar eerst nog over dat wonder van – mag ik zeggen: onze eigen aanstaande heilige, de zalige Titus Brandsma (1881-1942). Het wonder is dat een priester in Florida in 2004 genas van kwaadaardige huidkanker door een klein stukje van de kleding van Brandsma tegen zijn huid te drukken. Tja, als dat genezing veroorzaakt is dat wel een wonder. Het zou nog een groter wonder zijn als het stukje kleding in handen was gegeven van de dermatoloog die er alle lijders aan melanomen mee was gaan genezen. Maar zo werkt een wonder nooit, het doorbreekt de normale natuurwettelijk causale verbanden niet, we hebben hier te maken met een andere werkelijkheid of beter: met de werkelijkheid anders. Zoals die van Jesaja 35, 1 – 10.

Wat is dat toch een wonderlijke werkelijkheid die Jesaja ons te geloven voorhoudt! Een woestijn die zich verheugt, een dorre vlakte die vrolijk is, een wildernis die jubelt en bloeit. Een wereld waarin de luister van de HEER wordt aanschouwd, kracht geeft aan trillende handen, knikkende knieën sterk maakt. Waar blinden de ogen geopend worden, de oren van doven ontsloten; waar verlamden springen als herten, en de monden van stommen jubelen. In die wondere werkelijkheid zal een gebaande weg lopen, zegt Jesaja.

In de wondere wereld van Lucas loopt Jezus van Nazaret. Hij doet sterk denken aan het beeld dat Jesaja heeft opgeroepen. Bij hem hebben de mensen het gevoel: die “werkelijkheid anders” komt nabij in hem, je moet het zien, je kunt het geloven.

En hoe is het in onze wereld? Je moet een wonder willen zien, zo is het ook met het Vaticaan, afdeling heiligverklaringen. Maar iedereen kan een wonder zien; veel mensen beschouwen hun hond of hun kat als een wonder. Je kunt dierbare naasten als een wonder zien. Ik heb een zwager die mijn schoonmoeder zaliger steevast aanduidde als “wondertje zoet”. Laten we Sint Nicolaas de wonderdoener in ere houden, en geen ged. achter zijn naam zetten ….

maandag 29 november 2021
Jesaja 2, 1 – 5 en Matteüs 8, 5 – 11

We zijn in de cyclus van het kerkelijk jaar weer in de Advent terechtgekomen. Gisteren is de eerste zondag van de Advent gevierd en voor we het goed en wel weten is het Kerstmis en ligt daar het Kind in de kribbe dat al de zonden van de wereld op zich neemt. We krijgen nauwelijks de tijd om veel medelijden te krijgen met dat kind, laat staan de aarde zo in te richten dat ze leefbaar en bewoonbaar zal zijn. We weten nu al dat het faliekant verkeerd zal aflopen met dit kind. In goed drie maanden kunnen we de hele sorry geschiedenis wel verteld krijgen tot en met Pasen en Pinksteren toe. Daarom ben ik van mening dat de adventstijd te kort is, een veel te korte periode van het kerkelijk jaar beslaat. Als ik een duit in het synodale zakje mag doen – u weet wel die raadpleging van alle katholieken wereldwijd voor de synode 2023 in Rome - dan stel ik voor de adventsperiode te laten lopen van 25 maart tot 25 december: negen maanden, de negen maanden dat Maria in verwachting is van haar kind. Een adventsperiode van negen maanden zou beter passen voor de situatie waarin Kerk-en-Wereld zich in de 21ste eeuw bevindt. In die tijd zouden we vooral de teksten van Jesaja moeten lezen, van Jeremia en Ezechiël, de grote profeten. Er zou ook meer aandacht mogen zijn voor de kleine profeten Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia, Maleachi: heel die rij stoere kerels die bleven oproepen tot gerechtigheid en die de hoop levend hielden op de komst van het Rijk Gods.

Voor christenen is dat Rijk Gods binnen hun bereik gekomen in Jezus. Ook voor de Romeinse centurio in Matteüs 8, 5 – 11 was dat het geval toen Jezus zijn knecht kwam genezen. Jezus wordt hier zelf profeet als hij zegt: “Velen uit het oosten en westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob aanliggen bij het feestmaal in het koninkrijk van de hemel.” Maar ik wil vandaag een uitstapje doen naar Lucas 17, 21 en stilstaan bij de discussie die gevoerd werd op maandag 22 november in Trouw over de vertaling van vers 21. Zegt Jezus daar in zijn gesprek met de farizeeën dat het koninkrijk van God in ons zit of zegt hij dat het koninkrijk binnen ons bereik is gekomen? Het hangt allemaal aan het Griekse woordje entos (in het Latijn vertaald door intra). In het klassieke Grieks betekent dat woordje entos inderdaad “in”, maar in het Bijbelgrieks, het koinè, heeft het de betekenis van “binnen het bereik”. Het is helemaal hip en new age om te zeggen dat God in je zit, maar dat is niet wat de bijbel zegt. De vertaler van NBV21 Hoogerwerf heeft zich gemengd in de discussie en zegt: “Als het elders in de Bijbel over het koninkrijk van God gaat, bevindt zich dat nooit ergens “in”. Het koninkrijk van God is de hemel op aarde: de situatie waarin alle kwaad is verdreven en God alles heeft hersteld en geheeld. Het koninkrijk komt, het is Gods nieuwe wereld die verwacht wordt. De rechtvaardigen zullen er binnengaan. Het is niet iets wat mensen uit zichzelf moeten halen.”

Een boeiende discussie, maar ik moest wel even slikken. Hoe graag zouden we niet willen geloven dat het allemaal in je zit; het is een soort gnostisch geloven, een ketterij die heel oude papieren heeft en die telkens weer de kop opsteekt en die heel goed past bij ons individualistisch mensbeeld. Het bijbelse mensbeeld denkt vooral in termen van gemeenschap, de leefbaarheid voor allen, het goede leven waarvan niemand uitgezonderd wordt. Heeft Jezus dat niet gebracht? In tekenen, ja, brood en wijn, breken en delen. Huub Oosterhuis typeerde zijn optreden, d.w.z. ons zicht op zijn optreden, als: “zien, soms even” … maar het is overduidelijk dat het rijk van God nog uitstaat, nog komen moet. En dan ben ik weer terug bij de adventsperiode, die naar mijn mening veel langer zou mogen zijn dan de schamele vier weken voor kerstmis. Maar we trekken ons op aan het woord van Jesaja 2, 2: Eens komt de dag ….

maandag 22 november 2021
Daniël 1, 1 – 6.8 – 20 en Lucas 21, 1 – 4

De Bijbel is een verrassend boek, een schat waaruit je oud en nieuw kunt opdiepen. Nieuw, althans waarin veel hipsters zich vandaag in zullen herkennen als ze de Bijbel zouden lezen, is het experiment van Daniël en zijn makkers om enkel groentes te eten in plaats van de vette spijzen van de koninklijke dis en water in plaats van zijn zware wijnen. En dan eens kijken wie er het gezondst uit komt.

In het korte evangeliefragment van Lucas is het de arme weduwe die volgens Jezus de gezondste houding tot geven heeft: zij geeft van haar armoede, rijken geven van hun overvloed. Als er een kosmische weegschaal is waarop de daden der mensen gewogen worden dan is de gave van de arme doorslaggevend, die van de rijke van weinig gewicht. Dat betekent voor ons rijke mensen dat we heel bescheiden mogen zijn over onze morele standing. Overigens legt Paulus in dezen de lat een flink stuk lager. In 2Korintiërs 8, 11 e.v. zegt hij namelijk: “Geef naar vermogen. Als u namelijk bereidwillig geeft van wat u hebt, worden uw gaven met vreugde aanvaard; u hoeft niet te geven van wat u niet hebt. Het is de niet bedoeling dat u door anderen te helpen zelf in moeilijkheden raakt. Er moet evenwicht zijn.” In feite zegt hij je moet goed zijn maar niet gek. Even verderop haalt hij nog een principe aan uit het boek Exodus (16, 18): “Hij die meer had, had niet te veel; hij die minder had, had niet te weinig.”

Hebben de lezingen vandaag enige relatie met de feestdag van de heilige Caecilia? Ik kan die niet vinden. Echter, in het boek Drie Engelen tot Driekoningen – bidden om betere tijden (Adveniat, Baarn, 2021) vind ik een lied dat Caecilia-waardig is, geschreven door Thomas Merton, voorzien van commentaar door de vertaler.

Een gele bloem
(licht en geest)
zingt uit zich zelf,
voor niemand.

Een gouden geest
(licht en leegte)
zingt zonder woorden,
uit zichzelf.

Laat niemand deze zachte zon aanraken,
in wiens donkere oog
iemand wakker is.

(Geen licht, geen goud, geen naam, geen keur
en geen gedachte: O, klaarwakker!)

Een gouden hemel
zingt uit zichzelf
een lied aan niemand.

“In Lied voor niemand is de trappist Thomas Merton net zo verrukt over zonnebloemen als Vincent van Gogh dat moet zijn geweest. De dichter/monnik mediteert bij een zonnebloem, en ziet dat een zonnebloem veel meer is dan alleen een prachtige bloem: het is een “zachte zon”, en “gouden geest”, een “gouden hemel”. Merton ziet niet alleen de zonnebloem, hij hoort hem ook, want de bloem zingt: “uit zichzelf”, “zonder woorden”, en “voor niemand” in het bijzonder. Een lied dat je hoort als je luistert. Al mediterend bij en over het “donkere oog” – het hart van de zonnebloem – ontdekt de dichter dat daarin leven is; er leeft niet ‘iets’ maar “iemand” voor wie Thomas Merton geen woorden heeft. Hier laat hij de lezer zelf beslissen wie er woont. Beter nog: hier geeft Merton ons de opdracht om zelf te kijken naar wie – of Wie? – er in het hart van een zonnebloem leeft. Het leven dat Merton ziet heeft iets heiligs – ís misschien wel heilig – want streng klinkt het: “Laat niemand deze zachte zon aanraken.” De les van de monnik: kijk niet alleen, leer te zien. Dan wordt een lied voor niemand een lied voor jou, voor iedereen.” Aldus Henk van ter Meij.

Voor de muziekliefhebber is Caecilia een lied voor iedereen, haar naam is muziek, aards en hemels, een onderscheid dat vervaagt als we zingen ….

maandag 15 november 2021
1Makk. 1, 10-15.41-43.54-57.62-64 en Lucas 18, 35 – 43

Vorige week las ik in de trein over de godsdienstfilosofie van William James (1842 – 1910), met name over zijn variëteiten van religieuze ervaring. Volgens James gaan religieuze overtuigingen terug op persoonlijke ervaringen. Daarbij maakt hij onderscheid tussen de oorspronkelijke religieuze ervaringen en wat hij noemt een tweedehands religie die gebaseerd is op nabootsing. Hij schrijft: “Van sommige mensen is de godsdienst door anderen voor hem gemaakt, is hem door traditie overgeleverd, is door nabootsing in bepaalde vormen vastgelegd en wordt uit gewoonte gehandhaafd.” Ik sta hier even bij stil, en stel mezelf de volgende vragen: Heb ik me in mijn leven een tweedehands religie eigen gemaakt? Ben ik door nabootsing katholiek geworden? Heb ik ooit oorspronkelijke religieuze ervaringen gehad? Dit zijn pijnlijke vragen, vooral als je er eerlijk antwoord op wilt geven.

Je kunt veel zeggen van “de jeugd van tegenwoordig”, maar deze pijnlijke vragen blijven hun bespaard. Ik moet denken aan een kleinzoon van 12 die onlangs in de familie-appgroep de vraag stelde: “hallo … is er iemand van jullie die gelooft? Ik ga er van uit van niet, maar als het anders is hoor ik het wel.” Een groot deel van secularisatie en ontkerkelijking is te begrijpen als het opruimen van tweedehands rommel, als het opdrogen van oorspronkelijke religieuze ervaringen. Daarom moeten oude vormen verdwijnen, moeten tradities sterven.

Het deuterocanonieke boek Makkabeeën, dat we moeten plaatsen aan het begin van de eerste eeuw voor Christus, is leerzaam. We lezen daar dat koning Antiochus korte metten maakt met de religie van Israël. “Per brief gelast de koning zijn hele rijk om één volk te vormen en de eigen gebruiken op te geven. En alle volken voegden zich naar het woord van de koning. Zelfs vele Israëlieten gingen over tot zijn godsdienst, offerden aan afgodsbeelden en ontwijdden de sabbat. Per bode stuurde de koning brieven naar Jeruzalem en de steden van Judea waarin hij de naleving gelastte van gebruiken die het land vreemd waren.” Religie wordt hier opgelegd. Door nabootsing ontstaat een religieuze praktijk, maar het is tweedehands, fake, nep. De oorspronkelijke ervaring is er niet.

En daar wandelt ene Jezus van Nazaret in de buurt van Jericho. Een blinde zit langs de weg te bedelen. Ik denk dat Lucas deze simpele woorden met alle lading gevuld heeft waarover zijn evangelie beschikt. Ze tekenen de menselijke conditie én het christelijke antwoord daarop. In al zijn spirituele armoede, in heel zijn blindheid voor de werkelijkheid van God is de mens een bedelaar langs de kant van de weg. De wereldgeschiedenis op de snelweg raast langs hem heen, de mensen die voorop lopen snauwen hem af: “hou je mond, bedelaar, met je Zoon van David heb medelijden met mij.” Maar de bedelaar in ons laat zich niet het zwijgen opleggen en schreeuwt om medelijden. Als hij voor Jezus gebracht wordt vraagt hij niet om een “aalmoes” – wat je van een bedelaar zou verwachten (tussen haakjes: een woord dat niet meer voorkomt in de NBV21, aalmoes is nu “een geschenk uit barmhartigheid”) – maar dat hij weer zien kan. De oorspronkelijke religieuze ervaring die Lucas beschrijft is dat het contact met Jezus geloof doet ontspringen dat “zien” mogelijk is. De blinde bedelaar langs de kant van de weg ziet weer, volgt Jezus op zijn weg en looft God.

Lucas sluit zijn verhaal af met de opmerking: “Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God.” Daarom zegt Charles Taylor tegen William James dat de individuele ervaring niet het hele verhaal is. Ervaring is ook overdraagbaar, het verhaal gaat verder, zei Nico ter Linden destijds. En wat moet het geseculariseerde individu, wat moet mijn kleinzoon van 12 met: hallo gelooft er iemand? Ik zou zeggen dat het wel goed komt met hem ... als hij zich oefent in ontvankelijkheid.

maandag 8 november 2021
Wijsheid 1, 1 – 7 en Lucas 17, 1 – 6

Jezus gebruikt krasse beelden om uit te drukken wat geloof vermag. De bekendste uitdrukking die in onze taal ingang heeft gevonden is: geloof dat bergen verzet. Deze beeldspraak komt uit Marcus 11. Vandaag vernemen we in Lucas 17 een ander beeld dat op hetzelfde neerkomt, maar dat geen ingang heeft gevonden in ons alledaagse spraakgebruik: een boom die je aan de wandel kunt brengen richting zee op jouw bevel, een boom die zijn wortels uit de grond trekt en ze plant in de zee. Het is kras.

Op 2 november is de klimaattop in Glasgow van start gegaan, op 12 november wordt ie afgesloten. Nog 4 dagen te gaan. Wat zal de slotverklaring tegen de wereld zeggen? Voordat Glasgow begon spraken jongeren uit allerlei landen zich uit, jongeren die zich tot spreekbuis hebben gemaakt van hun generatie zoals Greta Thunberg. Zij verwachtten vooral blablabla. Ze zeiden niet te wachten op verklaringen, doelstellingen en ambities. Wat mij trof was dat zij het woord “hoop” niet meer wilden horen. Ik moest denken aan die andere wijsheid volgens welke de hoop als laatste sterft. Als jongeren niet meer willen horen van hoop baart dat de grootste onrust. Zij vinden hoop vrijblijvend, te vroom misschien: actie is gevraagd en wel nu. In dat verband is het goed nog eens naar die twee krasse beelden te kijken: een geloof dat bergen verzet, een geloof dat de bomen doet wandelen. Dat is behoorlijk activistisch. De jongeren bevinden zich zo gezien in goed gezelschap, het gezelschap van Jezus van Nazareth, al zullen velen hem niet kennen. Maar ook dat geeft niet, want zoals het boek Wijsheid zegt (vers 7): de geest van de Heer vervult immers de gehele wereld.

Intussen worden nog steeds kinderen geboren, het lijkt totaal onverantwoord. Ach arme kinderen, wat zullen zij nog meemaken aan rampspoed in de komende eeuw. Toch moet de geboorte van een kind – afgezien van dat het onverantwoord is – een oefening zijn van geloof, zo niet hoop en liefde, zoals bekend de drie goddelijke deugden. Ritueel viert de kerk elk jaar de geboorte van Jezus, we zijn weer op weg naar kerstmis 2021. In het gelijknamige meditatieboekje (van Allerzielen tot Driekoningen), dit jaar van de hand van Marinus van den Berg (1947) lees ik een gebed dat vraagt: behoed ons.

Behoed ons voor cynisme
Behoed ons voor realisme zonder horizon
Behoed ons voor onverschilligheid
Behoed ons voor verharding
Behoed ons voor hoogmoed
Behoed ons voor de tijd uitzitten
Behoed ons voor verlies van alle verwachting

Ja, heel goed, dat moeten we vragen. Ik zou daar nog aan toe willen voegen: behoed ons voor een geloof dat geen bergen verzet.

Maar het laatste woord geef ik aan Paulus 1Korintiërs 13. Daar treffen we de uitdrukking in al haar zuiverheid, maar ook de relativering: “al had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn” (vers 2). Paulus relativeert zo’n beetje alles waar we ons druk over maken – zelfs de klimaatcrisis – en stelt dat er uiteindelijk drie dingen overblijven: geloof hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

maandag 25 oktober 2021
Romeinen 8, 12 – 17 en Lucas 13, 10 – 17

Uit de brief aan de Romeinen roep ik vers 14 en 15a terug: “Allen die zich laten leiden door de Geest van God zijn kinderen van God. De Geest die u ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid.” Bij deze woorden moet ik denken aan klimaatactivist en theoloog Rozemarijn van ’t Einde (1992). Zij zegt in Volzin nummer 10, oktober 2021: “Ik mis daadkracht bij de kerk. Ik zie in de kerk wel de zorg om de aarde, maar dan altijd braaf en lief. Daar heb ik weinig geduld mee, want met alleen braaf en lief gaan we het helaas niet redden. De kerk gaat veel te weinig de barricades op. Actievoeren is voor haar de kern van het geloof.” Verder is Rozemarijn van mening dat we niet zo zeer hoop nodig hebben als wel moed. Zij laat een fragment van een Franciscaans lied opnemen dat als volgt gaat:

Maak ons hart onrustig, God,
dat het ontevreden klopt
als we mooie leugens horen
en gemakkelijke woorden!
Maak ons hart onrustig, God.

Laat ons dwaas en koppig zijn.
Laat ons doorgaan tot het eind.
Gaat het onze kracht te boven,
laat ons dan in u geloven.
Laat ons dwaas en koppig zijn.

Moedig, dwaas en koppig zijn ook kenmerken van Jezus, zoals hij in het verhaal van vandaag een kromgebogen vrouw op sabbat geneest. Op ons zal dit handelen op sabbat niet als geweldig moedig voorkomen, want wij doen tegenwoordig alles op sabbat, naar de Hornbach gaan of de AH wie had dat ooit gedacht? Maar in de Joodse wereld van Jezus was het overtreden van de sabbatsgeboden een barricadegevecht dat hem uiteindelijk aan het kruis bracht. Jezus verdroeg niet langer om wat krom was recht te praten, en er moest gehandeld worden: de rug van de kromgebogen vrouw moest recht, potverdorie en van ons ook.

In dezelfde Volzin staat een gedicht Erich Fried * (1921 – 1988), geciteerd door Franck Ploum (Kerkrade, 1968). Daarin staan zo’n beetje alle uitvluchten bijeen die verhinderen dat je moedig bent. Het is onzin, zegt het verstand. Het is tegenslag, zegt de berekening. Het is alleen maar pijn, zegt de angst. Het is uitzichtloos, zegt het inzicht. Het is belachelijk, zegt de trots. Het is lichtzinnig, zegt de voorzichtigheid. Het is onmogelijk, zegt de ervaring. Er is één stem die ik nog niet heb genoemd, en dat is de stem van de liefde die al de tegenwerpingen weerlegt of het zwijgen oplegt. Ik denk dat het dit is wat Jezus gedaan heeft. Nu nog een keer het hele gedicht met de stem van de liefde ertussen:

Het is onzin zegt het verstand
Het is wat het is zegt de liefde

Het is tegenslag zegt de berekening
Het is alleen maar pijn zegt de angst
Het is uitzichtloos zegt het inzicht
Het is wat het is zegt de liefde

Het is belachelijk zegt de trots
Het is lichtzinnig zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk zegt de ervaring
Het is wat het is zegt de liefde

* vertaald uit het Duits door Geert van Istendael. Uit: De mooiste van de hele wereld, Uitgeverij Lannoo, 1996

maandag 18 oktober 2021
2Tim 4, 9 – 17a en Lucas 10, 1 – 9

Vandaag viert de Kerk de heilige Lucas, de auteur van het evangelie volgens Lucas én van Handelingen van de apostelen. Ik neem enkele opmerkingen over van Peter Schmidt, de huisexegeet van Golfslag ( 3/2021). We weten dat de drie evangelies van Matteüs, Marcus en Lucas veel op elkaar lijken: veel overeenkomsten, weinig verschillen, maar het evangelie van Lucas heeft maar liefst 42 % eigen materiaal, verhalen dus die niet te vinden zijn bij Matteüs en Marcus, noch bij Johannes overigens. Dat zijn de geboorte- en kindheidsverhalen van Jezus, zijn ontmoeting met Zacheüs, de parabels van de Barmhartige Samaritaan en de Verloren Zoon, de opwekking van Lazarus en het schitterende verhaal van de Emmausgangers dat de voormalige pastoor van Goirle (Martin van Zutphen) nog mooier vindt dan de Barmhartige Samaritaan. Want die Samaritaan had een dikke portemonnee, hij kón barmhartig zijn, zo verklaarde MvZ zijn voorkeur. Exegeten hebben zich lange tijd afgevraagd waar dat eigen materiaal van Lucas vandaan komt: hij is er niet bij geweest en als ie het van horen zeggen had, hadden anderen vast wel een van die verhalen ook opgenomen. De verklaring – tegenwoordig gemeengoed onder exegeten volgens Schmidt – is heel eenvoudig: Lucas heeft een creatieve geest, hij is een geïnspireerd auteur. Hij heeft traditioneel materiaal op zijn eigen wijze ingekleurd, hij geeft zijn eigen theologische interpretatie van het verschijnsel (of moet ik zeggen: de verschijning) Jezus. Bij de evangelist Johannes is dat nog sterker het geval is. Schmidt gaat niet zo ver om ronduit te zeggen dat Lucas een aantal verhalen zelf verzonnen heeft. Ik durf dat wel te zeggen, en waarom niet? Waarom zouden we de creativiteit van Lucas niet opvatten als geïnspireerd schrijverschap? De openbaring hield niet op toen de laatste woorden van het NT geschreven waren, ze gaat door tot op de dag van vandaag. God openbaart altijd, gisteren, vandaag en morgen.

Kom ik te spreken over twee actuele gebeurtenissen. Eerst de NBV21, de herziene NBV die in 2004 uitkwam. 21 verwijst niet enkel naar dit jaar 2021, maar ook naar de 21ste eeuw. Het is de bedoeling dat de herziene de hele eeuw mee zal gaan. Op verzoek van lezers krijgt God ‘Zijn’ hoofdletters terug in de Nieuwe Bijbelvertaling. Deze eerbiedskapitalen van de verwijzingswoorden doen echter geen recht aan de bijbelse God die juist nabij wil zijn, stelt Jaco Zuurmond, predikant Protestantse Gemeente Enschede/ Studenten-pastoraat in Trouw van 9 oktober. Elders lees ik dat de vrouwonvriendelijkheid van Prediker eruit is gehaald. Waar met “dat mens” een vrouw wordt bedoeld, geeft de NBV21 genderneutraal “die mensen”. Goed zo NBV21! Een andere wijziging is dat Job aan het eind van het boek Job niet meer verslagen voor God buigt, maar zijn hoofd fier overeind houdt: en toch was ik niet schuldig. Het schijnt dat het Hebreeuws die vertaling mogelijk maakt.

Een tweede gebeurtenis – waar ik zeker nog op terug moet komen – is de oproep van de paus aan alle katholieken (anderhalf miljard schijnen er geteld te kunnen worden) om zich uit te spreken over de toekomst van de rkk. Nooit eerder gebeurd, maar deze paus doet het. Zeg het maar, wees creatief, spreek je uit. De bedoeling is dat in 2023 de bisschoppensynode in Rome op basis van alles wat er binnen is gekomen vergaande besluiten neemt. Bisschop de Korte gaat in ons bisdom parochiebesturen en priesterraden horen, dat is al een hele klus om in een half jaar voor mekaar te krijgen. Hoe moet je dat doen met “alle” katholieken? Maar als u en ik toch mee willen praten: stuur hem een brief of een mail, dat staat je vrij, en hij neemt alles mee. Hij tempert wel de verwachtingen: denk niet dat we de kerk opnieuw gaan uitvinden, en weet wel dat paus en bisschoppen in 2023 besluiten: daar zijn u en ik niet bij. In Duitsland zijn deze gesprekken tussen en met de katholieke gelovigen al een hele poos aan de gang, de Synodale Kerk in Duitsland heet het gesprek, en een van de spraakmakende voorstellen daar is – naast de gelijke positie van man en vrouw maar dat spreekt allang vanzelf – de afschaffing van priesters überhaupt. We hebben ze helemaal niet nodig zegt een groep Duitse katholieken. Dat is nogal wat. Dat klinkt toch een beetje als de kerk opnieuw uitvinden. We zullen zien zei de blinde …

maandag 11 oktober 2021
Romeinen 1, 1 – 7 en Lucas 11, 29 – 32

In september 2019 kwam het boek uit van Rutger Bregman, De meeste mensen deugen, met als ondertitel: een nieuwe geschiedenis van de mens. Het boek werd een bestseller, ik geloof dat het nog steeds goed verkoopt. Ik heb het boek niet gelezen, waarschijnlijk omdat de pretentieuze ondertitel me stoort. De boodschap die in de boektitel ligt slaat kennelijk aan: er is zoveel negativiteit, zo veel slecht nieuws, we worden zo vaak geconfronteerd met de ondeugdelijke kant van veel mensen, dat je er somber van dreigt te worden. Een opmonterend verhaal dat beweert – nee dat bewijst, want Bregman baseert zich op wetenschappelijk onderzoek – dat de meeste mensen toch wel deugen, gaat er in als Gods woord in de ouderling.

Kom ik te spreken over Gods woord, vandaag verspreid over de aanhef van Paulus’ brief aan de Romeinen en een paar verzen uit Lucas 11. Daarin zegt Jezus tegen de mensenmassa die almaar aangroeit: Deze generatie is een generatie die niet deugt. Bam! Die niet deugt! Rutger Bregman versus Jezus van Nazaret. Waarom deugt deze generatie niet (we mogen er net zo goed onze generatie onder verstaan)? Omdat ze de tekenen niet leest, omdat ze niet wil zien, omdat ze niet wil horen, omdat ze de kop in het zand steekt. Je kunt het ook zo zeggen: omdat ze zich niet laat beroeren door een Greta Thunberg, door een paus Franciscus, door de heilige Franciscus van Assisi, door Jezus, door Jona. Klimaat? Ja wel, maar de gasprijs is momenteel even belangrijker.

Over Jona hoorden we vorige week in de eerste lezing. Om het schip, man en muis, te redden liet hij zich overboord smijten, wat een teken! Van Jezus horen we in de bijbel – ook een bestseller overigens – in de kerken, of in onze geseculariseerde wereld in The Passion als medium spektakel van de EO. Het teken dat hij stelt is het kruisteken, het plaatsvervangend lijden, het onschuldig lijden, het lam Gods, liefde tot het uiterste toe. Voor zover onze cultuur deugt is ze een zwakke afschaduwing van het teken van Jezus in de naastenliefde, de menslievende zorg zoals die gegeven wordt in verzorgings- verpleeg- en ziekenhuizen, in het naleven van de mensenrechten, speciaal ten aanzien van de armen, de daklozen, de vluchtelingen, de ontheemden. Het teken van Jezus is het evangelie van Jezus, in dienst waarvan Paulus zich in zijn brief richt tot de Romeinen en tot ons. God heeft jullie lief en roept jullie tot een heilige gemeente; die oproep deed hij al door de profeten en de geschriften, Hij doet dat opnieuw door Jezus die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David, en naar de heilige Geest aangewezen als zijn Zoon.

Dit is het verhaal dat naar christelijke overtuiging deugd doet, als je dit gelooft en doet brengt het genade en vrede. Veel mensen hebben afscheid genomen van het geloof, althans ze geloven ook zo wel – zie Rutger Bregman – dat de meeste mensen deugen. Wat vind ik zelf? Deugen de meeste mensen? In mijn beperkte waarneming ja. Vanuit mijn catechismusgeloof geloof ik dat God de mens goed geschapen heeft, maar dat er die geneigdheid tot het kwade is. Tussen die goede inborst en die neiging tot ondeugd zit een flinke spanning die nooit laat voorspellen hoe de mens zich in concrete omstandigheden zal gedragen. Ik geloof dat we dat vrijheid noemen. De mens is een hachelijk avontuur, hij is voor zich zelf grotendeels een raadsel. Het raadsel zal pas opgelost zijn als we teruggekeerd zijn in de oerschoot der dingen …

maandag 4 oktober 2021
Jona 1, 1 – 2, 1.11 en Lucas 10, 25 – 37

“Geloof heeft niet in de eerste plaats te maken met allerlei overtuigingen en met moraal, het is allereerst een levenshouding. Dat je gelooft dat er in de wereld iets goed aan de gang is, dat je daaraan mee kunt doen en dat het niet alleen van jou afhangt. Dat de grond waarop we staan heilig is.”

Dit zegt theoloog Arjan Broers in Trouw van maandag 27 september. Hoe waar is die uitspraak, ten dele tenminste. Neem die Samaritaan. Hij heeft het verkeerde geloof, zijn overtuigingen en zijn moraal zullen dus wel navenant zijn. Dat is in ieder geval de dijk van het vooroordeel waarmee Lucas bekend is. Maar deze man is op reis, hij beweegt zich op vreemde grond … en het wordt voor hem heilige grond als hij die arme drommel ziet liggen langs de weg. Zijn geloof en overtuigingen doen er niet zo veel toe, het is zijn houding die telt, zijn bewogenheid, zijn handelen jegens de halfdode man waar de rechtgelovige priester en Leviet omheen lopen. In zoverre heeft Broers gelijk. Hij heeft ongelijk over dat goede dat aan de gang is; er is namelijk ook veel slechts aan de gang dat je wellicht kunt bestrijden, en soms hangt het alleen van jou af. Dat maakt de Samaritaan wel duidelijk.

Het verhaal van Jona is ook al zoiets. De heilige grond dáár is de bodem van het schip waar Jona ligt te slapen terwijl er een hevige storm raast en het schip dreigt te vergaan. Het geloof van Jona is een rommeltje, hij is op de vlucht voor de HEER, maar wat een opmerkelijke levenshouding geeft hij ten beste als hij zegt: “Neem mij maar op en smijt mij maar in de zee, dan zal de zee jullie met rust laten.” Deze houding maakt zo’n indruk op de bijgelovige schippers dat ze van de weeromstuit in een oprechte houding komen te staan tot God met een oprecht gebed: “Ach, HEER, laat ons niet te gronde gaan wanneer wij deze man om het leven brengen, en reken ons dit niet aan als het vergieten van onschuldig bloed; want U, HEER, hebt immers verlangd, dit te laten gebeuren.” Goede dingen en slechte dingen, schuldig en onschuldig; het vraagt veel van een mens om in het besef dat God het allemaal laat gebeuren toch tot een juiste levenshouding te komen.

Arjan Broers vertelt in Trouw dat ie na het tv-programma De Verwondering veel reacties kreeg op de zin: “De grond waarop je staat is heilige grond.” We kennen die woorden uit Exodus die tegen Mozes worden gesproken door God bij het brandende braambos. Broers geeft er deze draai aan: “we zijn gewend te praten over problemen en hoe je die kunt oplossen. Maar wat nou als je levensvraag geen probleem is, maar heilige grond? Dat je kunt luisteren naar wat het leven je aanbiedt? Dan ontstaat er een heel ander perspectief, met ruimte om met eerbied, verwondering en humor naar je verhaal te kijken. Het betekent dat je erop moet vertrouwen dat wat nu in je leven gebeurt misschien pijnlijk is, maar dat het erbij hoort.”

Ja, mooi gezegd, maar een juiste levenshouding vraagt ook om handen uit de mouwen. Hoort het erbij dat de planeet ten onder gaat? We vieren vandaag de arme heilige Franciscus. Hij vernam de opdracht: ga en herstel mijn huis. We hebben mijn huis opgevat als de kerk. Maar de hedendaagse Franciscus, ik bedoel de paus, neemt het huis breder: ga en herstel de aarde. De aarde is de heilige grond van alle leven, van mens, dier, plant en planet tot en met de virussen en bacteriën…

maandag 27 september 2021
Zacharias 8, 1 – 8 en en Lucas 9, 46 – 50

Een meningsverschil over wie de grootste is. Dat formuleert Lucas wel erg netjes, terwijl het gewoon kinderachtig gedoe is van de leerlingen. Hoe helpt Jezus hen daar van af? Door een staaltje van aanschouwelijk onderwijs. Hij haalt een kind erbij. Een kind is per definitie kwetsbaar. Een kind is ontvankelijk, het staat open voor het leven dat hem gegeven is. Jezus identificeert zich met het kind. Wie dit kind ontvangt, ontvangt mij. Als je wil denken in termen van groot en klein – zo houdt Jezus zijn leerlingen voor – zet dan het normale denken opzij en keer het om: de kleinste is groot. We hebben het dan niet over de wereld van de macht, de economie, de politiek, samengevat als de wereldse aangelegenheden. Nee, dan hebben we het over waar het Jezus om gaat: het rijk Gods. Dáár ben je groot als je je kwetsbaarheid weet te behouden, als je ontvankelijk blijft voor wat God je geeft, als je open blijft staan voor het leven kome wat komt. Inderdaad, dat is voor machtsbeluste mensen een moeilijk verhaal, en wie wil niet macht, wie wil niet zoals Toon Hermans zo komisch wist uit te spelen, een vinger in de pap? Dat willen we allemaal. Het is goed dat we dit onder ogen zien, vooral omdat het de ogen kan openen voor de vraag waar het werkelijk om gaat. Tijdens de maandenlange pogingen om een regering in Nederland te krijgen werden de spelers vaak kinderachtigheid verweten en werd gezegd dat het om de inhoud zou moeten gaan; verantwoordelijke en volwassen mensen beseffen dat het daar om gaat, dat het daarom moet gaan.

Een oproep tot volwassenheid doet in Volzin de nieuwe columnist Dirk van de Glind: het christelijk geloof moet volwassen worden. Hoe ziet hij dat voor zich? Waartoe roept hij op? Ik citeer: “Het gaat in het christendom altijd om de liefde voor God en de liefde voor de naaste, nooit om de liefde voor de aarde. Er moet een einde komen aan die merkwaardige soort gerustheid, waarbij we vooral in Jezus geloven, en wat we met de aarde doen ons vervolgens wel vergeven zal worden.” Die volwassenheid begint volgens Van de Glind met het besef dat we niet boven de natuur staan, maar zelf natuur zijn. Dat is de basis voor een actieve bijdrage aan een wereld waarin toekomstig leven ook gewaarborgd is, meent hij. Het idee dat God de wereld voor óns schiep, klinkt inderdaad ineens behoorlijk kinderachtig. “Als we onszelf gaan beschouwen als deel van de natuur, zien we dat wat we voor de aarde doen en laten niet langer als een offer, maar als iets waar we zelf ook beter van worden.”

Ik denk dat we het met deze columnist eens kunnen zijn, ik denk dat dit ook in de lijn is van paus Franciscus (84) met Laudato Si’ en in de lijn van de groene patriarch Bartholomeus (81) van Constantinopel; het is in lijn met de oproep die beiden, samen met het hoofd van de Anglicaanse kerk Justin Welby (65) op 7 september hebben uitgegeven. “We roepen iedereen op om zijn gedrag te onderzoeken en om zinvolle offers te brengen ter wille van de aarde die God ons heeft gegeven. Laten we dit moment niet voorbij laten gaan. We moeten beslissen welke wereld we aan de komende generaties achterlaten.” Ze verwijzen daarbij naar het bijbelboek Deuteronomium, hoofdstuk 30, vers 19. God geeft de opdracht: “Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen.” Volgens paus Franciscus, patriarch Bartholomeüs en aartsbisschop Welby betekent dat “anders te eten, reizen, geld uitgeven, investeren en leven, waarbij we niet alleen denken aan pleziertjes en winst op korte termijn, maar ook aan toekomstige voordelen.” Vooral voor de jongere generaties moet het roer nu om. “We hebben berouw over de zonden van onze generatie”, aldus Franciscus, Bartholomeüs en Welby. “We staan naast onze jongere zusters en broeders over de hele wereld in toegewijd gebed en toegewijde actie voor een toekomst die steeds meer overeenkomt met de beloften van God.

En wat is het perspectief? Daarvoor kunnen we terecht bij de profeet Zacharias uit de eerste lezing: “Er zullen weer oude mannen en vrouwen zitten op de pleinen van Jeruzalem, ieder met een stok in de hand, vanwege hun vele jaren. De pleinen van de stad zullen weer vol zijn met jongens en meisjes die op de pleinen spelen.” Jong en oud op een leefbare aarde, met een klimaat dat gunstig is voor de leefomstandigheden: daaraan moet gewerkt worden, daaraan moet de gelovige op een volwassen wijze bijdragen.

maandag 20 september 2021
Ezra 1, 1 – 6 en Lucas 8, 16 – 18

“Aan degene die heeft, zal gegeven worden, en aan degene die niets heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij dacht te hebben.” Deze woorden uit het evangelie van Lucas vormen vandaag (en altijd) ons struikelblok. Ze lijken een adequate en cynische beschrijving van hoe het in ons gave land onder Rutte er aan toe gaat. De rijken krijgen het steeds beter, worden altijd bevoordeeld, de armen krijgen het steeds slechter, worden altijd benadeeld. Het ongemakkelijke is dat wij nauwelijks, of zeg maar gewoon niet, tot de armen behoren: wij zijn rijk, wij hebben en aan ons zal gegeven worden. Maar lezen we de woorden op die manier goed? Jezus geeft niet voor niets een waarschuwing vooraf: let goed op hoe je hoort (c.q. leest). Maar een leessleutel of een aanwijzing hoe te horen geeft hij niet. Bedenk het zelf maar.

Ik vond een sleutel in Filosofie (mei/juni 2021) met als thema Filosofie en mystiek. Een artikel van Michel Dijkstra met als titel: Wees je eigen lamp? ‘Eigen kracht’ en ‘andere kracht’ in Bendowa van zenmeester Dogen. In dat artikel gaat het over een lamp, over licht, precies de woorden van het korte fragment van Lucas. In het Boeddhisme gaat het over Verlichting, zoveel weten we er toch wel van, als de uitkomst van een Weg die de leerling moet afleggen. Waar zit het licht, waar komt het vandaan? Er zijn ruwweg twee antwoorden, die tegelijkertijd twee scholen vormen. Het licht komt van buiten in de mens is het ene antwoord; het andere antwoord is dat het licht altijd al in de mens zit. Daarmee hangt ook samen het antwoord op de vraag hoe je tot Verlichting komt of bij de Lamp: is dat op eigen kracht of is het een andere kracht? In christelijke termen: is het ascese, oefening, een leven van orde en regelmaat, of is het puur genade, wordt het je geschonken zonder dat het eigen verdienste is? Is het de katholieke of is het de protestantse weg? Door scha en schande wijzer geworden denken we niet meer in die tegenstellingen, het is zowel het een als het ander; je kunt beide benaderingen niet verabsoluteren of tegen elkaar uitspelen. Dat is uiteindelijk ook de uitkomst van de Boeddhisme-kenner Dijkstra die aan het slot van zijn artikel een verwantschap ziet met de christelijke mystiek van Meister Eckhart, Bernardus van Clairvaux en Hadewych van Antwerpen. De overeenkomst is dat de ziel leeg moet zijn om Gods volheid te kunnen ontvangen. Maar de eigen inspanning begint bij een besluit de ziel leeg te maken. Als de ziel de deur dichthoudt, kan God niet binnenkomen. Wees je eigen licht: deze aansporing klopt wel en niet, aldus de zenmeester Dogen. Bij het besluit om te gaan zitten in meditatie, begint jouw innerlijk licht te schijnen. Maar dan merkt je dat jij óók verlicht wordt door alles en iedereen om je heen. Jouw licht schijnt dan weer over alle dingen, die dit weer terugkaatsen. Schijnen en beschenen worden zijn één.

Zie zo, dat is heel wat lamp voor vandaag. Zouden er mensen zijn die zich volledig afsluiten voor het licht of dat nu van buiten komt of dat binnen in je zit? Het is moeilijk voorstelbaar. Als je je openstelt) … zal je gegeven worden. Maar als je je afsluit dan ontneem je jezelf de overvloed en de rijkdom. Er hoeft niet eens iets van je afgepakt te worden want je hebt niets. Zo versta ik nu de woorden van Lucas: minder economisch dus, meer spiritueel …

maandag 13 september 2021
1Tim. 2, 1 – 8 en Lucas 7, 1 – 10

“Maar zeg een enkel woord, dan zal mijn jongen beter worden.” Het is wonderlijk hoeveel kracht de heidense centurio toekent aan het woord van Jezus: wat voor geloof steekt daar niet achter? Een geloof dat Jezus in heel Israël niet zal vinden. Een volk dat toch bij uitstek gelooft in de kracht van woorden. Dat blijkt al uit het eerste bijbelboek, de woorden die God spreekt om de chaos te ordenen tot een ordentelijke schepping. Licht! En er was licht. Verderop in de bijbel treffen we Mozes aan op de berg Sinaï waar God hem tien woorden geeft om de menselijk chaos te ordenen tot leefbare verhoudingen. Merk op dat hier al wat meer woorden voor nodig zijn. Op diverse plaatsen in de profeten wordt de overtuiging verwoord dat Gods woord vruchtbaar is: het keert niet ledig tot hem terug nadat Hij het heeft uitgesproken, het woord doet zijn werk.

“Spreek slechts een enkel woord, dan zal mijn jongen beter worden.” Ik zeg dat het wonderlijk is hoe de honderdman denkt, maar hij legt het uit. Hij heeft mensen onder zich die naar zijn bevelen luisteren; als legercommandant heeft hij niet veel woorden nodig om mensen in beweging te zetten. Doe dit en ze doen het. Hoeveel te meer moet dat niet zijn bij God en bij de man die namens God optreedt? Een hondenbezitter weet ook hoe het werkt. Zit, af, koest: een enkel bevel en een goed afgerichte hond zal gehoorzamen. Maar zo willen wij mensen niet met elkaar omgaan, dat vinden wij mensonwaardig. Wij overleggen, voeren een gesprek met elkaar, tasten af waar gevoeligheden liggen. Wij hebben veel woorden nodig.

In de eucharistie zijn de woorden van de heidense honderdman opgenomen, in een verspiritualiseerde vorm: Heer ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts één woord en mijn ziel zal gezond worden. Ja, mijn ziel wel, maar als je lichamelijk iets mankeert ga je naar de dokter, je gelooft eenvoudigweg niet dat je van een kwaadaardige tumor in je hoofd genezen kan worden door een woord van God, “Jezus redt, enkel door het gebed”, zong Robert Long pesterig.

Dat gelooft zelfs de bisschop van Roermond niet, Harrie Smeets, die nog maar een paar jaar geleden is aangetreden. In een prachtig interview in Trouw van 4 september (gelijktijdig met De Limburger) spreekt hij over die tumor, en zegt: “Ik zal hieraan sterven; van de natuur win je het niet.” Hij zegt ook: “Ik heb me niet afgevraagd waarom ik? Ik ben toch niet beter dan een ander?” Ook zegt hij: “Ik weet ook niet waarom de dingen zijn zoals ze zijn, maar het vertrouwen in Hem is er.” Hij heeft vertrouwen, maar hij bidt niet: spreek slechts één woord en mijn tumor zal verdwenen zijn. Het zijn eerlijke woorden van deze bisschop die zich daarmee een herder toont die niet veel verschilt van zijn schapen. Hij vertelt dat ie nog naar Lourdes gaat. Citaat: “Niet met het idee dat er een wonder bij mij zal gebeuren. Op een wonder mag je hopen, maar zeker niet rekenen. Ik heb eens bij de grot van Lourdes een vrouw ontmoet. Die zat daar gewoon. Ze zei: ‘ik bid thuis heel veel. Elke dag wel de rozenkrans. Maar als ik in Lourdes ben, bid ik niet. Dan zit ik bij de grot en zeg tegen Maria: ‘Hier ben ik, hier ben ik thuis’. Ook ik hoop dat ik in Lourdes thuiskom bij Maria. Dan is het goed voor mij.”

Tegen het einde van het interview vraagt Stijn Fens, want hij is het die mede het interview afneemt: Heeft u een idee hoe de hemel eruit ziet? Antwoord: “Daar heb ik over nagedacht. Jezus is hier zelf duidelijk over geweest, dat niemand zich kan voorstellen hoe het zal zijn. Of zoals Paulus schrijft: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’ Het zijn niet zomaar woorden. Het is ook niet voor te stellen. Daar zijn onze zintuigen te beperkt voor.”

Als allerlaatste vraag: Gaat u uw dierbaren terugzien? Daarop antwoordt bisschop Smeets: “Het zou zo maar kunnen. Ik zou niet weten waarom niet. Augustinus heeft ooit tegen zijn moeder gezegd: ‘Als ik jou daar niet terugzie, hoef ik er ook niet te zijn.’ Dat vind ik een prachtige uitspraak.”

Ja dat is een prachtige uitspraak, want een liefdesverklaring, maar ook een absurdistische uitspraak. Het is de hemel afhankelijk maken van je moederbinding. Het zegt meer over de relatie die Augustinus met zijn moeder had, dan dat het iets zegt over de hemel.

maandag 6 september 2021
Kolossenzen 1, 24 – 2, 3 en Lucas 6, 6 – 11

De meeste aandacht gaat uit naar het feit dat Jezus op sabbat geneest: een man met een verschrompelde rechterhand. Elders een vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt, en nog een derde genezing van een man die aan waterzucht lijdt … alles op de dag dat je niet mag werken. Aan de genezing van de verschrompelde rechterhand besteedt Lucas, die volgens de traditie toch arts was, weinig aandacht. De man krijgt de opdracht zijn hand uit te strekken. Hij doet het en zijn hand herstelt zich. Marcus vertelt het precies zo. Matteüs idem dito, maar hij voegt er nog aan toe dat de hand even gezond wordt als de linker. Met twee gezonde handen wordt het werk aangepakt. Dat de sabbat zo uitdrukkelijk vermeld wordt, moet wel betekenen dat het werk geen gewoon werk is: namelijk het nabij brengen van het rijk Gods.

Wie als geen ander deel heeft genomen aan dat ongewone werk is de apostel Paulus. In zijn brief aan de Kolossenzen geeft hij een soort taakomschrijving. Hij is dienaar geworden krachtens de taak die God hem heeft gegeven. Die taak houdt in iedereen bekend te maken met de rijkdom van God en de hoop op de heerlijkheid die Christus is. En waar is die rijkdom te vinden, waar zit die hoop? Welnu, je moet het niet al te ver gaan zoeken, want het zit in je zelf, het is in u. Daarvoor, om dat inzicht over te brengen, span ik mij in, zegt Paulus, daarvoor zwoeg ik, dat is het werk dat hij met beide handen heeft aangepakt. Het is zwaar werk, Paulus laat dat in al zijn brieven merken. “U moet weten welke zware strijd ik te voeren heb, voor u en voor velen die mij nooit in levende lijve hebben gezien.” Al zijn moeite is er op gericht dat zij goede moed houden en innig in liefde verbonden blijven.

God weet dat de mensheid goede moed nodig heeft Ik lees tegenwoordig te vaak dat die moed eigenlijk al verloren is gegaan en dat zo veel mensen er niet meer in geloven. De uitingen of de symptomen van wanhoop zijn legio. Ook is het zeer nodig dat de mensheid in liefde verbonden blijft, op alle niveau’s waarbij van innigheid misschien alleen sprake kan zijn op het microniveau. Maar moet je daar een kerk voor optuigen? Paus, kardinalen, curie, bisschoppen, priesters, de hele santekraam? Moet je daarvoor parochies overeind houden, eucharistievieringen houden, de liturgische kalender aanhouden, de heiligendagen vieren, vrijwilligers werven, koren laten zingen, processies houden, op bedevaart gaan? Ik vraag me dat af omdat ik binnenkort in de gelegenheid word gesteld kennis te maken met het nieuw pastoresteam van de Parochie De Goede Herder, een van de twee parochies die nog bestaan in het dekenaat Tilburg-Goirle. Het is een groep van drie relatief jonge priesters, mannen uiteraard, die fris ogen, enthousiasme uitstralen en die ontzettend veel zin hebben om met beide handen hun werk aan te pakken. Ze komen terecht in een kerk die nagenoeg uitsluitend bestaat uit oude tot zeer oude mensen, ze gaan voor in kerken waar op zondag nog slechts een handjevol mensen naar toe komt. In feite heeft de Nederlandse bevolking, maar evengoed de West-Europese, mijn vraag al met “nee” beantwoord: nee, we hebben geen kerk nodig. Misschien vergissen zij (of als ik inclusief spreek) misschien vergissen wij ons daarin en hebben we de kerk wel degelijk nodig om de moed erin te houden?

Wij houden de kerk vast in onze verschrompelde handen, de kerk als een kwetsbare aarden kruik. In die kruik zit een rijke traditie, het prachtige gregoriaans, de hemelse muziek van Bach, de schitterende kathedralen, de buitenaards mooie schilderingen, de psalmen, de geur van wierook, het licht door de gebrandschilderde ramen, de evangelies, de Mariabeelden, de werken van barmhartigheid … het zit er allemaal in en hoe zouden we daar ooit afscheid van kunnen nemen, hoe zouden we die breekbare kruik ooit uit onze handen kunnen laten vallen?

maandag 30 augustus 2021
1Tessalonicenzen 4, 13 – 18 en Lucas 4, 16 – 30

Wat we uit Tessalonicenzen kunnen meenemen is dat je op twee manier bedroefd kunt zijn. Je kunt bedroefd zijn als een mens die geen hoop heeft, en je kunt bedroefd zijn als een mens die wel hoop heeft. De laatste is de christelijke hoop waar Paulus het over heeft. Deze hoop is gebaseerd op het geloof in Jezus die gestorven is én opgestaan. Opgestaan is natuurlijk de crux van ons geloof. Wat Paulus verder zegt over wie eerst en wie daarna, de wolken en trompetten, kan me gestolen worden. Maar hoop gebaseerd op geloof wil ik wel overhouden.

Het verhaal uit Lucas laat zien hoe hachelijk het geloof is. Jezus komt na enkele omzwervingen aan in Nazaret waar hij is opgegroeid, waar ze hem kennen, waar ze eigenlijk niets bijzonders van hem verwachten. Maar hij leest in de synagoge die hoopvolle woorden die ooit uitgesproken en neergeschreven zijn door Jesaja: een goede boodschap aan armen, vrijlating voor gevangenen, licht in de ogen voor blinden. Hoopvolle woorden, die NU in vervulling gaan. Daar gaan die goede Nazareners even voor op het puntje van hun stoel. Nu, nu gebeurt het, we wachten al zo lang. En het is niet onlogisch dat ze tegen Jezus zeggen: laat maar zien dan, we hebben dingen gehoord uit Kafarnaüm. Waarom bederft Jezus het? Hij doet niet aan onmiddellijke behoeftebevrediging. Hij zoekt naar spirituele spankracht door eerst het bekende spreekwoord in herinnering te brengen: een profeet wordt in eigen vaderstad niet geëerd. En weten jullie nog van Elia en Elisa? Toch hele grote profeten, en ze kregen niks klaar in eigen land, maar wel in den vreemde. Oei, oei, hier is geen zoete Jezus aan het woord. Zijn dorpsgenoten worden zo kwaad dat ze hem wel in de afgrond willen duwen. Het is een voorbode wat er een jaar later zal gebeuren: hosanna vandaag, morgen kruisig hem. Geloof in Jezus is een hachelijke zaak.

Voor christenen zijn geloof in Jezus Christus en in God één ongedeelde werkelijkheid. Wij zijn geen Tessalonicenzen, geen Nazareners; wij zijn mensen anno 2021 die bijvoorbeeld Volzin lezen (nr 7/8 juli 2021) en het artikel over Benoît Standaert (1945). Wat is die ene ongedeelde werkelijkheid waarin hij leeft? Kunnen wij zijn spiritualiteit een beetje navoelen? Ik heb nog nooit gelezen dat iemand zijn spirituele ontwikkeling laat beginnen op tweejarige leeftijd op de pispot, maar Benoît Standaert doet het. Citaat: “Mijn allereerste herinnering, ik ben een kindje van twee jaar dat op zijn pispotje zit. Ik roep, maar er is niemand thuis. Angst voel ik niet. Ik voel me ook niet door mijn ouders verlaten. Ik weet alleen: ik ben er.” Een volgende fase in zijn spirituele ontwikkeling beschrijft hij als hij 16 jaar is. Hij lijdt dan aan het Guillain-Barre Syndroom, een virale aandoening van de motorische zenuwen. Citaat: “Drie maanden lag ik in het ziekenhuis, aanvankelijk zonder te kunnen lezen en schrijven. Ik kon zelfs niet spreken. Het was een diepe loutering en een fysieke en geestelijke totaalervaring, niet van verlatenheid maar van het ontdekken van Jezus tegenover mij, als een persoonlijk krachtveld dat mij aantrok en mij stralend binnentrok.” Verder schrijft hij over zijn leven als monnik en zijn diverse periodes als kluizenaar die hij als hoogtepunten in zijn leven heeft ervaren. Alleen voor God, naakt voor God, de oerarmoede van het bestaan waarvoor we ons meestal afsluiten in een samenleving die uit is op onmiddellijke behoeftebevrediging. Benoît Standaert raadt het ieder mens aan om je regelmatig terug te trekken, af te zonderen, alleen te zijn zonder enige afleiding, wandelen in de natuur. Dan en daar leer je dat basale vertrouwen dat er een welwillende bron is, een borrelend beekje dat aanhoudend Gods zelfmededeling viert. Daar leer je dat je niet bang hoeft te zijn, dat je mag hopen op een God die liefde is, dat je kunt geloven in Jezus Christus die tot ons komt …

maandag 23 augustus 2021
1Tessalonicenzen 1, 1-5.8b.10 en Matteüs 23, 13 – 22

“Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel.” Elders zegt Jezus dat de toegang nauw is, zo nauw als het oog van een naald, maar hier lijkt hij lage drempels te eisen. Ik heb de afgelopen weken enkele voorbeelden gezien van lage drempels die me deden denken: ja, zo kan het ook.

Op de Nederlandse waddeneilanden is er bijvoorbeeld vakantiepastoraat vanuit de bisdommen Essen en Münster. Ik las erover in Trouw van 27 juli 2021, maar uit eigen waarneming heb ik het een paar jaar geleden op Texel in werking gezien. Citaat: “Voor ons is het een verademing. Het bisdom Essen stuurt altijd onbevooroordeelde geestelijken. Ze houden zich in de vakantiekerk niet zo aan de kerkelijke regels. Zo kunnen we hier energie opdoen. Daarmee houden we het uit, eenmaal thuis. Is dat oecumenisch gehalte niet in strijd met de kerkelijke leer? Pastor Strozyk lacht. Tja, wij doen het hier gewoon zo. De bezoekers roemen steevast de open sfeer, het informele vakantiegevoel. Gaat dat allemaal mee terug naar huis? Pastor Strozyk aarzelt. Dit hoort bij de vakantiekerk. Maar iets van de lichtvoetigheid en dat iedereen meedoet, alle soorten christenen, dat zou ik graag meenemen. Een mis is een viering, dat feestelijke voel je hier. En, zegt hij, je hebt hier weinig gewoonte-kerkgang. Met een grijns: Thuis denk ik weleens dat ik net zo goed het weerbericht had kunnen voorlezen.”

Een ander voorbeeld haal ik uit Met Kap en Koord van augustus 2021, het blad van de Nederlandse kapucijnen. De groep is nu zo klein geworden dat ze bij de Duitse provincie is geveegd. De Duitse provinciale overste is op bezoek in Nederland en aan het woord in genoemd blad. Luister naar wat Christophorus Goedereis (wat een prachtige naam!) zegt over een realistische kijk op wat een kapucijnenleven is. “Christophorus beleeft dat nu als een grote rijkdom. Op alle gebied is hij bezig geweest met het verwijderen van het web van mythes rondom sacramenten, armoede, broederschap en priesterschap. Langzaamaan ontdekte hij dat niet de pij of het klooster van iemand een goede kapucijn maken, maar de franciscaanse grondwaarden. Deze hebben onmiddellijk te maken met ons leven in de wereld buiten het klooster of de kerk. Hij leeft nu minder vanuit de kerk en meer vanuit de franciscaanse wereld: We trekken uit de sacristie naar de wereld, vanuit het klooster de wereld in.”

Een derde voorbeeld zie ik bij André Zegveld (Trouw zaterdag 7 augustus 2021) in gesprek met Stevo Akkerman. Ik heb het al gehad over hoe deze priester-in-ruste en voormalig benedictijner abt, over bidden spreekt; hij woont nu in een appartement bij het klooster van de Zusters van Denekamp. Wat hij over God zegt, of meer over onze omgang met God is interessant. Mensen van vandaag geloven niet in God, want God maakt niets klaar. Al de ellende en narigheid, de klimaatverandering, dat de aarde onleefbaar wordt voor onze kleinkinderen. Moeten we hopen dat God voor ons alles in orde zal maken? De mensen geloven dat niet. Er is een soort drempel ontstaan naar het godsgeloof en ik zie Zegveld die drempel weghalen. Hoe doet hij dat? Ik geef weer een paar citaten. “Leven is je openstellen voor het leven – wat heeft het leven mij te zeggen? Daar moet je stil voor zijn, dat vergt durf. God is geen sinterklaas die mij allemaal leuke dingen geeft. Daar zit een heilloze vergissing achter: het moet mij goed gaan, het leven mag niet mislukken. Maar waarom moet dat? Wie zegt dat? Levens kunnen mislukken, huwelijken kunnen mislukken, roepingen kunnen mislukken, de meest verschrikkelijke dingen kunnen je overkomen en als dat gebeurt, dan gebeurt er niks onrechtvaardigs. Zo is het leven. Je hebt nergens recht op. Anders ben je het hongerige kind dat denkt het middelpunt van de wereld te zijn en vraagt: en ík dan? Dat noemen we dan bidden: en ík dan? Maar bidden is je openstellen voor het leven in al zijn hachelijkheid. Je afvragen of je daarmee overweg kunt, of je dat kunt aanvaarden, wat het je doet. Wie of wat is God? Dat is het akelige, niemand heeft ooit God gezien, zo staat het in het Johannesevangelie. Ik vraag liever: hoe functioneert het woord God? Met het woord God geven we aan wat er in ons leven onvoorwaardelijk, uiteindelijk en onherroepelijk toe doet. Dat, en ik volg hier Thomas van Aquino, noemen wij God. Wij hebben God niet nodig. Als je dat zegt, ga je instrumenteel met God om. Je mag met mensen niet instrumenteel omgaan, dus zeker niet met God. Dat is ‘Lieve Heertje geef mooi weertje.” Maar bidden is leven met God. En leven is niet nadenken over het leven, niet theoretiseren, nee, leven is lekker eten, een vriendin hebben, kinderen hebben, houden van verse haring, dát is leven. Maar ook verdriet hebben, ziek-zijn, doodgaan., dat hoort er ook bij. Leren leven met de wetenschap dat je maar een passant bent en niet het middelpunt van alles. Zo leven dat je zonder hebberigheid met het leven omgaat. De mensen worstelen met het leven. Met de manier waarop God het leven geschapen heeft. Ze zeggen eigenlijk: had hij dat beter niet kunnen doen? Maar ik zeg dat niet. Je treft het leven aan. Daarbij heb je religieuze raamvertellingen die zeggen dat het bedoeld was paradijselijk te zijn, maar dat de mensen dat niet hebben aangedurfd. Ze waren naakt en broos en sterfelijk, terwijl ze God hadden willen zijn. Maar God willen zijn maakt niet gelukkig – integendeel, daar is de ellende mee begonnen. Zegveld wijst op een uitspraak van Ignatius van Loyola die zegt: Je moet onverschillig naar het leven kijken. Dat betekent niet dat de dingen je niets kunnen schelen, maar dat het voor jouw levenshouding geen verschil mag maken wat zich aandient. Het is de oerinspiratie van alle religies: je bent een sterfelijk mens, een eindig mens, je bent niet groter dan je bent, je hebt nergens recht op. En de kunst is daar met een zuiver hart naar te kijken. Zuiver is dat je niet selecteert: dit accepteer ik wel, dat niet. Hoe meer dat lukt, het klinkt een beetje lullig, hoe gelukkiger je wordt. Omdat je dan al die mythologieën over jezelf, die het leven zo zwaar maken, durft los te laten.”

Durf los te laten, maak het niet zo zwaar: hierin herken ik wat Jezus zegt tegen de schriftgeleerden en Farizeeën als hij de toegang tot het rijk van God drempelloos wil maken …

maandag 16 augustus 2021
Rechters 2, 11 – 19 en Matteüs 19, 16 – 22

“Wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen”? Het antwoord van Jezus is in eerste instantie weinig spectaculair. Hij lijkt wel van de school: doe maar gewoon dan doe je gek genoeg. Gewoon doen wat je moet doen, de bekende geboden en verboden, dat is het wel zo’n beetje. Maar de vragensteller is niet tevreden, dat gewone doet hij al en misschien heeft hij ook zijn twijfels of dit leidt tot het eeuwige leven. Hij wil dat Jezus zijn antwoord aanscherpt, dat hij hem een werkelijke uitdaging biedt. Geen brons of zilver, maar goud.

O, o, o : weet goed wat je wenst. “Wil je onverdeeld goed zijn”, zegt Jezus tegen hem, “verkoop dan alles wat je bezit en geef het aan de armen.” Daar hebben we het. Onverdeeld goed zijn is jezelf met heel je hebben en houden beschikbaar stellen voor de ander, voor de wereld, voor de aarde, voor God. Is dit een menselijke mogelijkheid? Spiritueel misschien wel, als mindset, maar feitelijk, praktisch, politiek? Ieder mens speelt diverse rollen: je bent burger en dus moet je belasting betalen en eens in de zo veel jaren stemmen op iemand die je vertegenwoordigt in het parlement; je bent werknemer dus moet je op tijd op je werk komen en je werk naar behoren vervullen, je bent partner in een relatie dus je moet je je man of vrouw tevreden stellen, je hebt kinderen dus dat geeft verantwoordelijkheden, je bent consument dus ga je in op de prikkels van de markt, je bent mens dus sta je elke dag voor talloze keuzes en beslissingen: hoe vul je je leven in, wat doe ik in precies deze concrete omstandigheden? Kortom, een mens moet vele ballen tegelijk in de lucht houden, het is geven en nemen, schipperen en laveren … wat is onverdeeld goed? De vraag is een religieuze vraag: alles of niets, God of de Mammon.

Hoe zien wij op maandag dat ticket naar het eeuwige leven? Als we het in aardse termen denken, weten we dankzij het jongste IPCC-rapport dat we als mens blij mogen zijn als we het einde van deze eeuw halen. Volgens voormalig minister van onderwijs Jo Ritzen is het rond 2080 voorbij; hij denkt dat de aarde dan al onleefbaar is geworden. U en ik maken dat niet meer mee, maar Marleen nog wel en mijn kleinkinderen ook. Is er nog hoop voor hen? Ja, zeg het IPCC, als we vandaag beginnen met veranderen. Hallo Rutte, heb je er zin in, denk je dat er draagvlak is, moeten de middengroepen niet ontzien worden? Ik heb er een hard hoofd in: praktisch-politiek komen we er waarschijnlijk niet uit.

Religieus dan? Dan treft het dat we vandaag Matteüs 19, 16 – 22 en Rechters 2, 11 – 19 lezen. Volgens Jezus moeten we alles eerlijk met elkaar gaan delen. Onverdeeld goed zijn, hem volgen. Een zwakke echo daarvan beluisterde ik bij Henriëtte van Hedel en Susan Hommerson die met een twaalftal gelijkgezinden vorig jaar de stichting Sociale Christendemocratie hebben opgericht. Volgens hen is het CDA opgericht “om het een beetje leuk te maken voor alle mensen in Nederland.” Ik vrees dat we er daarmee niet komen: we zullen het een beetje leuk moeten maken voor alle mensen op aarde. En wat is het perspectief van Rechters? Dit: “Maar telkens als de nood het hoogst was, liet de HEER rechters optreden, die hen uit de greep van de plunderaars bevrijdden.” Toch maar hopen op de HEER dus …???

maandag 9 augustus 2021
Hosea 2, 16 – 17 en Matteüs 25, 1 – 13

Dan zal het met het koninkrijk der hemelen gaan als met tien meisjes die met hun lampen op weg gingen. Vijf waren dom, vijf verstandig. De dommen namen geen olie mee, de verstandigen wel. Ze dommelden allen in. Toen het erop aan kwam – daar komt de Bruidegom! – vroegen de dommen aan de verstandigen of zij wat olie wilden delen en dat deden ze. De verstandigen dachten: die dommen kunnen er ook niets aan doen dat ze dom zijn, wij moeten helpen. Bovendien hadden ze ook wel bewondering voor de domme meisjes-zonder-olie want die vertrouwden tenminste op de Voorzienigheid. Zo zal het gaan met het koninkrijk der hemelen.

U merkt dat ik de parabel herschreven heb. Herschreven in christelijke zin, want staat niet als ideaal van christelijk leven in het begin van Handelingen dat zij alles gemeenschappelijk hadden en onderling verdeelden naar ieders behoeften? Waarom vertelt Jezus deze akelige parabel? Hij geeft wel meer parabels waarvan de kriebels krijgt over het handelen van de Bruidegom, de Heer of de Koning. Nu hebben die parabels misschien de verdienste dat ze ons inwrijven dat God anders is, dat wil zeggen: dat we nooit moeten denken dat we weten hoe God is, laat staan dat we Hem/Haar voor ons karretje kunnen spannen. Maar ik denk ook wel eens dat Jezus met die dwarse parabels een beroep op ons doet om zelf na te denken en niet alles voor zoete koek te slikken. Dit geeft mij de euvele moed om de parabel te herschrijven.

Niet dat zo’n herschreven parabel de zaken voor ons zo gemakkelijk maakt. Alles gemeenschappelijk hebben en ieder naar behoefte is altijd geprobeerd in kloosters, de kiemcellen van christelijk leven. Maar kun je er ook maatschappelijk wat mee? Kan een christendemocratische partij er een praktisch-politiek programma aan ontlenen.? Willem Aantjes destijds probeerde de Bergrede tot grondslag te maken van het CDA. Na hem zijn er tot op de dag van vandaag mooie visie- en grondslagendocumenten geschreven, maar het bleef papier en in feite werd het CDA steeds meer VVD, waar de verstandigen goed voor zich zelf zorgen. “Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid”, zo wilde de Postbus-51 campagne van de Rijksoverheid (1989-1992). We hebben een maatschappij waarin de slimmen er het beste uitspringen, het overgrote deel van de koek voor zichzelf opeisen. Als een kind van welgestelde ouders achterop dreigt te raken is er huiswerkbegeleiding, het reguliere onderwijs raakt steeds meer in de versukkeling. Alles werkt trouwens in het voordeel van degenen die hebben. Een steeds grotere groep blijft achter. De Heer van de akelige parabel zegt tegen de dommen en have-nots: ik verzeker jullie, ik ken u niet.

In Trouw van 29 juli 2021 viel mijn oog op de kop “Luis in de pels wil het CDA radicaal veranderen.” Twee jonge vrouwen, Henriëtte van Hedel en Susan Hommerson met een twaalftal gelijkgezinden hebben vorig jaar een stichting Sociale Christendemocratie opgericht, gedreven door grote zorgen om de (electorale) leegloop van het CDA, de partij die geen eigen gezicht meer heeft, vis noch vlees. Volgens hen is het CDA opgericht “om het een beetje leuk te maken voor alle mensen in Nederland.” Een beetje leuk voor alle mensen, tja waarom niet: het is geen hoogdravende formulering, geen hooggestemde doelstelling, maar je ziet de sociale richting. Van Hedel zegt: “Niet alleen maar voor de happy few. Daar hebben we VVD en D66 voor. Maar die bestaansreden lijkt uit het oog verloren. Het CDA moet weer een echte brede volkspartij worden.” Wat zij missen is een goede analyse over de vastgelopen overheid, het onderwijs, de zorg, duurzaamheid, Europa en veiligheid. Ze hebben ontdekt dat ze in veel zaken hetzelfde denken als Pieter Omtzigt, maar ze willen hun invloed – als ze die al krijgen – binnen het CDA aanwenden.

Ik hoop dat ze gehoord worden, ik hoop dat een christendemocratische partij iets waarmaakt van de naam die ze draagt. Wellicht dat de verzen uit de profeet Hosea onthullen onder welke voorwaarden de gemoederen ontvankelijk worden. “Daarom lok ik haar binnenkort weer naar Mij toe, zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek Ik tot haar hart. Daar zal zij weer antwoorden, zoals in de dagen van haar jeugd.” De woestijn! Is onze aarde niet steeds meer een woestijn aan het worden? Waar wachten we nog op, dommen en verstandigen, of zijn we allemaal in slaap gevallen?

maandag 2 augustus 2021
Numeri 11, 4b – 15 en Matteüs 14, 13 – 21

De twee lezingen gaan duidelijk over het voedsel dat een mens nodig heeft om te leven. In Numeri is het manna dat in de woestijn uit de hemel neerdaalt, in Matteüs zijn het vijf broden en twee vissen die wonderbaarlijk over vijfduizend mensen verdeeld worden. In beide gevallen is er een noodsituatie, het voedsel is niet zo maar vanzelfsprekend voorhanden. Wij kunnen ons dat haast niet voorstellen, voedsel is voor ons zo gemakkelijk bereikbaar, je kunt van 7.00 uur in de ochtend tot 22.00 uur in de avond bij AH terecht, alle dagen van de week.

Ik wil de aandacht vestigen op iets dat in beide lezingen ook aan de orde is, min of meer terloops, namelijk bidden. Voordat Jezus de broden neemt en ze breekt om ze te verdelen kijkt hij op naar de hemel en spreekt de zegenbede uit. Zoals Matteüs het formuleert lijkt het alsof dit de gewoonste zaak van de wereld is. De ogen opslaan naar de hemel als een erkenning waar het uiteindelijk of in principe allemaal vandaan komt en de uitdrukking van die erkenning in een paar binnensmonds gemummelde woorden van dank. Veel mensen weten niet hoe ze moeten bidden, waarschijnlijk omdat ze niet meer weten waarom ze zouden bidden, zeg nu zelf: geef ons heden ons dagelijks brood ... als AH altijd open is!? Op mijn vakantie kwam ik in een kerk waar een ijverige collega op die verlegenheid van mensen die even de kerk binnenlopen inspeelt: op een gratis meeneemblad, een dubbelgevouwen A3, had zij een keur aan gebeden bijeengebracht voor elke situatie des levens, zodat iedereen wel iets kon vinden dat op zijn of haar situatie van toepassing was. Mooie gebeden, goed werk, prima pastoraat. Thuis viel mijn oog op een column van Stevo Akkerman in Trouw van 9 juli met als titel bidden. Stevo weet ook niet wat hij met bidden aan moet, maar hij herinnerde zich een omschrijving van André Zegveld, voormalig abt van het benedictijner klooster in Egmond, die ooit had gezegd: bidden is aandachtig leven. Nu er gebeden werd voor Peter R. de Vries, bloemen gelegd en kaarsjes aangestoken, wilde hij daar meer van weten en zocht hij de genoemde André Zegveld op. Hij vroeg hem of hij kon verklaren waarom mensen niet meer bidden, maar nog wel een kaarsje opsteken. Mensen die het geloof in God hebben verloren, zullen zeggen dat ze niet meer bidden, maar op momenten dat er hard wordt gebonsd op de deuren van hun bestaan, grijpen ze wel naar een ritueel uit de religieuze voorraadkast. Zegveld: “Wat ze niet hebben verloren, getuige het kaarsje branden, is het besef dat het leven een mysterie is, een mysterie van leven en dood, en van verbondenheid, in dit geval met Peter R. de Vries.” Voor Zegveld is bidden: stilstaan bij alles, licht en donker, vanuit “levenshonger”. Een voorbeeld van dergelijk bidden: “Met een diep verlangen ernaar verlangen dat er een einde mag komen aan het geweld en de wreedheid in de wereld, verlangen naar vrolijkheid, licht, tederheid en leven voor mensen in de knel.”

Als je bidden zo kunt opvatten is elke mens wellicht een biddende mens. Vroeger leerde je in de catechismus heel eenvoudig deze vraag met antwoord: Wat is bidden? Bidden is spreken met God. Klaar, heel simpel, misschien net ietsje te simpel voor de moderne mens. In Numeri zien we Mozes nog spreken met God als hij zich tegenover God beklaagt over zijn volk dat alleen maar kan zeuren, klagen en kankeren. Hij bidt/spreekt aldus: “Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is te zwaar. Indien U zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als U mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien.” Ik vind dat een heftig gebed; ik heb het niet aangetroffen op het vouwblad van mijn buitenlandse collega. Mozes laat zien dat je tegen God werkelijk alles kunt zeggen. Dus: wat let ons …

maandag 26 juli 2021
Exodus 32, 15-24.30-34 en Matteüs 13, 31 – 35

Ik weet niet of het iets met de vakantie te maken heeft, maar sinds 12 juli geeft de kerk lezingen uit het boek Exodus, Uittocht, behalve op zondag én als er een heilige is als Maria Magdalena (22 juli) of Birgitta (23 juli). Maar de ouders van de heilige Maagd Maria, Joachim en Anna, zijn gewoon in de reeks Exoduslezingen opgenomen. Is het evangelie uit Matteüs dan toegespitst op Joachim en Anna? Ook niet, want ook hier wordt de Matteüsreeks aangehouden. Het is alsof de liturgisten niet veel aan kunnen met de ouders van Maria. Ze zijn ongemarkeerd, onopvallend, volgens mij is er helemaal niets van hen bekend, maar als je de ouders bent van Maria, de moeder van Jezus, de bruid van de heilige Geest, dan kan het haast niet anders of je moet wel heilig zijn. De redenering is: aan de vrucht kent men de boom. Hoe komen Joachim en Anna op de kalender? Ze zijn zelfs niet opgenomen in de stamboom van Lucas die de lijn van Jozef volgt, noch in die van Matteüs die de lijn van David volgt. Als je iets niet weet kun je nog altijd bij Wikipedia terecht.

Daar vind ik dat Joachims naam en zijn geschiedenis voor het eerst voorkomt in een in het Grieks geschreven boekje uit het midden van de tweede eeuw na Christus, dat later bekend is geworden als het Proto-evangelie van Jakobus. Joachim wordt daar voorgesteld als een godvrezende, welgestelde en vrijgevige man. Zijn huwelijk was kinderloos. Joachim wordt vanwege zijn kinderloosheid uit de tempel verwijderd en vlucht voor die schande met zijn kudde naar de bergen. Daar krijgt hij van een engel te horen dat zijn vrouw Anna zwanger is. Joachim keert naar huis terug en ontmoet zijn vrouw bij de Gouden Poort in Jeruzalem. Anna geeft het leven aan een meisje en noemt haar Maria.

Vrome fantasie natuurlijk, we herkennen het format; zo zijn heel wat verhalen uit de geïnspireerde duim gezogen. Schrijvers van (de) heilige boeken zijn niet geïnteresseerd in het werkelijke verhaal, en ze wagen zich niet aan een geloofwaardige reconstructie. Hoe zou die eruit kunnen zien? Lucas en Matteüs, die zeer spaarzaam zijn met hun mededelingen over Jezus’ kinderjaren (Marcus en Johannes hebben helemaal niets) hadden dan moeten schrijven over de opa en oma van Jezus aan moederskant. Hoe gelukkig ze waren nog hun kleinzoon te mogen aanschouwen; dat ze het fijn vonden om af en toe op te passen als hun dochter bijvoorbeeld weer eens op bezoek was bij nicht Elisabeth, dat zij hem dan verwenden of uit de kinderbijbel voorlazen? Ach, laat ook maar. Ik heb het nu over mijn eigen ervaringen als opa en oma, maar zelf heb ik de ouders van mijn vader niet gekend, en die van mijn moeder maar heel vaag. Mensen van toen werden niet zo oud als mensen van nu; soms stierven ze al jong. Ik heb ze alleen gekend van de foto: eerbiedwaardige portretten mooi ingelijst achter glas in de huiskamer van mijn ouders, met een bloempje in een vaasje. Bij de lange lijst gebedsintenties aan het einde van het rozenhoedje werd ook steevast gebeden “voor opa en oma” en “voor oom Wiel” die in de oorlog omgekomen was. Maar ook zonder herinneringen aan hun werkelijke handel en wandel, aan hun persoonlijkheid, kun je toch af en toe met genegenheid en dankbaarheid aan hen denken, aan het ongetwijfeld veel hardere leven dat zij hebben geleefd en dat zij hebben doorgegeven. Onze opa’s en oma’s waren Joachims en Anna’s die elkaar bij een Gouden Poort ontmoetten en die door een Gouden Poort uit ons leven verdwenen zijn. Ze zijn naar het evangelie van Matteüs als zuurdesem in het meel verwerkt en hebben bijgedragen aan het koninkrijk van God, ze zijn naar het woord van Exodus niet uit het Boek geschrapt van Hem die is …

maandag 5 juli 2021
Genesis 28, 10 – 22a en Matteüs 9, 18 – 26

Volgens Stijn Fens in Trouw van 26 juni moet geloof een beetje schuren wil het geloofwaardig zijn. Hij heeft een gesprek gezien van Andries Knevel met Jan van den Bosch, de man achter Hour of Power op RTL 5 die zo’n rotsvast geloof heeft dat Stijn er van over zijn nek gaat. Nee, geef hem dan de dichter Ingmar Heytze maar die vertwijfeld zoekt naar het antwoord op de vraag waarom sommige mensen geloven en andere niet, met de beste wil van de wereld niet.

Geloof moet schuren. De twee lezingen van vandaag schuren ook. In Genesis formuleert Jakob een soort voorwaardelijk geloof, in Matteüs zien we voorbeelden van onvoorwaardelijk geloof. Genesis geeft ons het prachtige verhaal van Jakob die droomt van die ladder die op de aarde staat en de top die tot in de hemel reikt. Langs die ladder stijgen Gods engelen op en dalen zij neer. En ineens staat de HEER bij hem die hem de prachtigste dingen belooft. Het mooiste is wel dat alle geslachten van de aarde zich gezegend mogen beschouwen vanwege hem, Jakob. Vervolgens wordt Jakob wakker. Hij heeft weliswaar zijn hoofd op een steen gelegd, maar kennelijk goed geslapen en fijn gedroomd. Die steen promoveert hij meteen tot wijsteen, een heilige steen, een huis van God. Maar luister wat hij zegt: “Als God met mij is en mij beschermt op de reis die ik nu onderneem, als Hij mij voedsel geeft om te eten en kleding om mij te bedekken, en als ik ongedeerd naar mijn ouderlijk huis terugkeer, dan zal de HEER mijn God zijn.” Dat noem ik voorwaardelijk geloof. Zo zouden we allemaal wel kunnen geloven, geloof als een goede deal. Maar zo is het natuurlijk niet.

In de tweede lezing zie ik onvoorwaardelijk geloof. Een aanzienlijk man knielt voor Jezus neer en zegt: “Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom haar toch de hand opleggen, dan zal ze leven.” Hoe komt die man tot zo’n verzoek? Hoe komt hij op het geloof dat zijn gestorven dochter weer zal leven? Op of onder welke steen heeft hij gelegen? Dat is de vertwijfelde vraag van Ingmar Heytze en de moderne mens. Matteüs vertelt ons niets van de omstandigheden van die man, of hij gek geworden is van verdriet, of hij in een delier verkeert o.i.d. Maar Jezus staat op en gaat met de man mee naar zijn huis, samen met de leerlingen die dit kennelijk ook geen vreemd verzoek vinden en er van uit gaan dat Jezus dat kan. Onderweg komt een vrouw naar hem toe die ook onvoorwaardelijk gelooft. Ze lijdt al twaalf jaar aan vloeiingen, en ze denkt bij zichzelf (hoe weet Matteüs dat, enfin laat maar zitten): “Al zou ik zijn kleed maar aanraken, dan ben ik gered.” En dit geloof blijkt te werken, ze geneest. “Uw geloof heeft u gered.” Maar we hebben nog die dochter die gestorven is. Als Jezus aankomt is het een heidense bende, een drukte van jewelste, een kabaal van fluitspelers. Geen wonder dat de mensen hem uitlachen als Jezus beweert dat het meisje slaapt. Dat moet wel een heel diepe slaap zijn als je door die herrie heen slaapt. Misschien te vergelijken met die slaap van Jakob. Maar de aanzienlijk man moet er nog steeds vertrouwen in hebben want hij accepteert dat zijn rouwende vrienden weggestuurd worden en dat Jezus naar binnen kan gaan en bij het meisje kan komen. “Hij pakte het meisje bij de hand en ze stond op.”

Hoe geloven wij? Onvoorwaardelijk of stiekem toch voorwaardelijk? Ik denk dat het moeilijk te zeggen is, voor ons die het geloof met de moedermelk en/of met de paplepel binnen hebben gekregen. Het geloof en wij zijn in een symbiotische relatie versmolten geraakt. We geloven niet alles, maar we geloven wel heel veel. Misschien geloven we door de dag heen vrij weinig, maar als we het credo zingen geloven we weer alles. Ons geloven is vooral een hopen dat het woord van de HEER in die droom van Jakob werkelijkheid zal worden: dat alle volkeren der aarde gezegend zullen zijn. Het ziet er nog niet naar uit en daarom is geloven zo moeilijk. We moeten geloven tegen de klippen op, over de dood heen: dat is het wat Matteüs ons probeert duidelijk te maken in zijn verhaal van de opwekking van het meisje. Ten slotte een uitspraak van Ingmar Heytze, met instemming geciteerd door Stijn Fens die zich goed voelt bij een schurend geloof: “Ik hou van de man die zei dat als je kijkt naar de natuur en je even verbonden voelt met alles wat leeft, je eigenlijk kijkt naar God die zich net heeft verstopt – maar verder kom ik niet.”

maandag 28 juni 2021
Genesis 18, 16 – 33 en Matteüs 8, 18 – 22

Bij de lezingen van vandaag moet ik denken aan het nieuwste boek van Toon Tellegen, God onder de mensen (Querido, 2021, 136 blz.). Ik heb alleen de juichende recensie in NRC Boeken gezien met enkele pakkende citaten. De trailer zegt het volgende:

“God bestaat steeds opnieuw in Toon Tellegens gedachten. Soms is hij een kluizenaar, dan weer wordt hij wegens wangedrag aangehouden of is hij een buitengewoon goede balletdanser. Ook in de zomer draagt hij een dikke winterjas en regelmatig twijfelt hij eraan of de mensen van hem houden. Gelooft hij wel in zichzelf ? Hij zit een keer in iemands hoofd, hij wordt betrapt op overspel, hij bedenkt een nieuwe, betere God, hij is af en toe onredelijk en kwaadaardig. Maar ook liefdevol en onzeker. Hij lijkt verdacht veel op een mens, maar is toch steeds God. Toon Tellegen speelt op weergaloze wijze met onze ideeën, gevoelens en verlangens over het bestaan van God in de wereld: briljant, diepzinnig en ongelooflijk geestig.”

In het fragment uit Genesis lijkt God ook verdacht veel op een mens. Hij is boos, hij is het zat, hij gaat er een eind aan maken: Sodom en Gomorra, weg ermee. Heel menselijk is ook dat er met hem te onderhandelen valt, en Abraham blijkt een uitstekend onderhandelaar te zijn. De wereld van vandaag lijkt nog steeds op Sodom en Gomorra. God lijkt zich daar momenteel – als we met Tellegen meegaan – niet veel meer van aan te trekken. Hij denkt: het zal mijn tijd wel duren, bovendien de mensen zijn hard op weg er zelf een einde aan te maken, daar hebben ze mij niet meer voor nodig.

Ook het evangelie van Matteüs lijkt op Tellegen, ik denk trouwens dat hij zijn inspiratie grotendeels uit de evangelies heeft. Jezus ligt te slapen, terwijl de golven over de boot heen slaan. “Heer, red ons, wij vergaan!” Tellegen heeft een verhaal waarin God bij een man op bezoek komt nadat hij vanwege overlast uit zijn eigen huis is gezet. God dus, uit zijn huis gezet omdat hij overlast veroorzaakte, heel geestig. De man wil God van alles vragen, maar eenmaal binnen valt God meteen als een blok in slaap. Hij wordt pas wakker als de man zelf in slaap is gevallen en als de man weer wakker wordt slaapt God alweer. Zo gaat dat een week lang door. Gaandeweg begint de man te begrijpen wat die ‘overlast’ behelsde: ‘zijn voortdurende aanwezigheid, die een vorm van afwezigheid was, een soort ondraaglijke afstandelijkheid.’ De recensent denkt dat het hier gaat om de worsteling met religie: “Hoe te geloven in God? Preciezer: hoe valt het bestaan van God te verenigen met al het onrecht op de wereld? Die vraag lijkt ten grondslag te liggen aan vrijwel alle gedachte-experimenten in deze bundel. Wat voor eigenschappen heeft zo’n God? Hoe valt te verklaren dat een almachtige schepper passief toekijkt hoe er overal geleden wordt? Is hij zelf depressief soms, of eenzaam, gaat het niet goed met hem, komt het daardoor? Hebben wij mensen het verpest; heeft God zijn geloof in óns verloren”?

Ja, dit zijn vragen die de theologie zich altijd heeft gesteld en waarop nooit een afdoend antwoord is gekomen. De mens blijft met deze vraag rondzeulen, ze laat hem nooit met rust. Ook hier geeft ons evangeliefragment het perfecte beeld als Jezus zegt: “De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.”

Ik wil ten slotte stilstaan bij de heilige van vandaag: Ireneüs van Lyon (130 – 202), die doorgaat voor de eerste grote theoloog en kerkvader in de na-apostolische periode. Wat hij dacht over het samengaan van alle ellende en een barmhartige God weet ik niet. Wel dat hij in Jezus het antwoord vond op alle vragen die een mens maar kan stellen over God. Hij bedacht dat de vier diersymbolen uit het Oude Testament - de gevleugelde mens, de gevleugelde leeuw, het gevleugelde rund en de gevleugelde adelaar - op de vier evangelisten toegepast kunnen worden. Matteüs de gevleugelde mens, Markus de gevleugelde leeuw, Lukas het gevleugelde rund en Johannes de gevleugelde adelaar. Met de gevleugelde woorden van de vier evangelies moeten wij het doen, maar ook met Toon Tellegen als die zijn vleugels ombindt en ons omhoog voert naar de toppen van zijn literaire verbeelding ….

maandag 21 juni 2021
Genesis 12, 1 – 9 en Mattheüs 7, 1 – 5

Van Aloysius Gonzaga (1568 – 1591) is in de vrome beeldvorming (zie Google afbeeldingen) een zoete heilige, een soort suikerbeest gemaakt: toog en superplie, een witte lelietak in zijn armen, een stralenkrans om zijn hoofd, de ogen geloken: heilig, heilig, heilig. Hij zal wel niet meer van dat beeld afkomen, al hebben de jezuïeten wel geprobeerd hem een ander beeld te geven. Dan zien we een jonge man (hij werd maar 23) zonder de genoemde attributen gekleed in een eenvoudig roodbruin overhemd. Hij heeft zijn ogen wel degelijk open en daarmee kijkt hij ons ernstig aan. Hij wordt niet als een lachebekje neergezet, zijn mond is eerder droef. Hij wordt omarmd door een oude man die zijn ogen naar hem opslaat: het is een intiem tafereel, kennelijk heeft de man groot vertrouwen in de jonge man. Wie is die oude man? Is het zijn vader, de hertog van Castiglione? Aloysius was zijn oudste zoon en erfgenaam, hij voedde hem op in pracht en praal en bereidde hem voor op een toekomst te midden van de machtigen van zijn tijd. Maar Aloysius ging, tot grote ergernis van zijn vader, een andere weg. Hij doorzag de façade van de macht, hij walgde van het lege leven dat hij om zich heen zag. Hij distantieerde zich van dat alles, werd kloosterling en trok zich het lot van pestlijders aan die hij verzorgde. De pest was de pandemie van die eeuw, mondkapjes en vaccins waren er niet. Aloysius – tegenwoordig zou hij niet een heilige genoemd worden maar een held - werd zelf besmet bij de verzorging van de zieken en het werd zijn ontijdige dood. Op de nieuwe ikoon zal hij wel omarmd worden door een naamloze pestlijder, maar ik zie er liever zijn vader in. Wat we dan zien is een omkering van de parabel van de verloren zoon. Hier is de vader verloren en ten langen leste ziet hij in dat zijn zoon het bij het rechte eind heeft. Voordat de zoon sterft komt de vader terug bij zijn zoon die hem barmhartig omarmt. Vaders bekeren zich zelden tot hun zoon, verstokt van hart volharden ze in de oude tredmolen.

Zo niet Abram uit Genesis 12. Als hij de oproep krijgt om weg te trekken uit Haram, uit het land van zijn stam en zijn ouderlijk huis, dan doet hij dat terwijl hij toch al 75 jaar oud is. Tegen alle logika en gezond verstand in trekt hij weg uit traditie en comfort. Hij gelooft de HEER die tegen hem zegt: ik zal je zegenen en jij zult een zegen zijn voor alle volkeren. In enkele verzen volgen we Abram op zijn weg naar Kanaän; her en der richt hij altaren op voor de HEER. Geen wonder dat Abram/Abraham de vader wordt van alle gelovigen, van joden, christenen en moslims.

Dit geloof krijgt gestalte in hartje Berlijn (Trouw dinsdag 8 juni 2021) waar de drie godsdiensten één gebedshuis gaan bouwen, the House of One. Op de foto zien we pastoor Gregor Hohberg, rabbijn Andreas Nachama en imam Kadir Sanci die de handen ineen hebben geslagen om samen het eerste multireligieuze gebedshuis ter wereld te realiseren. Eenheid in verscheidenheid, want er blijven drie verschillende gebedshuizen die uitkomen op een centraal leeg middenplein waar 300 mensen terecht kunnen voor gezamenlijke vieringen, tentoonstellingen, kunstmanifestaties, wetenschappelijke congressen. Een ruimte voor mensen van alle geloof of ongeloof. Het voordeel van deze opzet is lijkt me dat je niet schijnheilig hoeft te zijn om hier je hart op te halen. In Mattheüs 7 – het evangeliefragment van vandaag – waarschuwt Jezus tegen schijnheiligheid. Hij heeft het over de splinter en de balk: wel die splinter zien in het oog van de ander, maar niet de balk in je eigen oog. Het is een waarschuwing die het niveau van geloof en ongeloof overstijgt want het is een menselijke eigenaardigheid waar we allemaal wel aan lijden.

Drie godsdiensten in één gebedshuis. “Het voelde als een utopie, nu als een droom die uitkomt”
Trouw 8 juni 2021

maandag 14 juni 2021

Op 14 juni viert de kerk de gedachtenis aan Lidwina van Schiedam (1380 – 1433). Dat is zo sinds het Vaticanum II; voorheen werd zij op 14 april herdacht, haar sterfdag. Ik vermeld dit vanwege het programma Hier zijn de Van Rossems. Toen zij door Schiedam waggelden hadden ze het over de heilige Lidwina; ze vertelden haar verhaal, bezochten de kerk waar ze begraven ligt en keken naar het beeld met de stigmata. Maarten verwonderde zich erover dat ze nog vereerd werd, want – zo wist hij – er waren door Vaticanum II heel wat heiligen opgeruimd. Maar niet Lidwina, Neerlands bekendste heilige, patrones van de chronisch zieken.

Haar verhaal is spectaculair, ik hoef dat niet meer na te vertellen, ik beschouw het als bekend. Interessanter is om te zien dat we hier niet enkel een buitenissig geval hebben, iets voor het rariteitenkabinet, maar eerder een specimen van wat christelijk geloof in principe is. Beide lezingen werpen licht op het verschijnsel, maar ook het nieuwste nummer van Filosofie – Tijdschrift (mei/juni 2021) dat gewijd is mystiek. Lidwina was ongetwijfeld een mystica, een mystieke roos.

In 2Korintiërs zegt Paulus dat, sinds hij het licht heeft gezien, hij niemand meer beoordeelt naar menselijke maatstaven. Iemand die in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbij, het nieuwe is er al. Welnu, Lidwina was “in Christus”. Dat ze na haar val op het ijs haar leven in bed doorbracht tot niets meer in staat, kon zij beleven als een leven in vereniging met Christus. Christus was haar alles.

In Johannes 12, 24 – 26 heeft Jezus het over de graankorrel die moet sterven om vrucht voort te brengen. Sterven om te leven. Voor een graankorrel zien we meteen dat dat waar is, maar het vraagt om een mystieke blik om je zelf als deze individuele mens en unieke persoonlijkheid ook te zien als graankorrel. Jezus roept op om je leven zo te zien; je mag er zelfs een advies in zien: geef je leven in deze wereld prijs en je zult het behouden voor het eeuwig leven.

Nu naar Filosofie – Tijdschrift (mei/juni 2021). Een basiskenmerk van mystiek is de ervaring van de eenheid van alle zijn. De ervaring dat je opgenomen bent in het grote kosmische verband. Je kunt je zelf beleven als een golfje in de oceaan van het zijnde, het zogeheten ‘oceanische gevoel’ of het kosmische bewustzijn. In alles, hoe klein ook, kan het universum tegenwoordig zijn en in ieder tijdsmoment de eeuwigheid. William Blake (1757-1827) verwoordde dat aldus:

“De wereld zien in een korrel zand,
de hemel in een wilde bloem;
de oneindigheid vasthouden in de palm van je hand
en eeuwigheid in een uur.”


Maar christenen hebben voor deze inzichten geen William Blake nodig. Jezus zegt graankorrel, en wie gelovig te communie gaat gelooft dat ie de eeuwigheid gelegd krijgt in de palm van zijn/haar hand, met een pincet tegenwoordig. Het probleem met ons is misschien dat we er té vertrouwd mee zijn geraakt, we zijn de mystieke blik kwijt als we hem ooit al hebben gehad. Onze religiositeit is te veel koek en ei. Ik ontleen deze gedachte aan voormalig Theoloog des Vaderlands Janneke Stegeman (1980) in Volzin van juni 2021 die zegt: “ons christendom is géén koek en ei, het is niet onschuldig.” Geloof is voor haar geloof als het zich steeds vernieuwt en dat ziet ze te weinig. Ze blijft vaag hoe zij die vernieuwing ziet. Anders dan publiekstheoloog Anne van der Meiden (1929-2021). In Memoriam in Trouw van vrijdag 4 juni schrijft Nico de Fijter dat Van der Meiden veranderde van een orthodox naar een vrijzinnig gelovige. Hij sloot zich aan bij de vrijzinnig Nederlandse Protestanten Bond, maar hij bleef ook lid van de Nederlands Hervormde kerk (die in de PKN) opging. In 2004 zei Anne: “Ik zou het leuk vinden om ook lid te worden van de rooms-katholieke kerk. Wat mij betreft moeten we véél meer lid worden van elkaars kerken. Het kán niet meer zonder de katholieken. Het kan niet meer zonder het vrijdenkende deel van het jodendom. En zonder, laten we zeggen, het liberale gedeelte van de islam.” Kijk, dat zou een vernieuwing zijn. Maar misschien denkt u eerder dat deze Twentse publiekstheoloog hiermee een scheve schaats reed en een uitglijder maakte. Dan zijn we weer terug bij de heilige van vandaag. Heilige Lidwina van Schiedam, ora pro nobis.

maandag 31 mei 2021

De lezingen van vandaag doen me denken aan het eurovisie songfestival daags voor Pinksteren op zaterdag 22 mei. Voor mij was de nummer 2 winnaar: de Franse Barbara Pravi met haar liedje Voilà, hier ben ik. Het is een hartstochtelijk oproep om van haar te houden; ze vraagt of “we” van haar willen houden zoals je van een vriend houdt die afscheid neemt. “Hou van mij zoals men houdt van een vriend die voorgoed vertrekt.” Ik wil graag aan deze oproep gehoor geven, en voor één keer is het nog het meest praktisch als je dit liedje religieus wilt verstaan. Jezus heeft afscheid genomen in de afscheidsrede van Johannes, hij heeft zijn Laatste Avondmaal gehouden met zijn vrienden, hij is gestorven, begraven wat toch als een definitief vertrek gezien mag worden. Hij is opgevaren ten hemel, voorgoed vertrokken; voor zijn vertrek vraagt hij tot driemaal toe aan Petrus of hij van hem houdt. Met Pinksteren heeft hij zijn geest geschonken zodat de evangelisten geïnspireerd gaan schrijven. Zo ook de liedjeszangers, de dichters, de componisten; altijd moeten zij het hebben van de inspiratie, van de taal der liefde.

Ik zal drie songteksten geven, de eerste uit Sefanja, de tweede uit Lucas en de derde uit het boekje van Maria Lichtmis tot Pinksteren, bidden in onzekere tijden. Sefanja zingt:

Jubel dochter van Sion!
Juich, Israël.
Verheug u en wees blij met heel uw hart,
Dochter van Jeruzalem!

Volgens de wetten van de song zou ik eindeloos herhalen: jubel, juich, verheug u. Jubel, juich, verheug u.

Lucas legt zijn lied in de mond van Maria als ze op bezoek is bij haar nicht Elisabeth, dat is het feest van vandaag, Maria Visitatie:

Mijn ziel prijst en looft de Heer,
Mijn hart juicht om God mijn redder
Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.

Hier hoor ik de tonen van het Franse liedje dat ook een jubel is omdat de zangeres gezien is of gezien wil worden: voilà, hier ben ik. Als er maar van je gehouden wordt. De religieuze mens gelooft, weet, voelt dat van hem/haar gehouden wordt … door God.

Ten slotte Angela Holleboom, abdis van de clarissen in Megen. Haar lied heeft als titel Hoog aan de hemel, maar ik geef het een andere titel: Nous voilà, hier zijn wij …

Hoog aan de hemel glanst uw licht,
uw zon geeft groeikracht aan de aarde
en aan het volk dat Gij vergaarde.
Gij leidt ons voor uw aangezicht.

Hier zijn wij, God, uw hand doet goed,
Gij kleit, en vormt ons uit de akker.
Gij blaast in ons het leven wakker,
Gij spreekt ons aan, uw woord is zoet.

Uw stem wekt doden uit het graf,
uw Geest slaat vuur uit zware stenen.
Ja, lachen zullen zij die wenen,
het dood gewicht wentelt Gij af.

Ons roepen stijgt op uit de grond.
Geschaad, getroffen door het lijden
en in het duister van de tijden
smeken wij U als uit één mond.

Hoed Gij uw schepping in uw hand,
aan U is nimmer iets ontvallen.
O God, ontferm U over allen,
breng bloei en vruchten in uw land.

U zegenen en danken wij,
U, Vader, Wie wij toebehoren,
U Zoon, in Wie wij zijn herboren.
U Geest, uw Adem schept ons vrij.

Bepleit ik een eurovisie songfestival met religieuze liederen? Nee, maar laten we oplettend zijn bij zogenaamde wereldse liederen: ze hebben nogal eens religieuze diepte …

maandag 10 mei 2021

De tweede lezing laat duidelijk merken dat we in de buurt zijn van Hemelvaart en Pinksteren, de eerste lezing is er over heen. De christenen weten zich gezonden en ze zijn onderweg. Luister nog eens hoe Lucas dat opschrijft, hij vindt die routebeschrijving belangrijk genoeg om te vermelden. “Zo voeren we weg uit Troas en koersten regelrecht naar Samotrake en de volgende dag naar Neapolis. Vandaar gingen we naar Filippi, een belangrijke stad in dat deel van Macedonië.” In Volzin van vorige maand staat een mooie foto van abt Denis Hendrickx in zijn witte habijt terwijl hij opkijkend in de verte tuurt. Hij is door Volzin uitgenodigd zijn lijfgedicht te geven en daar iets over te vertellen. Hij heeft een gedicht gekozen van Servaas Bellemakers (1947 – 2020) met als titel: Een volk op weg gezet. In plaats van uit te weiden over de tekst van Handelingen geef ik hier dat gedicht (een fragment):

Wie gaat voorop, wil herder zijn
speurend naar water, plekken groen?
De wolven huilen in het bos –
wie vindt een weg om recht te doen?
Wie vrede zoekt moet vechten in
de loden schoenen van de angst.
Maar kreupel en verminkt geraakt
weten wij: toekomst duurt het langst.

(Refrein)

Een volk op weg gezet
om vrede tegemoet te gaan:
De toekomst die is aangezegd
moet doorverteld, verstaan, gedaan.
Zijn wij dat volk, gewekt
om op te staan? Wij gaan.

Wie kent de armen langs de weg:
gepakt, gebruikt, weer weggegooid?
Ziet iemand nog de blindeman,
de stomme en de mankepoot?
Zien wij elkaar? Zij staan al op,
helpen elkaar weer op de been.
Wij reisgenoten in de stoet
horen van hen waarom, waarheen.

Hendrickx zegt bijzonder gegrepen te zijn door de woorden uit het refrein: “wij gaan”, en door de woorden “wie vindt een weg om recht te doen”. Abten kiezen bij hun wijding een spreuk en de zijne werd (in 2013): “Te doen gerechtigheid” naar een lied van Huub Oosterhuis.

Nu naar de tweede lezing. Jezus waarschuwt zijn leerlingen dat het geen gemakkelijke weg zal zijn. Als je zijn weg wilt gaan, de weg van de gerechtigheid, moet je niet verwachten dat ze de rode loper voor je uitleggen. Integendeel, verwacht eerder dat je tegenstand zult ondervinden, ja, het kan je zelfs de kop kosten. Het is geen aanlokkelijk perspectief. Wie kan dat? Met 4/5 mei nog vers in het geheugen denken we aan de mensen in het verzet, aan vrouwen als Jacoba van Tongeren (1903 – 1967) en Etty Hillesum (1914 – 1943). Jacoba werd oprichtster en leidster van de Amsterdamse ondergrondse verzetsgroep 2000. In 1990 werd zij door Yad Vashem geëerd als Rechtvaardige onder de Volkeren. Etty bleef bovengronds, zij ging in innerlijk verzet door te besluiten niemand te haten, ook de vijand niet, en te laten gebeuren wat er ging gebeuren, Westerbork, Auschwitz. In Deventer is sinds 5 mei 1996 het Etty Hillesum Centrum gevestigd in een voormalige Joodse school. Dit centrum hanteert als centrale leus een van de uitspraken van Hillesum: "De omstandigheden, de goede en de slechte, moet men aanvaarden, wat niet belemmert dat men zijn leven eraan kan wijden de slechte te verbeteren." (Dagboek van Etty Hillesum, 3 juli 1942).

Wij hebben twee minuten stilte gehouden waarin we ons de vraag konden stellen: hoe zou ik me gedragen hebben? Je weet het niet. Je kunt steun vinden in de belofte van Jezus dat Hij altijd een Helper zendt, de heilige Geest van Pinksteren …

maandag 3 mei 2021

Op de feestdag van de apostelen Filippus en Jakobus – en van ieder die zijn naamdag viert omdat ie Filip, Flip, Jakob, Sjaak of Kobus heet – valt in de lezingen de naam van de een en de ander. Die arme Filippus heeft geen glansrol in het fragment uit Johannes. Maar liefst vier hoofdstukken lang (14, 15, 16, 17) bevriest Johannes de voortgang van zijn verhaal van Jezus de levende in zijn zogenaamde afscheidsrede. Daarin zegt Jezus keer op keer en nog een keer dat Hij en de Vader één zijn, dat ze met elkaar verbonden zijn, dat ze één zijn in liefde, dat ze met elkaar verkeren in gemeenschap van goederen want alles van de Vader is van de Zoon en omgekeerd is alles van de Zoon van de Vader, ze zijn vanaf het begin bij elkaar, de Vader heeft de Zoon naar de wereld gezonden en nu keert de Zoon weer terug in de boezem van de Vader, de bedoeling van de zending was en is redding voor wie verloren was, eeuwig leven voor wie in God gelooft en in Hem maar dat is hetzelfde; vergeving, heiliging, glorie: vraag maar en je zult het krijgen. Zo vat ik de vier hoofdstukken samen. In ons fragment vandaag stelt Jezus: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Alleen door Mij heeft men toegang tot de Vader. Als jullie Mij hebben leren kennen, zul je ook mijn Vader leren kennen. Sterker, nu al kennen jullie Hem en heb je Hem gezien.” Hierop zegt Filippus: “Laat ons de Vader zien, Heer, dan zijn we tevreden!” Daarom zeg ik: die arme Filippus, hij heeft geen glansrol. Of hij heeft niet goed geluisterd, of hij snapt er niets van. Zoals het verhaal er staat lijkt hij me niet het slimste jongetje van de klas. Maar misschien moeten we Filippus op zijn feestdag niet te hard vallen. Pasen en Pinksteren zijn in het verhaal nog niet geweest, de Parakleet nog niet gezonden. Misschien heeft het helemaal niets te maken met slimheid en gaat het hier om een mystiek zien en weten dat alleen maar door een langzame groei tot stand komt, een langzaam ingroeien in het mysterie dat Christus is, de Vader en de Geest. Filippus was eenvoudigweg nog niet zo ver. Zijn wij dat wel?

In 1Korintiërs 15 valt de naam van de andere apostel wiens feest we vieren: Jakobus. Paulus geeft daar een merkwaardige opsomming van personen aan wie Christus is verschenen na zijn opstanding op de Derde Dag. Hij noemt eerst Kefas en dan de Twaalf. Tussen haakjes, ik mis dan een voetnoot waarin verklaard wordt waarom hij twaalf zegt en niet elf, rekent hij Judas Iskariot hier weer mee? Was Mattias toen al als vervanger gekozen om het twaalftal weer compleet te maken? Maar Paulus gaat verder: vervolgens is Hij verschenen aan meer dan 500 broeders tegelijk. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. Weer mis ik een verklarende voetnoot. Jakobus hoorde toch bij de Twaalf? Bij de twaalf zitten twee Jakobussen: de Meerdere en de Mindere. Hier moet het om de Mindere gaan, die ook als de broer van Jezus wordt opgevoerd en die een grote rol speelde in de eerste christengemeente van Jeruzalem. Wie nog “minder” is, is Paulus die zich zelf aan het slot van zijn opsomming neerzet als een misgeboorte, of een misbaksel. Een weinig verheffende zelftypering.

Wat is het zelfbeeld van christenen? Meer speciaal: wat is het zelfbeeld van katholieken in Nederland? Lees in dat verband in Volzin nr 4 van april van dit jaar het artikel “Buiten dienst. Toen God kleiner moest gaan wonen en ik meekeek” – het is een voorbeschouwing van Anton Stolwijk van zijn gelijknamige boek dat volgens Volzin een tragikomisch portret is van de restanten van het Nederlands katholicisme en van een samenleving die veel meer dan de gebouwen van haar geloofsgemeenschappen in de uitverkoop heeft gedaan. Daarnaast moest ik denken aan Toos Wierema-Ballings (96), vorig jaar gedecoreerd als de oudste ooit, die op de afgelopen koningsdag een virtuele ontmoeting had met de prinsessen en een live gesprek met Amber Brantsen op een dak van Strijp-R. Ze vertelde dat ze nog altijd als kosteres werkzaam is. Enig speurwerk leverde op dat ze in de Wilgenhof de kapel verzorgt en ook kostersdienst doet in de Sint Joriskerk. Zulke oude mensen houden de kerk in onze contreien overeind. Heilige Filippus, heilige Jakobus, sta ons bij!

maandag 26 april 2021

“Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered worden: die kan vrij in en uit gaan en zal weidegrond vinden” (vers 9). Even verder op zegt Jezus: “Ik ben gekomen opdat ze leven mogen bezitten, en wel in overvloed” (vers 10b). Het is preken voor eigen parochie om te bevestigen dat Jezus de toegang vormt tot een leven waarin je gered bent. Maar als je probeert te preken over de parochiegrenzen heen, regelrecht onze geseculariseerde wereld in … wat kun je dan van deze woorden uit Johannes maken? Wie door Jezus heengaat zal gered worden. De laatste keer dat die woorden voor een groot televisiepubliek aanschouwelijk werden gemaakt, was The Passion op Witte Donderdag 1 april, vanuit Roermond. The Passion laat het elk jaar zien dat het leven van Jezus onlosmakelijk verbonden is met het kruis. Altijd dat kruis, zo luidt de laatste boektitel van Bram van de Beek, een titel waarin ongeduld, ergernis, frustratie klinkt … kan dat niet anders? Nee, kennelijk niet. Borgman (Alle dingen nieuw) citeert met instemming de Algerijnse dominicaan Pierre Claverie (1938 – 1996) die heeft gezegd: “Ik geloof dat de kerk sterft door niet dicht genoeg bij het kruis van Jezus te zijn.” Claverie werd in 1996 in Algerije vermoord, evenals de trappisten van Thibhirine (dit jaar 25 jaar geleden). Hij zag het aankomen, maar wilde zich toch niet veilig stellen. Hij verantwoordde zijn keuze om in Algerije te blijven aldus: “We hebben geen macht, maar we zijn er als aan het bed van een vriend, van een zieke broer, in stilte, om zijn hand vast te houden en zijn voorhoofd af te sponzen. Vanwege Jezus. Omdat Hij degene is die daar lijdt, in dat geweld waarvoor niemand gespaard blijft, opnieuw gekruisigd in het vlees van de meest onschuldigen” (Borgman, 309). Toch is christelijk leven geen verheerlijking van het lijden, er is geen fixatie op het kruis. Jezus doet een uitnodiging om bij hem binnen te gaan, binnen te gaan in de werkelijkheid die getekend wordt door lijden en dood. Maar hoeveel werkelijkheid kan de mens aan? Hoeveel lijden en dood? Gods bedoeling is toch dat de mens leeft en floreert: leven bezit in overvloed? Wie via Jezus naar binnen komt, zegt Johannes, kan vrij in en uit kan gaan en weidegrond vinden. Ik versta die woorden als: de boog kan niet altijd gespannen blijven, het kan ook nodig zijn om uit te gaan, om bij te tanken, om weer op krachten te komen. Neem corona: wie kan het woord nog horen!? In Breda wilde men er even niet meer van horen en werd een fieldlab opgetuigd voor 10.000 mensen die flink uit hun dak wilden gaan met muziek en dans en drank. Met 10.000 mensen de wei in om het leven in overvloed te ervaren. Maar in de buurt van het festivalterrein staat het Amphia-ziekenhuis. Een dokter van het ziekenhuis stelde het zich voor hoe het kaboem kaboem zou doordringen op de ic’s waar de intensivisten vochten voor het leven van hun patiënten. Feest en lijden zaten hier te dicht op elkaar. Hij startte een petitie die in korte tijd door 375.000 mensen werd ondertekend. Als gevolg van die petitie werd het feest afgelast. Maar sinds het laatste persmoment van Rutte en De Jonge blijkt dat er een balanceeract wordt gezocht tussen de noodzakelijke inspanningen om corona te beteugelen, en de noodzakelijke inspanningen om te ontspannen: de terrasjes weer open, de avondklok ingetrokken, 100 mensen bij een uitvaart i.p.v. 30. Hoewel ik de petitie ondertekend heb, sta ik ook achter die versoepelingen. Het is in en uitgaan. Om terug te komen op The Passion: het thema was: “ik ben er voor jou”, met het prachtige slotgebaar van de wijdgespreide armen van Jezus als van het oude H. Hartbeeld. “Ik ben er voor jou” is de godsnaam: met dat gebaar en met wat er voor staat wordt hier in huis elke dag zorg verleend en met dat zelfde gebaar worden ook feesten en festivals omarmd …

maandag 12 april 2021

Maandag na de tweede zondag van Pasen horen we van het nachtelijk gesprek van Nikodemus en Jezus. Waarom is het zo passend dit verhaal kort na Pasen te herlezen? Misschien wel omdat je er een paasverhaal in kunt lezen. Sowieso is het evangelie van Johannes een en al paasverhaal, en zijn alle vier de evangelies plus de Handelingen en de Brieven paasverhalen, want zij zijn ontstaan na en vanuit de paaservaring dat Jezus is Opgestaan en Verrezen. De paaservaring heeft niet alleen betrekking op wat er met Jezus gebeurd zou zijn, maar ook wat er met de vrouwen en de andere leerlingen gebeurd is: ze voelen zich opnieuw geboren en die nieuwe geboorte heeft alles met Jezus en zijn Geest te maken.

Nikodemus begint zijn gesprek met een credo-achtig statement: “We weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent.” Jezus geeft op het eerste gezicht een vreemd antwoord, het is eigenlijk geen antwoord maar een bruggetje. Hij pakt dat “van Godswege” op en zegt: “Alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien.” Een spiritueel doorkneed mens ziet in dat dit geen onredelijke voorwaarde is, maar toch we zijn helemaal bij Nikodemus als hij zegt: dat kannie, je kunt niet terug in de moederschoot om nog een keer geboren te worden. Fair enough, dat vindt Jezus ook. Maar het gaat om een nieuwe geboorte uit water en geest. Ach so, nu begrijpen we het. Het gaat over een geestelijke hergeboorte, we zijn als spiritueel mens weer bij Jezus. Een spirituele hergeboorte is voortaan alles zien in het Licht van Pasen, in zijn Geest die alles nieuw maakt als Gods schenkende Schepping. Maar waarom zegt hij: uit water en geest? Wat is het water dan? Het mooie van veel teksten uit de evangelies is dat ze niet uitgelegd worden. Er staat wat er staat, maar wat staat er eigenlijk? Je kunt er over nadenken, je kunt er je eigen uitleg aan geven. Bij water denk ik nu aan vruchtwater. Zonder vruchtwater kan een kind in de buik van zijn moeder niet groeien: het water is het levengevende element dat het ongeboren kind omgeeft totdat de vliezen breken, het vruchtwater wegstroomt en het kind geboren wordt. Als Jezus het water erbij houdt, bedoelt hij dat een leven in de Geest nooit mag vergeten waar het vandaan komt: van de moeder, van de baarmoeder, van het vruchtwater, uit de aarde, uit de werkelijkheid van erotiek en seks, genot en pijn, lijden en dood. Blijf de aarde trouw, zo schreeuwt Nietzsche de christenen van zijn dagen toe die hij van een levensontkennende slavenmentaliteit beschuldigde die meer met het hiernamaals bezig was dat met het hiernumaals en die daarom de dood van God op haar geweten had. Er is geen theoloog die zich de kritiek van Nietzsche niet heeft aangetrokken. Ik verwijs naar Tomas Halík, Raak de wonden aan, Miroslav Volf, Voor het leven van de Wereld en Erik Borgman, Alle dingen nieuw.

Op het einde van zijn grote werk deel 1 komt Borgman met drie Franse woorden die volgens mij die hergeboorte uit water en geest ook oproepen: le point vierge, woorden die hij ontleent aan de Amerikaanse trappist Thomas Merton die ze weer heeft van Louis Massignon. Merton zegt: “In de diepste kern van ons wezen is er een punt van niets-zijn, waar zonde en illusie niet zijn doorgedrongen, een kern van louter waarheid, een vonk die geheel God toebehoort, die nooit tot onze beschikking is, van waaruit God over onze levens beschikt, en die niet toegankelijk is voor de spelingen van onze geest of de brutaliteit van onze wil. Die kleine kern van niets-zijn en volstrekte armoede is de zuiverste glorie van God in ons. Het is, om zo te zeggen, zijn Naam die in ons is geschreven als onze armoede, onze behoeftigheid, onze afhankelijkheid, ons kindschap” (Borgman, blz. 283). Dat is prachtig uitgedrukt, dat is geest, maar waar is het water? Ook daar kunnen we terecht bij Thomas Merton die een ervaring beschrijft die ieder mens die vroeg opstaat kan herkennen en beamen: “Het eerste tsjilpen van de vogels markeren het point vierge van de dageraad onder een hemel nog zonder echt licht, een moment van ontzag en onuitsprekelijke onschuld als de Vader in volmaakte stilte hun ogen opent. Ze beginnen tot Hem te spreken, niet met een vloeiend lied, maar met een ontwakende vraag die hun dageraadstaat is, hun staat op het point vierge. Hun toestand vraagt of het tijd is voor hen te ‘zijn’. Hij antwoordt: ‘ja’. Dan worden ze één voor één wakker en worden vogels” (Borgman, blz. 283).

maandag 29 maart 2021
Jesaja 42, 1 – 7 en Johannes 12, 1 – 11

Vorige week gaven de lezingen ons twee vrouwen: Susanna uit het Oude Testament die vals beschuldigd werd van onzedelijke handelingen, en een naamloze vrouw uit het Nieuwe Testament, uit het evangelie van Johannes, die gestenigd dreigde te worden vanwege overspel. Vandaag, daags na Palmzondag aan het begin van de lijdensweek, staat een met name genoemde Maria in de aandacht; zij heeft lange haren want ze kan er Jezus’ voeten mee afdrogen en ze heeft veel liefde. Vanuit het Lucasevangelie sleept ze een bepaalde reputatie mee – Johannes doet daar niet aan mee – maar deze Maria wordt door Judas Iskariot wel geframed als iemand die verspillend bezig is: het geld van de dure nardusolie waarmee ze Jezus’ voeten zalft, had beter aan de armen uitgegeven kunnen worden. Jezus komt tussenbeide, ten gunste van Maria, en zegt: laat haar haar gang gaan.

Ik wil het vandaag hebben over de gang van de vrouw doorheen de mensengeschiedenis. Gelooft het christendom niet dat Jezus Christus is gekomen voor het heil van alle mensen? En is het niet een feit dat van alle mensen de helft vrouwen zijn? Vrouwen zijn doorheen de hele geschiedenis door mannen achtergesteld in hun rechten, nooit als gelijk of gelijkwaardig gezien; ze worden uitgebuit, mishandeld, misbruikt, verkracht, gedood. Ze kunnen niet veilig en onbekommerd over straat lopen ‘s avonds. De aanleiding voor mijn gedachtes – ik heb ze wel vaker geuit – is de dood van, nee de moord op de 33-jarige Sarah Everard deze maand in Londen. Sta eens stil bij die leeftijd: zij was even oud als Jezus toen hij werd vermoord. Volgens de theologie is Jezus ook gestorven voor deze Sarah. Maar wat betekent dat als het geen loze woorden willen zijn?

In het BBC-programma De Grote Vragen op zondagmorgen werd nagedacht over wat er gebeurt met vrouwen, niet alleen in London, niet alleen in Europa, maar overal ter wereld. De vraag is hoe dat ten goede kan worden gekeerd, wat er gedaan kan worden behalve de rituele demonstraties en wakes die dan ook weer door de politie uit elkaar geslagen worden wegens het overtreden van de corona-maatregelen. Er waren kwamen allerlei deskundigen, wetenschappers, ervaringsdeskundigen aan het woord: cijfers, feiten, verhalen. Ze zijn schrikbarend. De meldingen van geweld tegen vrouwen in de huiselijke situatie tijdens dit coronajaar rijzen de pan uit. Er werd gezegd: corona is een pandemie waarvoor alles uit de kast wordt gehaald om die te bestrijden, in een recordtijd zijn vaccins ontwikkeld … maar geweld tegen vrouwen is óók een pandemie en er wordt bitter weinig aan gedaan. Wat kan er gedaan worden, waar ligt de oplossing?

Sommigen zeggen: veel meer zaken voor de rechter brengen. Slechts één procent van de aangiften voor verkrachting komt voor de rechter. Vaak lopen de zaken op niets uit wegens gebrek aan “wettig en overtuigend bewijs”. Anderen zeggen: het is de opvoeding en de school; je moet jonge kinderen leren dat jongens en meisjes gelijkwaardig zijn. Maar het is bekend hoe machteloos ouders en leraren zijn, bijvoorbeeld tegen het internet en de smartphone waarop jonge kinderen gemakkelijk toegang hebben tot porno, geweld, machismo. Weer anderen zeggen: een cultuurverandering waarin de verkeerde beelden die diep in de psyche verankerd zijn aangepakt worden. Welnu, een van de beelden waar ik als lid van de RKK wat over mag zeggen is het verkeerde vrouwbeeld van Rome dat systematisch, principieel en hardnekkig de vrouw in een ondergeschikte positie heeft gehouden, met vrome smoesjes en drogredenen omkleed, tot op de dag van vandaag. Schaamt de RKK zich niet, schamen die priesters, bisschoppen en kardinalen zich niet? Schaamt de paus zich niet? Dat zij hun posities exclusief voor zich zelf bewaren en geen vrouw naast zich dulden, ja zich niet kunnen voorstellen dat een vrouw priester, bisschop, kardinaal of paus kan worden? Ik kom op schaamte dankzij Arnon Grunberg (Trouw, Tijdgeest 20 maart 2021) die zegt dat correctie op macht begint met schaamte over macht. En ik zeg nu: zolang de RKK die correctie niet aanbrengt helpt zij mee aan het heersende, diep verankerde idee dat vrouwen minder waard zijn dan mannen en doet de kerk niets aan de pandemie van onrecht tegen vrouwen, maar helpt het mee dat onrecht te bestendigen.

Ik zeg dit als man van 76. Je kunt opmerken dat mijn belang wel zo’n beetje is uitgediend. Maar ik ben vader van zes dochters en vier kleindochters (Elisa, Xilia, Renske, Annika) en ik maak me kwaad over de wereld waarin zij nog vooruit moeten. Ik zeg het als theoloog en christen: het is theologisch niet nodig, het is on-evangelisch, het is een aanfluiting van religiositeit. God schiep de mens als man en vrouw, naar zijn beeld en gelijkenis. Nogmaals: Jezus is gestorven voor het heil van alle mensen. De apostelen, allemaal mannen, hadden heel veel om bescheiden over te zijn. De eerste getuige van de Verrijzenis was Maria Magdalena, zij wordt daarom ook wel “de Apostel der apostelen” genoemd (Thomas van Aquino). Zonder haar en de andere vrouwen die met haar naar het graf gingen (zie: Matteüs, Marcus en Lucas) was de kerk niet op gang gekomen. Paulus zegt dat er in Christus geen verschil is tussen Jood en Griek, man of vrouw (Galaten 3,28). De RKK hoeft alleen maar de geest van het evangelie serieus te nemen. Zij heeft een vaccin in handen om de pandemie tegen vrouwen te bestrijden in de vorm van Maria’s nardusolie. Een beetje nardus op de zwarte soutanes van de priesters, de paarse en purperen toga’s van de prelaten, op het witte habijt van de paus, of achter hun oren als herinnering aan de tekst van Marcus 14, 9 waar Jezus zegt: “Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld de goede boodschap verkondigd wordt, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.” De vrouw in de RKK gelijkwaardig aan de man (en gelijkwaardigheid in het jodendom en de islam tussen haakjes maar daar ga ik niet over) zou een sterk teken zijn dat zijn werkzaamheid in het cultureel bewustzijn niet zou missen. Dat moet in de 21ste eeuw kunnen lukken, wil christendom en religiositeit überhaupt nog benen hebben om op te staan. Halleluja.

maandag 22 maart 2021
Daniël 13, 1 – 64 en Johannes 8, 1 – 11

Susanna uit het boek Daniël: elke jaar rond deze tijd treedt ze naar voren en horen we haar geschiedenis die godzijdank goed afloopt; het had ook finaal fout kunnen gaan, zoals het zo vaak fout gaat met vrouwen die in handen van mannen vallen. Zo ook met de naamloze vrouw die ons tegemoet komt in Johannes 8, 1 – 11; zij staat op het punt gestenigd te worden maar heeft het onnoemelijke geluk dat Jezus haar pad kruist. “Wie van jullie zonder zonde is moet maar de eerste steen werpen.” Het is een van de mooiste zinnen uit het Johannesevangelie. Vreemd genoeg is het verhaal niet van Johannes; exegeten hebben dat overtuigend kunnen aantonen. In veel handschriften en oude vertalingen ontbreekt het. Dit is geen wetenschap die ik na veel studie heb opgediept, het staat gewoon in een voetnoot in de Willibrordusvertaling. Hoe het verhaal in Johannes gekomen is blijft een raadsel, het is een soort zwerfkei, maar wel een heel mooie. Deze kei wordt godzijdank niet naar deze vrouw geworpen. Het is al de tweede keer dat ik zeg: godzijdank. Laten we ons realiseren dat we ondanks veel narigheid toch veel hebben om God te danken.

Jezus speelt het klaar om de aspirant stenengooiers tot zelfreflectie te bewegen, om hen te laten nadenken over zich zelf, en meer precies over de vraag of zíj zonder zonde zijn. In een andere voetnoot bij deze tekst staat dat Jezus in het zand schrijft om de mensen wat tijd te gunnen over zichzelf na te denken. Er zijn wel diepzinniger redenen bedacht waarom Jezus in het zand schrijft, maar deze verklaring lijkt mij plausibel genoeg. “Nadenken” is ook het motto en het programma van de nieuwe Denker des Vaderlands Paul van Tongeren (Deventer, 1950), emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Als Jezus na zijn gekriebel in het zand opkijkt hebben de schriftgeleerden en farizeeën nagedacht en zijn ze één voor één afgedropen, niemand die overeind kan houden dat hij zonder zonde is. En Jezus dan? Wij hebben altijd geleerd dat Jezus in alles gelijk geworden is aan de mens, behalve in de zonde. Jezus zou dus zonder zonde zijn, en volgens de spelregel van zijn eigen snelrecht zou hij wel een steen mogen werpen. Maar Jezus ziet af van dat recht en zegt: “Ik veroordeel u ook niet. Ga nu maar en zondig voortaan niet meer.” Een prachtig verhaal, maar hoe loopt het met Jezus zelf af? We komen steeds dichter bij Pasen, steeds dichter bij de ontknoping van zijn verhaal. We weten dat het met hem finaal fout gaat. Na het strovuur enthousiasme van Palmzondag en “Hosanna, gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël”, volgen zijn laatste dagen waarin hij voor de kerkelijke en wereldlijke overheden verschijnt, vals beschuldigd wordt, overgeleverd wordt om gefolterd en gekruisigd te worden. Nu is er geen Daniël in de buurt die een gerechtelijke dwaling kan voorkomen, geen Denker des Vaderlands die tot nadenken kan oproepen, geen macht meer ter plaatse die de massahysterie en het opgezweepte volk een halt kan toeroepen. Jezus wordt vermalen in de machten en de krachten van onze werkelijkheid, van onze geschiedenis, van de loop der gebeurtenissen zoals het meestal gaat. Jezus zonder zonde, zonder stenen, Jezus het lam Gods.

“Mijn God waarom hebt Gij mij verlaten”? Dit zijn de woorden die we bij Marcus en Matteüs vinden, niet bij Johannes. Daar zegt Jezus: “Het is volbracht.” Hij buigt zijn hoofd en geeft de geest. Wat is dan volbracht? Welke geest geeft Hij? Hier begint het geloofsverhaal pas goed. Het geloof dat God hem heeft opgewekt en aan zijn rechterhand heeft doen plaatsnemen. Godzijdank! voor de derde keer binnen het bestek van dit woordje zeg ik dit. Hier begint het geloof in de “onmogelijke mogelijkheid”, zoals Erik Borgman de denkfiguur van de christelijke theologie omschrijft. Het geloof dat water in wijn veranderd kan worden, dat ieder van zijn heilige berg af kan komen om God in geest en waarheid te aanbidden, dat ieder pas een steen mag werpen als hij/zij zonder zonde is. Het geloof dat alle slachtoffers van onze geschiedenis zich zullen verenigen met het geslachte lam Gods, zoals het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes of de Apocalyps, het schildert. Ultieme troost voor een lijden waarvoor geen troost bestond.

maandag 8 maart 2021
2Koningen 5, 1 – 15a en Lucas 4, 24 – 30

Naäman is boos. Komt ie helemaal uit Damascus naar Israël met een brief van de koning voor de koning, Naäman beleefd aanbevelend en met een vracht aan kostbare geschenken voor een kuur die alleen in Israël beschikbaar is, en dan moet hij zich zevenmaal onderdompelen in een ordinaire lokale stroom. Hem niet gezien. Hij had het zich anders voorgesteld. 2Koningen 5 spelt het uit hoe Naäman gedacht had dat de profeet/genezer zou handelen. “Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de naam van de HEER zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen.” Naäman is verontwaardigd hoe simpel de kuur wel niet is, en rivieren hebben ze in Syrië ook, ja, grotere en mooiere zelfs. Naäman was met zijn huidziekte blijven zitten als zijn dienaren – eenvoudige mensen, neem ik aan – niet verstandiger en wijzer waren geweest dan hun baas. Doe het toch maar, zeggen zij. Ze zullen bij zichzelf hebben gedacht: baat het niet dan schaadt het niet. Naäman is een trotse, lichtgeraakte man, maar tot zijn voordeel moet gezegd worden dat hij naar zijn dienaren luistert en zijn trots inslikt. Hij dompelt zich zeven maal onder in de Jordaan en zijn huid wordt weer als die van een klein kind. Hier moet ik denken aan Jezus die eeuwen later zal zeggen: als je het rijk van God niet aanneemt als een kind, zul je er niet binnengaan.

Maar over Jezus gesproken. Over hem gaat het in de tweede lezing. Hij kent het verhaal over Naäman en de profeet Elisa uit 2Koningen ook. Hij herinnert aan het verhaal dat kennelijk nog een groot kritisch potentieel heeft. De goede mensen uit Nazareth kunnen het niet hebben dat hun plaatsgenoot een profeet zou zijn en dat ie hen voorhoudt dat ze wel eens de boot zouden kunnen missen met hun bekrompen opvattingen en hun trots. Hoe zullen de bewoners van Nazareth en omstreken zich de Gezalfde Gods hebben voorgesteld? Hij die komen zou om alles in orde te maken, de Romeinen het land uit te gooien, het koningschap in ere te herstellen, het goede leven voor iedereen: rijkdom, voorspoed, gezondheid, een huid als die van een klein kind? Dat moet een geweldenaar zijn! Maar Jezus die ze hebben zien opgroeien, wiens broers en zussen hier rondlopen!? En het wordt nog veel erger: Jezus die met doornen wordt gekroond, die als een fake koning wordt bespot, gegeseld, aan het kruis geslagen. Nee, zo hadden zij het zich niet voorgesteld, en zo kunnen wij – die al zo’n tweeduizend jaar hebben kunnen wennen aan het idee – het nauwelijks geloven.

Het is heel moeilijk te geloven dat het heil te vinden is in de buurt van het alledaagse, het kleine, ja het schaamtevolle, in de afgang en het fiasco. Ik kreeg laatst van Ans en Fokke Feenstra – ze zijn aan het ontspullen – twee dessertlepels waarop drie Latijnse woorden staan: miser res sacra. Even googelen bracht me bij de Miser Res Sacra Kapel in Warschau, van de Anglicaanse kerk. De woorden betekenen: het miserabele (daar zit het woord miser al in) is een heilige zaak. Wij kennen het spreekwoord: wie het kleine niet eert is het grote niet weerd. Dit spreekwoord is van toepassing op het oude verhaal uit 2Koningen met Naäman die een eenvoudige kuur moest ondergaan, op het nieuwe verhaal over Jezus die uit het eenvoudige Nazareth kwam, en op ons die heel vaak niet zien dat het evangelie zich afspeelt recht voor onze ogen ….

maandag 1 maart 2021
Daniël 9, 4b – 10 en Lucas 6, 36 – 38

De lezing uit Daniël liegt er niet om. “HEER, wij moeten ons schamen, wij, onze koningen, onze hoogwaardigheidsbekleders en onze familiehoofden, omdat wij tegen U gezondigd hebben.” Het liegt er niet om. Het heeft ook geen zin om te liegen, want God de HEER weet per definitie alles, voor Hem is niets verborgen. Hoe bevrijdend is het om openlijk uit te spreken dat we fout zijn geweest, dat we afgeweken zijn van de geboden en de wetten. Die waren bedoeld om het goede leven mogelijk te maken, maar kijk om je heen en zie wat een puinzooi het is: voor te veel mensen is het leven helemaal niet goed. Als je fouten onderkent en toegeeft is herstel mogelijk, kun je werken om het goed te maken. Daniël formuleert inclusief: wij … van laag tot hoog en heel hoog. Onze overheden in het landsbestuur vinden het moeilijk om fouten toe te geven. Meestal is er een parlementaire enquête nodig om dat af te dwingen. Ondervragingen en verhoren onder ede; dan een rapport waaruit blijkt dat er inderdaad veel onrecht geschied is. Als de schuldvraag aan de orde komt en de vraag wie er verantwoordelijk was, blijkt dat nog heel moeilijk te zeggen: de verantwoordelijkheid was over zovele instanties en schijven verspreid dat op het laatst iedereen fout was. Wij. Over zestien dagen vragen hoogwaardigheidsbekleders en de familiehoofden, ik bedoel de volksvertegenwoordigers om onze stem. Wat zou het verfrissend zijn als op de vooravond van de verkiezingen een openbare biecht zoals in Daniël zou plaatsvinden. Maar we leven in een geseculariseerde maatschappij. Wellicht dat alleen Kees van der Staaij van de SGP dat uit zijn mond kan krijgen: “Hopelijk is de HEER onze God barmhartig en vergevingsgezind, want wij zijn opstandig geweest tegen Hem en wij hebben niet geluisterd naar de HEER onze God en wij hebben niet geleefd volgens de geboden die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, gegeven heeft.” De voorlieden van de andere partijen, Lilian, Lilianne, Sigrid, Jesse – en ik voeg daar vooral Esther aan toe, de vrouw die zich echt serieuze zorgen maakt over de toestand van plant, dier en mens – zullen vooral hopen dat de kiezer barmhartig is en vergevensgezind. U ziet dat ik – afgezien van Jesse – vooral mijn hoop heb gevestigd op de vrouw. Daarom moet ik tot slot iets zeggen over de hoofdletter en over de godsaanduiding HEER. In de NBV21 komt de hoofdletter weer terug, Hij met een hoofdletter en God de HEER alles hoofdletters. Feministische theologen hebben bezwaar aangetekend en zeggen: daarmee wordt de klok weer teruggezet (NBV 2004 had kleine letters bij verwijzingen), wat moet de vrouwelijke helft van de mensheid daarmee? Peter-Ben Smit, hoogleraar contextuele bijbeluitleg aan de VU in Amsterdam heeft zich in die discussie gemengd. Hij is een geestige man, feministische theologie is heel oké voor hem, maar hij heeft nu wel de hoofdletters verdedigd. Hij met hoofdletter is van een totaal andere orde dan hij met een kleine letter, zegt hij, dat drukt juist het verschil uit tussen God en mens. En we zijn het er natuurlijk al lang over eens dat God niet geslachtelijk is; je moet bij God niet denken in termen van mannelijk of vrouwelijk. En HEER met allemaal hoofdletters is van een andere orde dan meneertje zus of zo. De hoofdletter, nogmaals, drukt verschil uit en dat moeten we handhaven. Tja, waarschijnlijk maakt u er zich niet druk om, ik zal er dan ook maar gauw over ophouden.

maandag 22 februari 2021
1Petrus 5, 1 – 4 en Matteüs 16, 13 – 19

Vandaag is het de feestdag van de Cathedra van de heilige apostel Petrus, de Heilige Stoel dus. Op die stoel zit volgens de katholieke geschiedschrijving de regelrechte opvolger van de apostel Petrus. Deze stoel is wel een dag en een feestje waard. Ik zal me verder zo goed als ik kan van ironie of sarcasme onthouden. Dat is niet zo moeilijk, want de huidige gebruiker van die stoel, paus Franciscus, verdient ons aller respect en bewondering voor de wijze waarop hij zijn ambt vervult. Hij zit niet ver af van de oproep in 1Petrus – de eerste lezing. Daarin worden de oudsten vermaand goed te zorgen voor de kudden (mv) van God: Hoedt ze zoals God het wil: niet uit dwang, maar vrijwillig, niet uit winstbejag maar met toewijding. Speel niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar wees een voorbeeld voor de kudde. Dit is dus de gedragscode voor de hoogste baas, de opperherder, de ceo van de rkk. Ik vertel geen nieuwe dingen. Een oude en eerbiedwaardige titel van de paus is Servus servorum, de dienaar der dienaren. Het katholieke geloof is een heerlijk geloof – het christendom om het ruimer te formuleren – is een fantastisch geloof dat veel dingen op zijn kop zet: vijanden liefhebben, eersten die laatsten zijn en laatsten die eersten zijn. Zeventig maal zeven maal vergeven. Alles weggeven. Het kruis opnemen en Jezus achterna. Geloven in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwige leven. Amen.

De oorsprong van het feest van de Heilige Stoel, weer volgens de rechtzinnige rooms-katholieke traditie (de Reformatie denkt daar anders over, evenals de Oosters-orthodoxe traditie, om maar te zwijgen van de evangelicals en de pinksterkerken van Amerikaanse of Afrikaanse snit), die oorsprong ligt in de tekst van Matteüs die we horen in de tweede lezing, waar Jezus zegt: Jij bent Petrus; op die steenrots zal ik mijn kerk bouwen; en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn. Dat is nogal een mandaat! De roomse kerk heeft haar gezag altijd aan deze tekst ontleend, haar gezag en haar sleutelmacht. Andere christelijke kerken kennen deze tekst natuurlijk ook; zij hebben een uitleg die niet per se uitkomt in Rome of het Vaticaan. Ik blijf daar verder van af. Nogmaals, als de pausen een gedragscode hanteren volgens 1Petrus dan is het mij best. Waarom zou je tegen een dienend leiderschap zijn, tegen een baas die niet de baas wil spelen?

Maar nu naar het eerste deel van de tekst, de zogenaamde belijdenis van Petrus waardoor hij het vertrouwen van Jezus krijgt, het mandaat om dingen te binden en te ontbinden op de aarde als in de hemel. Jezus vraagt aan zijn leerlingen: wie ben ik volgens jullie? Eerst draaien de leerlingen nog wat om de hete brij heen, en zeggen ze wat anderen zeggen. Anderen zien in Jezus iemand zoals Johannes de Doper, of zoals Elia. Weer anderen herkennen in Jezus een nieuwe Jeremia of een van de andere profeten. Het onbekende enigszins naar je toe halen door het in een mal te stoppen die je bekend is. En dan komt het: En jullie, wie ben ik volgens jullie?

Dat is een vraag! Hebt u dat wel eens aan een ander gevraagd? Waarschijnlijk niet. Ik heb me de laatste tijd verdiept in Marieke Lucas Rijneveld (1991). Wie is zij, wie zeggen de mensen dat zij is? Op de eerste plaats is het onduidelijk of het wel een zij is. Zelf vindt ze zich een tussenmens, niet vrouw niet man óf beiden tegelijk zoals haar voornamen aanduiden: Marieke én Lucas. Haar romans: De avond is ongemak, en Mijn lieve gunsteling … als je ze leest denk je: de schrijver van deze romans is zwaar gestoord. Anderen zeggen: grote literatuur, het beste wat er sinds lang geschreven is, een belofte voor de toekomst. In Brabants Dagblad van 7 februari stond een groot interview met haar. Daarin zegt ze dat ze voor alles bang is, ze wordt geplaagd door een legio aan demonen, ze twijfelt aan alles, ze maakt moeilijk vrienden, het schrijven houdt haar overeind. “Als ik een dag niet schrijf, heb ik het gevoel dat ik niet besta.” Boven het hele interview staat als kop: “Soms verlang ik naar de liefde.” Eerder las ik hoe mensen op haar reageren als ze boeken signeert of een optreden verzorgt: ze zijn onder de indruk, ze willen haar aanraken, ze beschouwen haar als een Messias. Ik denk dat hier omkeringen in het spel zijn: de mensen die dat willen worden gedreven vanuit een soort messiasgevoel waarmee zij Marieke Lucas willen redden, omdat ze beseffen dat hier zich een mens toont die redding behoeft en liefde nodig heeft: ecce homo. Het messiasgevoel is gedemocratiseerd en verspreid over velen.

Maar dit is de belijdenis die Petrus zoveel credits geeft: U bent de Messias, de Zoon van de levende God. Weet Petrus wat ie zegt? Weet ie nu wel wat ie zegt? Op de berg Tabor bij de Gedaanteverandering was hij aan het raaskallen met de drie tenten die hij wilde gaan bouwen. Maar of hij het weet of niet, Jezus geeft hem een aai over de bol: Goed zo Petrus … maar dat heb je niet van je zelf, dat moet je van de Vader hebben die het je heeft geopenbaard. Jezus is een ook tussenmens, God én Mens, mens tussen de mensen, God onder mensen. En daarom vieren wij op 22 februari het feest van de Cathedra, het feest van de Heilige Stoel …

maandag 15 februari 2021
Gen. 4, 1 – 15.25 en Marcus 8, 11 – 13

Als je Genesis 4,1 – 15.25 leest dan kun je begrijpen waarom Jezus in Marcus 8, 11 – 13 hartgrondig zucht. De farizeeën vragen aan Jezus een teken uit de hemel. Godallemachtig, weten ze wel wat ze vragen!? Lees er dus Genesis op na, het verhaal van Kaïn en Abel. Kaïn is een landbouwer en offert God van de vruchten van de grond, Abel is een schaapherder en offert de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Pas op: nu komt dat teken uit de hemel. De HEER slaat geen acht op het offer van Kaïn, maar Hij ziet genadig neer op Abel en zijn offer.

In de prentenbijbel van Gustave Doré stond daar de prent van het offer van Kaïn met neerslaande rook, en het offer van Abel met rook die mooi rechtop naar de hemel steeg. Heel suggestief. Maar Genesis meldt niets over neerslaande of opstijgende rook, niets over de kwaliteit van die offers, niets over het waarom van aanvaarden en afwijzen, het is pure goddelijke willekeur. Wel verhaalt Genesis over de reactie van Kaïn: grote woede die leidt naar de broedermoord, de archetypische eerste broedermoord in een serie van velen in de geschiedenis van de mensheid. Het is goed op te merken dat het contact tussen de Heer en Kaïn niet afgebroken wordt; hij zal niet meer in zijn nabijheid verkeren of met Hem wandelen. Als Kaïn klaagt dat ie het grondig verprutst heeft en dat hij een vagebond en een zwerver zal zijn, vogelvrij en dat iedereen hem kan doden, dan zegt God: nee, wie het ook is die Kaïn doodt, hij zal zevenvoudig boeten. “En de HEER gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem zou doden. Daarna trok Kaïn weg uit de nabijheid van de HEER en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.” In een aantal verzen verderop zegt Genesis: “Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon en noemde hem Set. Want, zei ze, God heeft mij een andere zoon geschonken in de plaats van Abel, die door Kaïn is vermoord” (vers 25). Ik kan dit vers moeilijk anders lezen als: DWDD de wereld draaide door, uithuilen en opnieuw beginnen, zand erover en weer dapper verder. Het heeft iets schouderophalends, iets relativerends, ach, wat doet het ertoe. Maar zo lees ik het waarschijnlijk verkeerd. Genesis is pas het begin, het eerste bijbelboek. Er zullen nog vele boeken volgen tot en met de Apocalyps van Johannes. Onderweg doemen veel vragen op; er zijn wel antwoorden, maar vele vragen blijven onbeantwoord.

Zijn alle mensen kind van God? Of alleen religieuze mensen, of alleen gedoopte mensen? We leerden vroeger dat je door het doopsel lid werd van de kerk én kind van God. Ik heb het wel eens aan bisschop De Korte gevraagd, een bisschop moet zoiets wel weten dacht ik. Ik vroeg hem: Zijn niet alle mensen kind van God; waarom zegt de oude catechismus dat je door het doopsel kind van God wordt? Ik zag dat de bisschop aarzelde, zijn antwoord was niet erg helder. Denken we inclusief of exclusief, sluiten we alle mensen in of sluiten we sommige mensen uit? Doet God zoiets? In het jongste boek van Erik Borgman, Alle dingen nieuw, zie ik dat hij zich ook met die kwestie bezig houdt, en hij is niet de eerste want Thomas van Aquino, de grote filosoof/theoloog van de RKK (1225-1274) deed het al voor hem. Thomas denkt inclusief, maar maakt een onderscheid tussen ongevormd geloof en gevormd geloof. Gedoopte mensen mag je veronderstellen hebben een gevormd geloof; zij zeggen “ja” tegen het kindschap en proberen er naar te leven. Ongedoopte mensen, zij die misschien nog nooit gehoord hebben van God laat staan van Jezus, hebben een ongevormd geloof – misschien moet je zeggen een ongearticuleerd geloof. Zij kunnen moeilijk “ja” zeggen tegen het kindschap, maar ze kunnen wel een leven leiden in liefde en waarheid. Daarbij geldt dat het nooit te laat is om voor zo’n leven te kiezen. Van die mensen moet je toch aannemen dat ze ook kind van God zijn. Dat is het antwoord van Thomas en Erik.

In het verhaal van Kaïn en Abel leren we dat God zelfs de broedermoordenaar niet afschrijft. In het evangelie vertelt Jezus over de verloren zoon: de vader ziet voortdurend uit naar zijn terugkeer en ontvangt hem vol blijdschap als hij terugkeert. Nu nog die hartgrondige zucht uit het Marcusevangelie. Waarom moet Jezus zo zuchten over dat teken uit de hemel? Omdat hij niet meegaat met het aangeharkte wereldbeeld en de afgebakende theologie van zijn farizeïsche vrienden. Hij zucht volgens mij ook over Thomas van Aquino en Erik Borgman. Hij zucht omdat ook hij verbijsterd is over het offer van Kaïn en Abel en over de willekeur van God. Ook voor Jezus is God onbegrijpelijk …

maandag 1 februari 2021
Hebr. 11, 32 – 40 en Marcus 5, 1 – 20

Marcus is meestal kort van stof, maar nu gaat hij voluit in zijn verhaal over de bezetene in het land van de Gerasenen. Het gaat over één bezetene die als een hopeloos geval beschouwd moet worden: niemand kon hem meer vastbinden, niet met kettingen of voetboeien, enkelbanden zouden wij zeggen. Hij loopt te tieren en te razen tussen de graven en over de bergen, hij is de schrik van de brave hardwerkende burger. Aan duiding wordt niet veel gedaan, hij is in de macht van een onreine geest, zegt Marcus; de psychiatrie staat nog maar in de kinderschoenen ten tijde van Jezus. Maar Jezus vraagt naar zijn naam, en kinderschoenen of niet: dat is waarschijnlijk het beste wat hij kan doen en heeft zijn geldigheid toen en nu. Het is de persoonlijke benadering die we ook aantreffen bij burgemeesters als Aboutaleb, bij wijkagenten en de jongerenwerkers als er razernij is, opgekropte woede die een uitlaat zoekt met stenen gooien, vernielingen, plunderingen, matten. Een benadering die waarschijnlijk effectiever is dan het inzetten van het leger. De naam waarmee de bezetene zich bekend maakt is: “Legio want we zijn met velen.” Velen zijn in onze dagen bezeten van een onreine geest van woede. Het lijkt wel of we zelf in het land van de Gerasenen wonen, een naam waarin het geraas doorklinkt van talloze mensen die terecht of onterecht boos zijn, meestal terecht vermoed ik. Ik zal hier niet de ellenlange lijst opsommen van de redenen tot boosheid, daarvoor hoef je alleen maar de krant te lezen. Maar wat doe je eraan? In een humane samenleving zijn er twee vreedzame mogelijkheden: zoals gezegd de persoonlijke benadering én stemmen op een partij die echt de onrechtvaardigheden in onze maatschappij, de grote problemen van de wereld, wil aanpakken met verstandige maatregelen. Jezus geneest de bezetene met onorthodoxe maatregelen: legio onreine geesten transporteren in een troep varkens die zich in het meer stort waar ze verdrinken is niet een op een over te nemen. Soit. Als de Gerasenen komen kijken wat er gebeurd is, vinden ze de schrik van de streek bij Jezus zitten, gekleed en bij zijn volle verstand. Waarom heeft Marcus dit verhaal zo uitvoerig verteld? Volgens Bas van Iersel die zijn hele werkzame leven met het Marcusevangelie bezig was – hij was ook een soort bezetene – heeft Marcus een selfie gemaakt. Tegen het einde van zijn verhaal doet hij dat nog eens op het moment dat Jezus gearresteerd wordt. Al zijn leerlingen slaan op de vlucht, maar er is een jongeman – out of the blue – die hem volgde met slechts een linnen doek om het naakte lijf. Hoe weet Marcus dat, behalve als hij het over zich zelf heeft? De M.E. grijpt hem vast, maar hij laat de doek achter en vlucht naakt weg. Weer blijkt hij ongrijpbaar. Na zijn genezing wil hij zich aansluiten bij de leerlingen van Jezus, maar hij staat hem dat niet toe. Hij krijgt een andere zending. Ga naar huis, naar uw familie en vertel wat de Heer voor u gedaan heeft. Dat deed ie en hij vertelde zijn verhaal ook in de Dekapolis, de tien steden. We kunnen ons voorstellen dat hij gefascineerd was door deze Jezus en dat ie hem toch bleef volgen, van een afstand. Zo gefascineerd dat hij ook ging schrijven wat dan het Marcusevangelie is geworden.

De lezing uit Hebreeën is een goede match met het verhaal over de Gerasenen. Ik haal een paar verzen terug: zij werden gestenigd, doormidden gezaagd, terecht gesteld met een zwaard. Zij zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, ten prooi aan ontbering, mishandeling. Ze hielden zich op in woestijnen en in de bergen, en in de krochten van de aarde. Van dit zooitje ongeregeld zegt de auteur van Hebreeën: ze waren te goed voor deze wereld. Hij wil dat deze mensen vermeld worden vanwege hun geloof.

En wat is nu de moraal van dit verhaal? De moraal is dat mensen bij hun zinnen komen als Jezus naast hen gaat zitten, als Jezus hen vraagt naar hun naam. Hij kent geen tuig, schorem en geteisem, maar alleen kinderen van zijn Vader, kinderen weliswaar met wie iets is fout gelopen. Tutti fratelli, zoals paus Franciscus ons allen noemt. Dit is het geloofsartikel voor de 21ste eeuw; het is niet eenvoudig om het te geloven, nog minder om er naar te handelen, maar waarschijnlijk het enige artikel waarmee de mensheid kan overleven …

maandag 25 januari 2021
Hand. 22, 3 – 16 (of: Hand. 9, 1 – 22 ) en Marcus 16, 15 – 18

“Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen” (Marcus 16, 15). Deze apostolische zending, die op een heel bijzondere wijze is opgepakt door Paulus – vandaag viert de kerk “de bekering van de apostel Paulus” – kun je met een beetje goede wil terugzien in de massamedia: radio, televisie, internet, kranten (digitaal of op papier) gaan de hele wereld door en bereiken elk schepsel. Het is alleen de vraag of het altijd “de goede boodschap” is en niet veeleer het slechte nieuws. Vandaag wil ik de aandacht vestigen op Trouw van dinsdag 19 januari 2021. Er zullen maar weinig mensen zijn die hun krant van voren tot achteren uitspellen, maar het twee pagina’s grote interview met Pim van Lommel, die veel publiceert over bijna-dood-ervaringen, kon je toch niet ontgaan, vooral door de pakkende kop: JE KIJK OP DE DOOD BEPAALT JE LEVENSHOUDING. In deze tijd van massale sterfte door corona en/of ouderdom moeten we even bij de les blijven. Leven en dood – en de liefde natuurlijk – waar moeten we het anders over hebben? Laten we eerst vaststellen dat de meeste mensen een gezonde hekel hebben aan de dood: een mens wil leven. Waarom is dat zo? Omdat het leven alles is. De zin van het leven is het leven. De zin van het leven is koffie of thee drinken met de mensen die je graag ziet – ik zal het Vlaams zeggen. De levensdrift zeggen biologen en dieptepsychologen is de diepste drijfveer van de mens. Ook gelovige mensen, c.q. religieuzen van wie je dat toch niet zou verwachten gezien hun Godsvertrouwen, kunnen een geweldige hekel hebben aan de dood. Deze hekel kan zelfs religieus gemotiveerd zijn, lees Psalm 88 er maar op na: HEER, radeloos roep ik naar boven. Een dode kan U toch niet loven? Prijst iemand U vanuit het graf? Spreken de doden van uw daden? Het is een prachtig spelletje schaak van de vrome Jood met God. Het is in Gods belang om de gelovige in leven te houden, anders prijst niemand U. God, doe er wat aan, houd mij in leven. Intussen wordt de dood geen halt toegeroepen, gelovigen en ongelovigen sterven, ieder mens weet dat hij vroeg of laat zal sterven. De dood is een feit en een probleem. Terug naar Pim van Lommel, de specialist van de bijna-dood ervaringen. Mensen die zo’n ervaring gehad hebben, zegt hij, staan voortaan anders in het leven, vanuit een veranderd bewustzijn. Je bewustzijn, zegt hij, bepaalt sowieso al hoe je de wereld ziet. Iemand die verliefd is vindt de hele wereld prachtig, maar iemand die depressief is ziet diezelfde wereld als een ramp. Hij vertelt een verhaal uit de Tweede Wereldoorlog over een Poolse man die iedereen in het concentratiekamp aan het helpen was. En hoewel het merendeel van de mensen halfstervend en ziek was liep deze man er al vier jaar sterk en gezond rond. Hem werd gevraagd hoe het mogelijk was de ellende van het concentratiekamp te overleven. Hij vertelde dat zijn vrouw en kinderen in Warschau voor zijn ogen waren doodgeschoten en dat hij zich op dat moment realiseerde dat hij de keus had: ga ik haten of ga ik liefhebben? De intrinsieke keuze voor liefhebben gaf hem de kracht om door te gaan.

Nu moet ik het eindelijk gaan hebben over de aanleiding tot deze bespiegelingen: de bekering van Paulus. Het is een van de beroemdste bekeringsverhalen uit de geschiedenis van de mensheid, in ieder geval van onze westerse beschaving. Zonder die bekering van Paulus, op weg naar Damascus om de volgelingen van Jezus uit te roeien, zonder dat verblindende licht dat hem uit het zadel wierp, zonder die stem die hem toeriep: Saulus, Saulus, waarom vervolg je Mij? was het christendom waarschijnlijk niet op gang gekomen, of was het beperkt gebleven tot een lokale variant van het Jodendom. Het was een bekering die de wereld voorgoed zou veranderen. Maar wat gebeurde er eigenlijk met Paulus, hoe kunnen we die gebeurtenis verklaren of begrijpen – als we het letterlijke verhaal niet meer voor zoete koek willen slikken? Ik heb er Tom Wright op herlezen die een biografie van Paulus geschreven heeft. Men heeft gedacht dat met die zogenaamde Damascus ervaring een epileptische aanval beschreven wordt. Als je van de school bent dat je samenvalt met je brein dan is dat misschien een bevredigende verklaring. Maar dan heb je nog niet begrepen wat er is gebeurd. Paulus zelf heeft er jaren over gedaan om te begrijpen wat hem overkomen is, hij is er voor op retraite gegaan in Arabia. Volgens Wright is het geen bekering in de normale zin van het woord dat je aanhanger wordt van een (andere) godsdienst. Paulus geloofde voor en na die ervaring in de God van Abraham, Izaak en Jacob. Hij geloofde voor en na die ervaring dat het heil uit de Joden zou komen, hij geloofde in de belofte aan aartsvaders en profeten. Hij was een ijverig dienaar van de Wet voor en na. Het is eerder dat die ervaring alles in een ander licht zet, dat de stukken op hun plaats vallen, dat de Jezus die hij aan het vervolgen is juist het Licht der wereld is. Dat niet haat, vervolging, woede en geweld, dood en vernietiging het antwoord is, maar de liefde zoals die belichaamd werd in Jezus, gekruisigd, begraven én opgestaan op de Derde Dag, zetelend aan de rechterhand van God. Niemand zal mooier schrijven over de liefde als deze Paulus, lees 1 Korintiërs 13 er maar op na. De dood? Dood waar is je overwinning? Dood waar is je angel zal hij met veel gevoel voor drama uitroepen verderop in de brief aan de Korintiërs (1Kor. 15, 55). Vooruit, misschien was Damascus een bijna-dood ervaring, Paulus had daarna een vernieuwd bewustzijn al zijn wij christenen gewend dat eerder in termen van een nieuwe geest te zien: de heilige Geest die van God uitging en neergedaald was op Jezus zijn geliefde Zoon. Deze zelfde Geest van liefde en waarheid gaf Paulus’ voeten vleugels, gaf hem de woorden in van zijn Brieven, met deze Geest kon hij de opdracht waarmaken die Jezus aan het slot van het Marcusevangelie aan zijn leerlingen geeft: “Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen.”

In deze Geest leven en sterven ook wij. Met psalm 108 bidden we op de vierde maandag van de maand in het ochtendgebed*:

Ik ben bereid, mijn God, ik ben bereid,
ik zing en speel voor U.
Ontwaak, mijn geest, wordt wakker, harp en citer.
Ik wek de dageraad (Psalm 108, 2 – 3).


* Zie: Borgman, Alle dingen nieuw (blz. 35).

maandag 18 januari 2021
Heb. 5, 1 – 10 en Marcus 2, 18 – 22

Vandaag een kort evangelie, slechts vijf verzen. Maar Marcus is sowieso kort van stof, hij schrijft zijn verhaal in grote vaart. Heel geschikt voor ongeduldige mensen. Kort maar krachtig, is het gezegde. In die vijf verzen zitten een paar pittige uitspraken: geen nieuwe wijn in oude zakken, nee, jonge wijn moet in nieuwe zakken. Naai geen lap van ongekrompen stof op een oude jas, anders trekt het opgezette stuk eraan, nieuw aan oud, en wordt de scheur nog erger. Het moet als muziek in de oren klinken van jonge mensen die alles anders willen, die zich gefrustreerd voelen door de traagheid van de dingen. Zou Jezus zich als een lap ongekrompen stof hebben gezien? Zich zelf hebben gevoeld als jonge wijn? Zijn optreden schuurde wel: hij is voortdurend in botsing met farizeeën, schriftgeleerden en de oudsten van het volk. Ook in het fragment dat we vandaag lezen storen de farizeeën zich aan het feit dat de leerlingen van Johannes wel vasten, maar zijn leerlingen niet. We zien scheuren op diverse plaatsen in het evangelie. De hemel scheurt open als Jezus zich laat dopen in de Jordaan, het voorhangsel van de tempel scheurt op het moment dat Jezus sterft aan het kruis. Een scheur hoef je niet per se als iets negatiefs te zien, zoals de beroemde regel van Leonard Cohen zegt: There is a crack in everything. That’s how the light gets in. In alles zit een barst, zo komt het licht naar binnen. De nieuwe lap die het christendom vormt heeft een scheuring gebracht met het Jodendom waaruit Jezus voortkwam; hedendaagse theologen gaan dat steeds meer betreuren; ze zien steeds beter hoe schadelijk die scheuring is (geweest) voor het begrijpen van Jezus en voor de identiteit van het christendom. De tekst van de eerste lezing uit de brief aan de Hebreeën is voor een hedendaags mens compleet onbegrijpelijk, je reinste wartaal, als je niet de wereld van het Jodendom kent, de oudtestamentische beelden, de taal der psalmen. Priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek. Mijn zoon ben jij, ik heb je vandaag verwekt. Je moet dan weten: aha, Leviticus, Exodus, psalm 2 en psalm 110. Niet als een staaltje van bijbelgeleerdheid, maar om aan te voelen uit welke wereld die teksten komen, welke ervaringen ten grondslag liggen aan die woorden. Onze ervaringen zijn totaal anders, hoe moeten we die teksten ooit nog verstaan? O ja: zijn ze zo totaal anders? Wat Hebreeën van Jezus zegt is anders herkenbaar genoeg: In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die hem uit de dood kon redden. Met hoe veel mensen gaat het niet precies zo, ja, ik vrees dat het zo met ons allemaal zal gaan. En dan was Jezus nog wel Gods zoon! God kon hem uit de dood redden! Maar God discrimineert kennelijk niet. Hebreeën weer: Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij tot de voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden van eeuwige redding. En wat is die redding? Na zijn lijden en dood heeft God Jezus doen opstaan uit de dood, en zetelt Hij aan Gods rechterhand.

Ik heb wel eens verteld van een cynische kennis die mij af en toe vraagt hoe het met Jezus is. Ik zeg dan altijd: goed! Hij zetelt aan Gods rechterhand. Dan moet hij lachen en we gaan onze gang. Het mooie van ons geloof is dat we geloven dat het uiteindelijk ook met ons goed zal gaan. Straks zitten we allemaal aan Gods rechterhand.

Tot slot wil ik stil staan bij het begin van Erik Borgmans boek: Alle dingen nieuw, een theologische visie voor de 21ste eeuw. Hij is op zoek naar een theologische stijl, op zoek naar een vorm waarin je in de 21ste eeuw theologie kunt bedrijven. Aan het begin van die grote zoektocht plaatst hij een gedicht van de Poolse jeugdboekenschrijfster en dichteres Anna Kamienska (1920 – 1986) met als titel: Een gebed dat verhoord zal worden. Het gaat zo:

Heer laat me veel lijden
en dan sterven.

Laat mij door stilte lopen
en niets achterlaten zelfs geen vrees.

Laat de wereld voortbestaan
laat de oceaan het zand blijven kussen

Laat het gras groen blijven
zodat de kikkers zich er kunnen verstoppen

zodat iemand zijn gezicht erin kan begraven
en zijn liefde uitsnikken

Laat de dag stralend beginnen
alsof er geen pijn meer was

En laat mijn gedicht helder zijn als een raam
waartegen een hommel zijn kop stoot.

Ik geef ook nog het commentaar van de Amerikaanse dichter Christian Wiman. Hij ziet in dit gedicht een hernemen van wat hij het mooiste en verschrikkelijkste gebed noemt dat iemand kan bidden. Jezus die in de tuin van Getsemane bidt: Niet mijn wil, maar uw wil (Mt. 26, 39; Mc. 14, 36; Luc. 22, 42). Het zijn woorden die we nagenoeg dagelijks bidden in het Onze Vader. We hebben het zo vaak gebeden dat het een oefening is geworden voor die ene keer dat het er werkelijk op aan komt ….

maandag 11 januari 2021
Heb. 1, 1 – 6 en Marcus 1, 14 – 20

Vandaag gaan de twee lezingen over het begin en wat dat begin betekent. Bij Marcus is het een klein begin, bij Hebreeën een grandioos begin. Het is alsof we met een zoomlens aan het spelen zijn: inzoomen en uitzoomen en het is aan ons wat we willen zien. Of we ons herkennen in het kleine plaatje, of dat we liever het grote geheel in het vizier willen krijgen. Ik ga dat uitleggen.

Marcus verhaalt, nadat hij Johannes de Doper heeft geïntroduceerd en direct daarna Jezus uit Nazaret die zich door de Doper heeft laten dopen waarna hij 40 dagen in de woestijn beproefd werd en er gesterkt uit naar voren kwam – ongetwijfeld met de Doopervaring in zijn lijf en de stem in zijn hoofd: Jij bent mijn geliefde zoon, in wie Ik vreugde vind, Marcus verhaalt dus dat Johannes wordt overgeleverd en dat Jezus op dat moment aan de bak moet, zoals ik me vorige week vrij oneerbiedig heb uitgedrukt. Zelf zegt hij het wat plechtiger, namelijk aldus: “De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap.”

Voordat ik stil sta bij de eerste stappen die volgen op dat mission statement, ga ik weer even terug naar het zogenaamde verborgen leven van Jezus in Nazaret. Hij heeft daar een klein en onopvallend leven geleid. Omdat zijn vader timmerman was, neem ik aan dat hij zich in het timmerwerk bekwaamd heeft. Hij zal allicht hebben gewerkt aan de bouw van kleine huizen, want later wist hij in een parabel met kennis van zaken te vertellen dat je een huis niet op zand moet bouwen maar moet funderen op rots. Misschien heeft hij naar zijn moeder gekeken hoe zij kleren aan het verstellen was, misschien aardde hij trouwens meer naar zijn moeder en was hij kleermaker, want in zijn parabels wist hij dat je geen nieuwe lap op een oude jas moet naaien want dat gaat trekken en scheuren. Of hij nu timmerman was of kleermaker, in beide gevallen zal hij een klein spaarcentje hebben gespaard, want als hij aan zijn missie begint, vestigt hij zich in Kafarnaüm, een naburige plaats, want hij voelt wel aan dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet wordt erkend: familiarity breeds contempt. Hij moet daar een huis hebben gekocht of gehuurd, de evangelisten zeggen daar niets over. Ik ben nog steeds aan het fantaseren. Wat deed Jezus in zijn vrije tijd als hij niet de bijbel aan het bestuderen was? Ik denk stappen met zijn vrienden. Nu volg ik weer het verhaal van Marcus: “Toen hij eens langs het meer van Galilea liep, zag hij Simon en Simons broer Andreas op het meer hun netten uitgooien; want het waren vissers. Een eindje verderop zag hij Jakobus van Zebedeüs en zijn broer Johannes; ze waren in hun boot de netten aan het klaren.” Hij roept ze op om achter hem aan te gaan, en hij zegt tegen ze dat hij hen tot vissers van mensen zal maken. En ze doen het meteen. Ze laten alles achter en gaan met hem mee. Ik denk dus dat Jezus al gewend was te gaan stappen met Simon, Andreas, Jakobus en Johannes. Het waren geen wildvreemden, hij kende ze al. Ze hadden al veel met elkaar opgetrokken, veel met elkaar gepraat. Moeten we nou ons hele leven vissen vangen, netten klaren … is dat alles wat er is? En dan komt de geest over hun merkwaardige vriend en dan komt hij op een goede dag naar hen toe en zegt: we gaan mensen vangen voor het koninkrijk van God. Kom mee, dat is veel spannender, dat is veel zinniger.

Nou, dat hebben ze geweten. Wat ze in het volgende anderhalve jaar (of drie jaren – de tijdlijnen van de vier evangelisten lopen uiteen) mee maken met die Jezus van Nazaret is welhaast onbeschrijfelijk, daar heb je geen woorden voor. Er gaan decennia overheen voordat Marcus als eerste zijn verhaal opschrijft, zich baserend op wat hij her en der gehoord heeft. Matteüs neemt veel van Marcus over, maar heeft ook onafhankelijke bronnen. Zo ook Lucas. Zo ook ten slotte Johannes. Paulus is iedereen voor en is de eerste die over Jezus gaat schrijven in zijn brieven. De eerste generaties christen-Joden hebben echt geworsteld met hun ervaringen, met hun geloof, met hun begrijpen wat er was gebeurd toen “de tijd rijp was”, toen die profeet uit Nazaret ging verkondigen “dat het rijk van God ophanden was” en dat er “een goede boodschap” zat aan te komen waaraan je geloof mocht hechten. In het boek dat ik momenteel lees (Henk Bakker, Jezus, Reconstructie en revisie Kok, Utrecht, 2020) wordt gesproken van een deltagebied aan Joodse verwachtingen. Een overkoepelende verwachting was dat de redding van de Joden was. Redding zou gestalte krijgen in een nieuwe David, een andere Mozes, een Elia teruggekeerd, een priesterlijke Knecht zoals Jesaja hem voorzag, of een priester-koning naar de wijze van Melchisedek, of een Mensenzoon naar Daniëls model. Inderdaad, een delta aan verwachtingen die allemaal min of meer op Jezus toegepast konden worden. Min of meer.

In Hebreeën is het ongetwijfeld meer. Bij Hebreeën zoomen we uit en gaan we het grote plaatje zien. Daar is Jezus (de profeet uit Nazaret die langs het meer van Galilea wandelt en zijn makkers oproept te gaan stappen naar het koninkrijk van God), daar is Jezus de Eerstgeborene geworden die door God opnieuw de wereld wordt binnengeleid. Ik citeer het grandiose begin van Hebreeën, we kunnen ons niet genoeg verwonderen over de grandioosheid van die visie:

“Nadat God vroeger al vele malen en op velerlei wiize tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu op het einde van de dagen, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij tot erfgenaam heeft gemaakt van al wat bestaat, door wie Hij ook het heelal heeft geschapen. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen, en Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. En na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, heeft Hij zich neergezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge.”

Alsjeblieft: dat hadden die vissers Simon, Andreas, Jakobus en Johannes nooit kunnen dromen dat ze verstrikt zouden raken in een droom van deze heerlijkheid en dit heelal. En wij? Ook wij zijn achter hem aangegaan, wij hebben ons laten vangen, maar het is aan ons om te bepalen in welke termen we (hem) Hem willen zien …

maandag 4 januari 2021
1Joh. 3, 22 – 4, 6 en Matteüs 4, 12 – 17.23-25

Waar zijn we? We zijn aangekomen in het prille begin van 2021, het jaar 2020 is voorbij gegaan.

In het Matteüsevangelie zijn we in het vierde hoofdstuk, nog maar aan het begin van het goede verhaal van Jezus. Eerst heeft Matteüs verteld van de herkomst van Jezus en zijn naamgeving, toen heeft hij het gehad over zijn geboorte in Betlehem, de ster en het bezoek van de magiërs, de vlucht naar Egypte, en de vestiging van het gezin in Nazaret toen de kust veilig was. Vervolgens heeft hij verteld over Johannes de Doper, en de doop van Jezus. Daarna over zijn retraite van 40 dagen in de woestijn waar hij door de duivel een aantal alternatieven kreeg voorgelegd voor zijn route door het leven. Als hij alle verlokkingen en foute keuzes heeft afgewezen begint het pas goed, we zijn dan in het vierde hoofdstuk aangekomen. Johannes – de voorloper – is gevangen gezet en Jezus moet aan de bak. Met zijn optreden gaat een profetie van Jesaja in vervulling, aldus Matteüs:

Land van Zebulon en land van Naftali,
aan de weg naar zee,
aan de overkant van de Jordaan,
Galilea van de heidenen!
Het volk dat in duisternis zit
heeft een groot licht gezien,
en over hen die in het land
en de schaduw van de dood zitten,
over hen is een groot licht opgegaan.


De evangelielezing maakt dan een sprongetje en vat samen wat Jezus gaat doen. Rondtrekken door Galilea, onderricht geven in de synagogen, zieken genezen en het volk van elke kwaal verlossen: d.w.z. de goede boodschap van het koninkrijk van God verkondigen in woorden en daden en tekenen. Heel zijn verdere evangelie, al de hoofdstukken tot en met het 28ste zijn een nadere invulling en uitwerking van die verkondiging. De allerlaatste verzen roepen op om alle volken tot leerling te maken. Dat is gebeurd, daar zijn we nu wel klaar mee.

In de tijdlijn van Jezus’ biografie zit een gat van 30 jaren: de tijd die verstrijkt van de vestiging van het gezin in Nazaret totdat Jezus zich laat dopen, de geest over zich krijgt en een licht gaat worden. Vorige week – in het oude jaar nog – heb ik gewezen op het boek van Samuel Wells waarin deze auteur nadenkt over het zogenaamde verborgen leven van Jezus in Nazaret. Wat deed Jezus daar al die jaren? De wereld verbeteren? Onze problemen oplossen? Nee, hij was gewoon onder de mensen, hij leefde een gewoon leven. Wat kunnen die jaren betekenen voor het christelijk handelen? Wells denkt dat we ons moeten bewegen van doen naar zijn.

Het is een aantrekkelijke gedachte. De wereld gaat aan ons doen ten onder, we geloven niet meer dat we onze problemen kunnen oplossen. Van doen naar zijn. Stil staan bij de zin van het leven. Vorige week zaterdag heb ik geboeid zitten kijken naar de gestreamde uitvaart van frater Wim Verschuren (20 december 1933 / 26 december 2020), u welbekend. Hij was de man die de Vincentiaanse families bijeenbracht in één grote beweging van barmhartigheid. In Vught stichtte hij het spirituele centrum Zin waar mensen bijeen komen om stil te staan bij de zin van hun werk. Voor hem was die zin niet diep verborgen, maar was die onthuld in het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Wim Verschuren wist wat de dynamiek was van de barmhartigheid: de drie-eenheid van zien, geraakt worden en in beweging komen. Deze zin is universeel, religie-overschrijdend.

Een spreker bij de uitvaartdienst vertelde de anekdote over de Vietnamese boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh (1926- ?) die in Europa enorme invloed heeft onder zinzoekers ook van christelijke huize. Hij was uitgenodigd in het centrum Zin, een ontvangstcomité stond buiten voor het klooster om hem te ontvangen. Voor het klooster midden op het grasveld stond die enorme, prachtige, oeroude beuk. Thich kwam aan, negeerde het ontvangstcomité, en liep over het grasveld naar de beuk om hem te begroeten en in grote eerbied onder haar plaats te nemen. Van doen naar zijn. Later had hij in het centrum gewandeld en daar viel zijn oog op een tekstblad dat voortdurend om zijn as wentelde: op een kant stond het woord “komen”, op de andere kant het woord “gaan” (wss in het Engels: come / go). Hij had toen een staaltje van zijn boeddhistische leer ten beste gegeven door op te merken: er is geen komen, er is geen gaan. Er is geen begin, er is geen einde. Om de beginvraag op te pakken: waar zijn we? We zijn hier, er is geen oud jaar, er is geen nieuw jaar: dit is de dag.

Wellicht heeft Jezus zijn eerste dertig jaar een soort boeddhistisch leven geleefd, onopvallend, eenvoudig en vroom, met aandacht de dingen doend die hij moest doen, zich verdiepend in de heilige schriften, schavend aan zijn godsbeeld. Gaandeweg moet hij tot verlichting zijn gekomen, zodat hij zelf een licht kon worden voor anderen. Zo is het ook met ons: we leven en sterven ons kleine leven, we zien om ons heen in barmhartigheid, worden al dan niet geraakt, doen wat we kunnen. Wij lijken op de mensen waar Jesaja het over heeft, op hen die in het land en de schaduw van de dood zitten. Voor ons is Jezus Christus het grote licht geworden, hij heeft ons een leven in liefde geleerd met God verbonden (zie 1Johannes 3, 22 – 4,6).

maandag 28 december 2020
1Joh. 1, 5 – 2, 2 en Matteüs 2, 13 – 18

Vandaag viert de kerk de Heilige Onnozele Kinderen. Ze zijn – volgens het verhaal van Matteüs – door koning Herodes vermoord: alle jongetjes van twee jaar en jonger, omdat hij zo de pasgeboren koning van de Joden te pakken zou kunnen krijgen. De kinderen worden bij traditie onnozel genoemd, ik ga dat langzamerhand een verkeerd woord vinden. De kinderen weten van niets, ze hebben er niet om gevraagd geboren te worden, ze hebben part noch deel aan politieke of godsdienstige verwikkelingen. Het zijn eerder de volwassen spelers in het hele drama die onnozel zijn: ze zouden beter moeten weten, ze zouden beter moeten handelen. Behalve onnozel zijn de kinderen ook heilig verklaard, en dat hangt samen met de verbondenheid van hun lot met de geboorte van Jezus Immanuël, God met ons. Misschien – laten we dat hopen – is het allemaal fictie, want Matteüs – alleen Matteüs – wil een profetie in vervulling doen gaan, een woord dat gezegd was door de profeet Jeremia:

In Rama werd een stem gehoord, een hevig gejammer en geklaag. Rachel jammert om haar kinderen, en ze wil niet meer getroost woorden, want ze zijn er niet meer.

Het zijn huiveringwekkende woorden die bepaald geen fictie waren in Aleppo, Jemen en tal van plaatsen waar kinderen onder de twee jaar zijn omgekomen door bombardementen van wrede koningen. Het zijn allemaal heilige kinderen, althans ze zouden ons heilig moeten zijn als de volwassenen niet zo onnozel waren om oorlog te voeren, heerschappij uit te oefenen, het monopoliespel te spelen, de weg der duisternis te bewandelen.

De contrastvloeistof wordt ons in de eerste lezing geleverd in de eerste brief van Johannes: “God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis.” Als wij onze weg in het licht gaan, dan zijn wij met elkaar verbonden, aldus Johannes. Het kerstverhaal gaat over het komen van dat licht in onze duisternis. In eerste instantie is dat licht zeer welkom, kerstmis is enorm populair, ondanks secularisatie en ontkerkelijking. Maar in tweede instantie? Na kerstmis gaat alles weer gewoon door, de wapens zwijgen nooit, kinderen worden vermoord, Rachel blijft jammeren. Wat maakt het uit of je in God gelooft? Wat voor verschil maakt Christus? Ik weet het niet. Daarom lees ik misschien zo veel boeken. Misschien zijn er theologen of filosofen die wel een antwoord hebben. Tijdgeest van Trouw van zaterdag 19 december kan daarbij behulpzaam zijn, met het beste van 2020 in een keur aan boeken. Ik noem er een paar die mijn belangstelling hebben; ik hoop ze in 2021 te lezen.

Wolter Huttinga zet op zijn topdrielijst het recente boek van theoloog Erik Borgman, Alle dingen nieuw. Korte kenschets: “Een dikke pil, barstensvol gesprekken met denkers en dichters. Je moet wel mee willen deinen op de golven van Borgmans onstuitbare, complexe gedachtenstroom. Intussen is zijn centrale punt kraakhelder: de God die zich in Jezus openbaart zit volop in de shit van deze werkelijkheid. En zal pas daar voor ons oplichten waar wij hem niet meer in onze greep hebben.”

Op de tweede plaats zet hij een boek van historicus Tom Holland, Heerschappij, hoe het christendom het westen vormde. Korte kenschets: “Een meeslepend boek dat heerlijk is geschreven. Holland laat zien hoe de geschiedenis van het christendom vormend is geweest voor vrijwel al onze moderne intuïties. Die geschiedenis is niet eenduidig, maar eerder een geniale mix van diepe paradoxen. Onderdrukkend én bevrijdend, stem van de macht én van profetische kritiek. Het is geen nieuw verhaal, maar wel erg goed verteld.”

Het derde boek op het lijstje van Wolter Huttinga is van de Engelse priester en hoogleraar ethiek Samuel Wells, Een Nazareth-manifest. Korte kenschets: “Wells besloot de eenvoud van ‘being with’ van God eens heel goed te doordenken. Wat impliceert dat voor het christelijk handelen? Heel kort gezegd: bewegen van doen naar zijn. Want wat deed Jezus daar al die jaren in Nazareth? De wereld verbeteren? Al onze problemen oplossen? Nee, God was gewoon onder de mensen.”

Als toegift geef ik u nog een vierde boek, het staat bovenaan op het lijstje van Sjoerd Mulder, eveneens een criticus die ik bewonder. Jim Forrest, Alles is genade: een biografie van Dorothy Day. Korte kenschets: “Dorothy Day (1897 – 1980) was een Amerikaanse vredesactivist. Ze deelde haar bezit met daklozen, zette zich in voor onderdrukten en stichtte de katholieke arbeidersbeweging. Het lijkt een kwestie van tijd tot Rome haar heilig verklaart. Lees haar verhaal voor die tijd, om niet uit het oog te verliezen hoe deze onconventionele heilige schuurde met kerk en samenleving.”

Als ik deze boeken uitgelezen heb, zal ik beslist een stukje minder onnozel zijn. Ook heiliger? Dat valt nog te bezien. Dan moet ik ook solidair zijn met Rachel die om haar kinderen weent, en het licht van God toelaten in mijn duisternis

maandag 21 december 2020
Hooglied 2, 8 – 14 en Lucas 1, 39 – 45

Op maandag voor kerstmis heeft de liturgie enkele kostelijke teksten. Ons fragment uit Hooglied legt de woorden in de mond van de verliefde jonge vrouw. Het lied is een afwisseling tussen een hij en een zij, met koren die commentaar geven er tussen in. Hij heeft al een schitterend statement afgegeven (1, 15):

Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi; je ogen zijn duiven!

En zij laat zich aldus horen:

Hoor, daar is mijn lief! Kijk, daar komt hij aan: springend komt hij over de bergen, over de heuvels komt hij aangesneld. Mijn lief is als een gazelle, hij lijkt wel het jong van een hert.

Die prille liefde tussen een jongen en een meisje, tussen een man en een vrouw – en als een nieuwe verworvenheid mogen we toch langzamerhand wel zeggen – tussen meisje-meisje, jongen-jongen, man-man, vrouw-vrouw, is een van de mooiste vondsten van de Schepper van alle dingen. Alle volkeren en talen hebben haar bezongen; van oude tijden tot op de dag van vandaag laten singer songwriters zich inspireren door het overweldigende gevoel van verliefdheid. Het zou vreemd zijn als het in de bijbel afwezig zou zijn, en dat is het dan ook niet. Sterker: de liefdeslyriek van het Hooglied is ongeëvenaard. Het is grappig om inleiders op het boek te zien worstelen met de vraag hoe het boek geïnterpreteerd moet worden: hoog of laag, heilig of profaan, letterlijk of figuurlijk. Gaat het wel over een jongen en een meisje, of gaat het – het is bijbel nietwaar – over God en zijn uitverkoren volk Israël? Ik zou denken: het is geen kwestie van of of, maar van en en. Het loopt door elkaar heen. Maar ik ga even op de religieuze toer: dan is de “hij” dus God (met excuses aan feministische theologen die af willen van God als een Hij). Wat wordt er aansluitend op de geciteerde verzen van God gezegd? Dit:

Daar staat hij achter de muur van ons huis. Hij kijkt door het venster en tuurt door de tralies naar binnen.

Wel, wel, dat is fraai van God. God die zo’n beetje staat te gluren achter de muur van ons huis, die door tralies naar binnen tuurt. Ik kan daar wel mee leven, beter dan met een God die alles ziet.

De opgewekte, vrolijke, ja, huppelende tekst van Hooglied is vandaag gekoppeld aan het evangelie van Lucas 1, 39 - 45 … dat ook al zo blij van toon is. Twee vrouwen in blijde verwachting die dolgelukkig zijn elkaar te zien. Zoals in de tekst van Hooglied is Maria door het bergland komen aan snellen. Bij de begroeting springt het kind op in de schoot van Elisabet en daar wordt enthousiast over verteld. Er worden complimenten uitgewisseld, God wordt geloofd en geprezen, de God die diepe wensen in vervulling doet gaan ...

Lucas verhaalt in zijn eerste hoofdstuk van de geboorte van Johannes en in het tweede hoofdstuk over de geboorte van Jezus. Over enkele dagen lezen we die tekst en vieren we kerstmis. Immanuel is geboren, in principe is alles nieuw gemaakt – al zullen er nog vele hoofdstukken volgen die ons weer dichter bij de realiteit brengen, de realiteit van het menselijk tekort, de traagheid van de dingen, ellende. Maar vandaag nog niet. Vandaag stellen we ons open voor het Hooglied en laten we de woorden in onze oren klinken die ons hart sneller doet slaan:

Sta op, mijn vriendin, sta op mijn vriend, Kijk maar de winter is voorbij, De regentijd is afgelopen. Op het veld staan weer bloemen, De tijd om te zingen breekt aan, De roep van de tortelduif klinkt over het land. De vijgenboom draagt zijn eerste vruchten al, En wat ruikt de bloeiende wijnstok heerlijk!

maandag 14 december 2020
Numeri 24, 2-7.15-17a en Matteüs 21, 23 – 27

Vandaag op de feestdag van Juan de la Cruz/Johannes van het Kruis, de grote Spaanse mysticus die leefde in de tweede helft van de 16e eeuw (1542 – 1591), lezen we teksten uit Numeri en Matteüs. De samenhang zie ik in de vraag naar religiositeit: wat is religiositeit eigenlijk? Johannes van het Kruis kan ons hier iets leren, hij is per slot van rekening “kerkleraar” – een titel die hem in 1926 werd toegekend door paus Pius XI. Ik denk dat we ook bij onszelf te raden kunnen gaan, daarom bouw ik mijn beschouwing op in vier punten.

Eerst Numeri. Daar gaat het over de profeet Bileam, een profeet die ons sympathiek is vanwege zijn ezel. Die ezel zag iets wat Bileam maar niet wilde zien. Wij zijn ook vaak Bileam, dat we niet zien wat een ezel wel ziet. In onze tekst van vandaag echter ziet Bileam: hij ziet wat de Almachtige ontsluiert, hij is de man die geheimen mag zien, hij hoort God spreken. Hier hebben we een definitie van religiositeit: Gods geheimen zien en Hem horen spreken.

Gaan we ten tweede naar Matteüs. Hij ziet Jezus en hoort hem spreken. In het voorafgaande is Jezus nogal te keer gegaan in de tempel en daarom stellen de hogepriesters en de oudsten van het volk hem de vraag met welke bevoegdheid hij dat doet en wie hem die bevoegdheid heeft gegeven. Jezus beantwoordt die vraag niet, maar stelt een tegenvraag. Als die tegenvraag wordt beantwoord zal hij zelf ook antwoord geven, dat is de deal. Daar komt ie: Waar kwam de doop van Johannes vandaan? Van de hemel of van de mensen? Het is een interessante vraag, vooral als we nadenken over de vraag wat religiositeit is. Was Johannes de Doper iemand die zoals Bileam Gods geheimen had gezien, God had horen spreken? Of was Johannes de Doper iemand die iets in de markt zette waar vraag naar was, wat hem populair maakte bij de mensen; was zijn doopsel iets “van de mensen”? De hogepriesters en oudsten van het volk overleggen met elkaar in een soort strategisch beraad. Als we antwoorden “van de hemel”, dan zal hij tegen ons zeggen: waarom hebt u hem dan geen geloof geschonken. Maar als we zeggen “van de mensen”, dan hebben we de menigte te vrezen, want zij houden hem voor een profeet. Strategisch beraad, recht door zee is het niet. De uitkomst is: we weten het niet. Vervolgens trekt Jezus een lange neus naar ze: bekijk het maar, ik zeg dan ook niet waar ik mijn bevoegdheid vandaan heb. In dit fragment krijgen wij, de lezers van Matteüs, dus ook niet te horen wie Jezus zijn bevoegdheid gegeven heeft, wat zijn religieuze geloofsbrieven zijn. Hedendaagse christologie benadrukt dat – willen we Jezus begrijpen – we moeten zien dat hij een Jood is, een zoon van zijn volk, een kind van zijn tijd. Zeer waarschijnlijk was Jezus aanvankelijk een volgeling van zijn neef Johannes; de evangelisten vertellen allemaal dat hij zich door hem liet dopen. Later begon hij een eigen beweging en koos hij zijn eigen volgelingen. Jezus is – zoals wij allemaal – deels te begrijpen vanuit traditie en cultuur, deels is hij onbegrijpelijk (ook weer zoals wij allemaal) vanwege iets eigens dat uniek is. Dat eigene zou wel eens zijn relatie kunnen zijn met God die hij Vader noemde. Een tweede definitie van religiositeit: je relatie met God.

Wat leren we – mijn derde punt – van Johannes van het Kruis? Ik vind het frappant dat hij in 1926 tot kerkleraar werd verheven. De Eerste Wereldoorlog was toen nog maar kort geleden, er zou nog een hele eeuw aan verschrikkingen volgen: de Tweede Wereldoorlog, Auschwitz, in de na-oorlogse tijd oorlogen in alle werelddelen, klimaatrampen, epidemieën. Johannes van het Kruis heeft geschreven over de donkere nacht van het geloof, over godsverlatenheid en wanhoop. Onze eeuw wordt hierdoor gekenmerkt dat we Gods geheimen niet kunnen ontsluieren, dat we hem niet zien, noch horen. Hoe moet onze religiositeit er dan uitzien? Johannes schetst ons een mystieke weg: een uittocht uit jezelf. Het zelf bestaat uit het geheugen, het verstand en de wil. Welnu, dat geheugen dient leeg gemaakt te worden, evenals het verstand en de wil: dan pas is het mogelijk om in Gods armen te tuimelen, of – actief geformuleerd – om die geloofssprong te maken. Een derde omschrijving van religiositeit: de overgave, de sprong, het vertrouwen.

Nu naar mijn vierde punt: we kunnen ook te raden gaan bij ons zelf. Het leeg worden van het geheugen, van het verstand en als laatste de wil zien we in de verpleeg- en verzorgingshuizen gebeuren als een natuurlijk proces. Wil het een mystieke weg zijn dan moeten we daarop anticiperen, voorbereid zijn en het al bij voorbaat met een “ja” bezegelen. Door religieuzen is dat “ja” al lang geleden uitgesproken, dat is wat altijd “roeping” werd genoemd en het gevolg geven aan die roeping. Dat “ja” werd enerzijds verklaard door en was begrijpelijk vanuit traditie en cultuur, maar anderzijds was het toch ook iets onbegrijpelijks als een eigen, unieke beslissing: de sprong van het geloof die een mens tot religieus mens maakt. Zelf heb ik dat heel sterk ervaren toen mijn tweeling werd geboren, kansloos, en de kinderarts me vroeg: moeten ze gedoopt worden. Mijn achtergrond en opvoeding leidde naar het antwoord “ja”. Maar mijn studie filosofie én theologie en de heersende secularisatie leidde naar het antwoord “nee”. Is de doop van de hemel of van de mensen? Ik heb met die vraag de ziekenhuisgang een aantal keren op en neer gewandeld, ik nam de sprong, ik doopte mijn kinderen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Maandag na de derde zondag van de advent, zondag Gaudete, realiseer ik me opnieuw dat ik me altijd verheugd heb met die move. De vierde omschrijving van religiositeit is dus precies dit: gaudium, vreugde, dat je verheugd kunt zijn wat er ook gebeurt, wat er ook op je pad komt, ook in de donkere nacht (met dank aan Juan de la Cruz).

maandag 7 december 2020
Jesaja 35, 1 – 10 en Lucas 5, 17 – 26>

Jesaja 35, 1 – 10 is pure poëzie, ik haal enkele regels terug uit die jubelende tekst waarin de wildernis jubelt en bloeit, de woestijn en het dorre land getooid worden met de glorie van de Libanon. Nou, de woestijn en de Libanon zijn niet de beelden die ons meteen aanspreken, maar Jesaja laat ook de krokus weelderig bloeien en dat is een bloem die wij wel kennen en waarderen. De bloeiende natuur bij Jesaja straalt af op de mens die – weten we steeds beter – onderdeel is van de natuur. Zwakke handen krijgen kracht, bevende knieën worden sterk, de kreupele danst als een hert, de tong van de stomme juicht. Wie radeloos is krijgt te horen: houd moed, wees niet bang, hier is uw God.

Dat voert ons naar het evangeliefragment uit Lucas. Van Jesaja naar Jezus. De lamme die met bed en al door het dak wordt neergelaten vlak voor Jezus’ voeten krijgt inderdaad kracht in zijn knieën want hij verlaat het pand lopend; en zijn handen zijn krachtig genoeg om zelf het bed mee naar buiten te dragen. Hier wordt poëzie werkelijkheid, maar wie bewerkt het? De beantwoording van die vraag … daar is Lucas een heel evangelie mee bezig, zoals alle evangelisten trouwens. Jezus ziet het vertrouwen van de man, hij ziet het wantrouwen van farizeeën en wetsleraren. En wat zegt hij tegen de lamme? Uw zonden zijn u vergeven! De haren van de farizeeën en wetsgeleerden gaan rechtovereind staan: zonden vergeven is iets van God, wie anders dan God alleen kan zonden vergeven? Wat durft die Jezus te zeggen? Het is gewoon godslasterlijk. Lucas vertelt dat Jezus heel goed weet hoe ze denken, het is ook godslasterlijk behalve als je God bent, God uit de hoge hemel neergedaald en in het vlees van die Jezus van Nazareth geïncarneerd. Het valt me op hoe luchtig, ja hoe humoristisch Jezus om gaat met dat verwijt van godslastering; wat is makkelijker: zeggen je zonden zijn je vergeven of tegen een lamme zeggen sta op, neem je bed op en wandel? Me dunkt dat iedereen het er mee eens zal zijn, toen en nu, dat het eerste gemakkelijker is. Ja, het tweede kun je ook wel zeggen, maar dan gebeurt er niks. Maar om te onderstrepen dat hij zonden kan vergeven, dat hij die macht heeft, zegt Jezus vervolgens tegen de lamme: sta op, neem je bed op en wandel. En het gebeurt! Overigens zal hij elders zeggen dat mensen zonden mogen vergeven, zeventig maal zeven keer. Als wij het niet doen dan kun je het wel schudden. Wat je op aarde bindt zal in de hemel gebonden zijn, wat je op aarde ontbindt zal in de hemel ontbonden zijn. Dat is wel iets om over na te denken in onze geseculariseerde wereld. We hebben die macht. Maar staat het met onze macht om lammen te laten lopen? De medische technologie van vandaag kan veel, maar niet alles. Het Jesajaanse visioen is niet – of nog niet – door Jezus gerealiseerd: er zijn nog steeds blinden, doven, kreupelen, lammen, armen; er zijn nog steeds mensen radeloos. De woestijn bloeit niet, integendeel er komt steeds meer woestijn bij, de mens is bezig de aarde onherstelbaar kapot te maken.

Wat is het beeld van de mens anno 2020? Niet veel verschillend van de lamme uit het evangelie van Lucas: we zijn verlamd, we weten niet hoe het verder moet. Bruno Latour, de Franse filosoof die onlangs de Spinozalens ontving, een onderscheiding voor denkers over ethiek en samenleving, zegt dat we ons verantwoordelijk zouden moeten voelen voor ons handelen dat de aarde aan het vernietigen is; maar dat lukt niet omdat de omvang van het probleem eenvoudigweg te groot is. Hij vraagt: “Wat betekent het om moreel verantwoordelijk te zijn in deze tijd van het Antropoceen, in de tijd waarin wij het zijn die de aarde vorm geven, terwijl er geen duidelijk herkenbaar ‘wij’ is dat met die verantwoordelijkheid belast kan worden?”

Ja, een goede vraag. Het antwoord geeft hij niet, ik weet het ook niet. Laat het een vraag blijven, laten we wachten, afwachten … het is advent. We schuilen angstig bij elkaar, we kijken omhoog naar het dak van de wereld – gaat het dak open zoals in het evangelieverhaal? – , we zingen Rorate caeli, laat de wolken gerechtigheid regenen. Laten we we moed houden, laat het Kerstmis worden, laten we ons Jesaja herinneren: hier is uw God …

maandag 30 november 2020
Rom. 10, 9 – 18 en Matteüs 4, 18 – 22

Vandaag viert de kerk de apostel Andreas. Het evangeliefragment uit Matteüs is natuurlijk gekozen omdat daar zijn naam valt bij de roeping van de eerste leerlingen: Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Het zijn vissers. Jezus nodigt hen uit op om achter hem aan te gaan, en zegt hun toe dat ze omgeschoold zullen worden tot vissers van mensen. Die belofte heeft hij waargemaakt. Petrus is het hoofd geworden van de westerse, Latijnse kerk met Rome als zetel, hij heeft de mensen in het westen gevangen; Andreas is aan het hoofd komen te staan van de oosterse, Griekse kerk met als zetel Constantinopel, hij heeft de mensen in het oosten gevangen. Zo hebben de beide broers de christenheid onder elkaar verdeeld. Er is daarom iets voor te zeggen dat het christendom in principe een familiebedrijf is. Hoe zag die omscholing eruit? Het was in de leerschool van Jezus. Ze waren in zijn nabijheid, ze gingen met hem mee, ze hoorden toe toen hij zijn zes grote voordrachten ten beste gaf: 1. de bergrede, 2. de zendingsrede, 3. de parabelrede, 4. de kerkrede, 5. de rede tegen farizeese schriftgeleerden en 6. de rede over het einde. Vaak snapten ze er niets van, en vroegen ze om uitleg; dan dachten ze even dat ze het begrepen. Ze zagen hoe Jezus zieken genas, de menigte te eten gaf, stormen tot bedaren bracht. Ze kregen een spoedcursus lijden en sterven, want op het laatst ging het erg snel: daar hing hun vriend en leraar aan het kruis! Vervolgens hadden ze echt wel de geest nodig om onderling met elkaar in het reine te komen over een paar heel grote vragen: wat was er nu gebeurd met die Jezus die hun uitgenodigd had om achter hem aan te gaan? Wat betekende het voor hen en hoe moesten ze verder? Wie was hij eigenlijk, en hoe moesten ze dat onder woorden brengen? Andreas valt in het evangelie van Matteüs weg in de anonimiteit van de groep, heel anders dan haantje de voorste grote broer Petrus. Andreas is er niet bij als Jezus op de berg Tabor Mozes en Elia ontmoet, het verhaal van de gedaanteverandering, waar Jezus’ gezicht gaat stralen als de zon en zijn kleren wit worden als licht. Voor deze ervaring c.q. scholing had Jezus Petrus, Jakobus en Johannes meegenomen, Andreas niet. Andreas is ook niet bij de selecte groep die hij met zich meeneemt verder de hof van Getsemane in om te bidden. Dat selecte groepje bestaat uit Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes. Niet dat zij een glansrol vervullen want ze vallen telkens in slaap. In het evangelie van Johannes wordt Andreas vermeld in hoofdstuk 12 vers 22. Er zijn Griekse pelgrims in Jeruzalem die Jezus willen ontmoeten. Filippus heeft dit opgevangen en bespreekt dit met Andreas; samen gaan ze naar Jezus om het aan hem voor te leggen. Wellicht had Andreas Grieks geleerd? Jezus laat het verzoek liggen, hij heeft andere dingen aan zijn hoofd. Misschien heeft Andreas gedacht: hier moet ik nog wat mee doen. Zo werd hij de apostel van de Grieks en Slavisch sprekende volkeren. Wat we verder weten van Andreas zijn legendes en buitenbijbelse verhalen. Zo over zijn kruisdood. Toen hij ook tot de kruisdood werd veroordeeld, was hij zo bescheiden dat hij niet in dezelfde iconografie van zijn vriend en leraar wilde treden. Dat heeft ons het Andreaskruis opgeleverd, de x-vorm waaraan Andreas met touwen werd vastgebonden. Volgens een legende bleef Andreas gedurende twee volle dagen aan het kruis hangen, terwijl hij bemoedigende woorden sprak tot de toegestroomde menigte die wel uit twintigduizend personen bestond. Op de derde dag kwam het volk in opstand omdat het onverdraaglijk was om een goed en zachtmoedig mens zo te laten lijden. Een mooi verhaal, vooral die opstand van het volk op de derde dag. Waar doet ons dat aan denken? Hagios Andreas, visser van mensen, vandaag laat ik me door jou vangen …

maandag 23 november 2020
Apok. 154, 1 – 3.4b – 5 en Lucas 21, 1- 4

In slechts luttele verzen schildert Lucas ons een prachtig tafereel: een arme weduwe die een paar muntjes in de offerkist stopt, terwijl de rijken met grote gebaren – kijk mij eens – hun grote gaven deponeren. Jezus zegt daarvan: die arme weduwe heeft er méér in gegooid dan alle anderen. Want allen gooiden er iets in van hun overvloed, maar zij offerde van haar armoede alles wat ze heeft om van te leven.

Ik heb laatst een originele toepassing gehoord van dit evangelische tafereel. In Ierland klagen pastoors over het verschijnsel dat hun mis en hun preek al op de sociale media worden besproken, c.q. afgekraakt terwijl de mis nog aan de gang is, terwijl de preek nog niet is afgelopen. Hoe kan dat? Dat kan omdat de mis in deze coronatijd online is, gestreamd wordt. Mensen zappen vanuit hun luie stoel van de ene mis naar de andere, en zoals ze gewend zijn posten ze meteen hun opmerkingen. Masshoppers worden ze al genoemd, een variant op het woord grasshoppers (sprinkhanen). Die arme pastoors; ze weten ook wel dat ze armoedig preken, dat ze er niet uitzien, dat er heel wat valt aan te merken op hun voordracht of op hun kapsel. Nu luisterde ik naar een Engelse vrouwelijke priester die medelijden had met deze Ierse pastoors en zei: ze moeten maar denken aan het evangelie van de arme weduwe. Ze doen hun best, ze geven het beste wat ze in huis hebben, en worden daarvoor door Jezus geprezen.

Een tweede toepassing van de arme weduwe zie ik in het verhaal van Barack Obama die onlangs het eerste deel van zijn biografie heeft doen verschijnen onder de bijbels aandoende titel: A Promised Land (Een beloofd land). Daarin vertelt de voormalige president van de VS, acht jaar lang de machtigste man van de wereld, dat hij maar weinig heeft kunnen klaarspelen, dat hij wel anders wilde maar de ruimte niet kreeg, en vooral tegengewerkt werd door de Senaat waar de republikeinen de meerderheid hadden. In Nederlandse verhoudingen kennen we “de smalle marges van de politiek”. Obama had zijn uiterste best gedaan, hij had alles gegeven wat hij aan talenten en inspiratie in huis had, maar achteraf gezien zijn het maar een paar muntjes, hij is als de arme weduwe. En wat heel erg is: zijn presidentschap heeft als het ware Trump opgeroepen, de man die juist veel klaar krijg in de destructieve zin.

Een derde toepassing van het verhaaltje van Lucas zie ik in Jezus zelf. In die arme weduwe herkent hij zichzelf, zijn eigen optreden, zijn eigen effect. Hij gaf alles wat hij had om van te leven, hij gaf zich zelf, hij gaf zijn leven. En waar liep het op uit? Op Kruisigem, op de klacht van de gekruisigde: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten (Matt. 27, 46)? Het effect was de kerk en de echtscheiding met Israël, het volk waar Jezus uit voortkwam. Hem stond geen afsplitsing van Israël voor ogen, integendeel het ging hem om heil voor het geheel van zijn volk (zie Henk Bakker, Jezus, 2020, waarin hij deze christologie van Schillebeeeckx bespreekt – blz. 58). Een ander effect van Jezus’ leven en de verspreiding van zijn leer over heel de wereld, inzonderheid Arabië, is de geboorte van de islam, een nakomertje in de Abrahamitische familie in de zevende eeuw van onze jaartelling. Met dit jongste familielid weten we ons (joden en christenen) ook al geen raad. Hoe moeten joden, christenen en moslims in godsnaam in vrede met elkaar omgaan tot heil van onze planeet? Dat weet niemand. Wie het wel weet is als de arme weduwe die een paar muntjes in de schaal werpt, het is van weinig gewicht.

Nog een vierde toepassing dan. Herkennen we ons niet zélf in het beeld van de arme weduwe, spiritueel gezien? De bruidegom is gestorven, hij zit aan de rechterhand van de Vader; wij voelen ons hier op aarde alleen, verweesd, ontheemd, vervreemd, desolaat. Tegenover de machten en de krachten van deze wereld voelen we ons hulpeloos en hopeloos, we kunnen niet veel, we hebben niet veel, we zijn echt arm. Wat hebben we in te brengen? Het is zo weinig! En toch is de blijde boodschap dat de afwezige bruidegom dat weinige weet te waarderen, het zelfs genoeg vindt: meer dan genoeg. Het effect van Lucas’ verhaaltje is dat we opgelucht adem kunnen halen.

maandag 16 november 2020
Apok. 1, 1 – 4 + 2, 1 en Lucas 18, 35 – 43

Een goede titel is een korte samenvatting. Boven het verhaal van vandaag staat: genezing van een blinde bij Jericho. Je zou kunnen zeggen: dat is een goede samenvatting, het is bijna het hele verhaal, alleen kop en staart ontbreken nog. Maar goed, ik zal het in mijn woorden navertellen, wat dan meteen een interpretatie is.

In de buurt van Jericho zit een blinde langs de weg te bedelen. Hij hoort kennelijk ongewoon veel mensen voorbij komen, zodat hij vraagt: wat is er loos? Jezus de Nazoreeër komt langs, zoiets als de intocht van Sinterklaas toen dat nog kon. De blinde is weliswaar blind, maar hij weet genoeg; kennelijk heeft hij van Jezus gehoord en van de faam die er van hem uitgaat. Want onmiddellijk begint hij naar die man uit Nazareth te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij. Degenen die voorop lopen snauwen hem toe dat hij zijn mond moet houden, wat een kwalijk licht werpt op mensen die voorop lopen; ik weet natuurlijk niet of Lucas dat bedoelt. Maar hij laat zich de mond niet snoeren; wat deze blinde bedelaar herkenbaar maakt als een personage van onze tijd. Nogmaals roept hij naar Jezus, nog harder dan te voren: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij. Zoon van David is een messiaanse titel, in die titel klinkt het verwachtingspatroon door, de onuitroeibare hoop van het volk van Israël. Jezus hoort het, blijft staan en vraagt om de man bij hem te brengen. Vervolgens vraagt hij op welke wijze medelijden zou kunnen werken voor de man die naar hem geroepen heeft. De blinde antwoordt: dat ik weer kan zien, Heer, wat nauwelijks verrassend genoemd kan worden. Wel verrassend vind ik dat Jezus dan zegt: Kijk Me aan, je vertrouwen is je redding. Ik zie hier twee elementen in het genezingsproces, en beide elementen moeten gedaan worden door de blinde. Jezus doet eigenlijk niets anders dan een uitnodigen én constateren. De constatering is dat de blinde vertrouwen heeft, en de uitnodiging is paradoxaler wijze dat de blinde hem moet aankijken. Hoe kun je iemand aankijken als je blind bent? Het aankijken van Jezus (inclusief het vertrouwen) leiden tot de genezing. Meteen kan hij weer zien, halleluja, en hij volgt Jezus op die weg naar Jericho, hij verheerlijkt God en het volk – inclusief die snauwers neem ik aan – sluiten zich bij die lofzang aan.

Hoe moeten we dit verhaal begrijpen? Die vraag moet je toch nog stellen, want hier hebben we weer een van die vele ongelooflijke verhalen waar het evangelie vol van zit. Voor een antwoord sluit ik me aan bij de column van Welmoed Vlieger in Trouw, dinsdag 3 november 2020. Ze zegt dat je de werkelijkheid op twee manieren kunt zien. De ene is de wereld zien als dingen waarmee je iets kunt doen, de andere is de werkelijkheid verstaan als gave en opgave. Voor ons genezingsverhaal vind ik dit onderscheid verhelderend. In een wereld waarin je dingen kunt doen stuur je de blinde naar een oogpoli, na de diagnose wellicht naar de oogchirurg, of naar de apotheek voor oogdruppels. Dat gebeurt in het evangelie niet. De uitnodiging is om de werkelijkheid als gave te zien, als een door God gegeven werkelijkheid: kijk mij aan, heb vertrouwen. Vaak is er niets aan te doen. Ik geef u het slot van Welmoed Vliegers beschouwing:

“Wij zijn maar kleine en beperkte mensen, en overzien het geheel niet. Maar dat betekent niet dat we met lege handen staan. Wat we wel kunnen, is opstaan tegen de numerieke naamloosheid van de massa en oog krijgen voor de concrete mens en zijn bestaan – de mens als enkeling. Dat zie je bij Dostojevski, dat zie je in het evangelie. Christus ging niet in op vragen over het leed in het algemeen, maar lenigde het concreet en zegt dan bovendien: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Dat is me nogal een antwoord ( ). Liefde is toch wat de werkelijkheid uiteindelijk draagt, met aan ons de opdracht om die, inderdaad als gave, door te vertalen in onze omgang met de natuur en mensen. Niet als een stem van het massaal anonieme, maar als deze concrete mens die ik ben.”

Heel goed, Welmoed. Wij zijn allemaal blinde bedelaars langs de weg, we bedelen om het te zien, om te zien dat de werkelijkheid een gave is, een door God gegeven gave. Een God die liefde is. Voor christenen en aspirant christenen geldt daarbij dat we het zien als we de man uit Nazareth aankijken ….

maandag 9 november 2020
Ez. 47, 1-2.8-9.12 en Joh. 2, 13 – 22

In het evangelie van Johannes zien we een verrassend staaltje van religieuze razernij bij Jezus, razernij die we tegenwoordig vooral zien bij jonge moslimfanatici waarvoor we zeer beducht zijn. Als de vermeende eer van Allah of de Profeet gekrenkt wordt zijn ze tot alles in staat, moord, doodsteek en onthoofding, ik hoef de recente voorbeelden niet op te noemen.

De woede van Jezus wordt opgewekt door wat hij ziet gebeuren in de tempel, het huis van God: daar is de verkoop gaande van runderen, schapen en duiven en er is een soort filiaal van de Boerenleenbank. Jezus knoopt touwen aaneen tot een zweep en jaagt ze allemaal de tempel uit, schapen en runderen erbij; de tafels van de geldwisselaars gooit hij met geld en al omver, en tegen de duivenverkopers zegt hij: “Weg ermee! Maak van het huis van mijn Vader geen markt!” Dit optreden heeft grote indruk gemaakt, want behalve Johannes hebben de drie synoptici Mattheüs, Marcus en Lukas het verhaal ook. Het is opvallend hoe terughoudend en beschaafd de reactie van de tempelautoriteiten is. Het lijkt veel op het oer-Nederlandse “in gesprek blijven”. Ze roepen geen handhavers, boa’s of politie erbij, maar stellen Jezus de vraag: waarom denkt u zo te mogen optreden? De leerlingen hebben Jezus’ razernij intussen kunnen plaatsen door te denken aan psalm 69,10: De ijver voor uw huis zal Mij verteren.

Kijken we ook naar de verhalen van de drie synoptici. Mattheüs vertelt dat Jezus alle mensen in de tempel die kopen en verkopen weg jaagt, hij gooit de tafels van de geldwisselaars om ver, zo ook de stoelen van de duivenverkopers. Hier geen touwen die tot zweep gevlochten worden, ook geen schapen en runderen die we bij Johannes vinden. Waarom hij het doet zegt hij nu zelf met een woord uit Zacharias 14, 21: “Er staat geschreven: mijn huis zal een huis van gebed heten, maar u maakt er een rovershol van.” Marcus heeft nagenoeg dezelfde tekst als Mattheüs – dat is niet zo gek, want Marcus schreef eerder en Mattheüs baseerde zich deels op Marcus. Er is een klein verschil in zoverre bij hem niet alleen de handel geraakt wordt, maar ook de transportsector. Marcus 11, 16 geeft immers: en hij liet niet toe dat iemand iets vervoerde over het tempelplein. Ook bij Marcus motiveert Jezus zelf zijn handelen: Hij leerde hun: “Er staat toch geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed heten voor alle volken? Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.” Nu komt het citaat uit Jesaja 56, 7; het woord rovershol komt uit Jeremia 7, 11. Ten slotte Lucas: hij heeft de meest sobere versie. In twee verzen heeft hij het hele verhaal verteld: Hij ging de tempel binnen en begon de kooplui te verjagen. Hij zei tegen hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed zijn, maar u hebt er een rovershol van gemaakt. Dat is alles, al is het verjagen van kooplui natuurlijk ook niet mis.

Maar wat moeten wij ermee, met deze vier versies van de zogenaamde tempelreiniging? Op de eerste plaats moeten we maar proberen het handelen van Jezus te begrijpen. Dat lukt het best als we het zien als een profetische symboolhandeling. Je kunt Jezus zien als de eindtijdelijke profeet, de profeet van de eindtijd die het visioen van Ezechiël belichaamt, Ezechiël die in de eerste lezing wordt voorgelezen. Ik herhaal het laatste vers (Ez. 47, 12): “Aan beide oevers van de rivier groeien allerlei vruchtbomen; hun bladeren verdorren niet en ze zijn nooit zonder vruchten. Elke maand dragen ze vruchten, omdat het water dat ze voedt uit het heiligdom komt. De vruchten zijn eetbaar en de bladeren hebben geneeskracht.” Dit is wat Jezus voor ogen staat. Het huis van gebed voor alle volken, een huis dat de schenker is van alle goodies; het levengevende water geeft vruchtbaarheid aan de bomen voor een compleet vegetarische levenswijze; koeien en schapen hoeven niet meer verhandeld, geslacht en gegeten te worden. De duiven mogen vrij rondfladderen. Mamon, wie denkt nog aan geld? De bladeren van die bomen genezen op een natuurlijke wijze. Dit is het leven zoals door God bedoeld, maar dat ergens onderweg verkeerd is gegaan. Op de weg van Jezus wordt dit leven in principe weer hersteld. Vanuit het huis van gebed wordt heel dat goede leven gevoed en bezield. Wij vinden dat misschien moeilijk om te geloven; wat is de realiteitswaarde van dit soort gedachtes? Is het niet eerder een soort droom? Maar is er verschil tussen geloven en dromen? Ik probeer maar wat: is geloven niet dromen met open ogen? Zeg het maar ….

maandag 2 november 2020, Allerzielen
Vandaag geen preek, maar een artikel.
(verschenen in Goirles Belang 4 november 2020)

Stil jubileum van 40 jaar stichting begraafplaatsen Goirle
“De begraafplaatsen liggen er prachtig bij, en dat moet ook”

Op een bijzonder fraaie dag in oktober, vlak voor Allerheiligen en Allerzielen, wandelt Guus de Haas over de begraafplaatsen Sint Jan en Maria Boodschap. In een bijzonder fraai artikel beschrijft hij die wandeling, en roept hij de lezer op hetzelfde te doen en stil te staan. Ik lees dit in het boek dat in 2005 uitkwam: “De Laatste Eer, De begraafplaatsen in Goirle door de tijden heen”, uitgegeven door de Stichting Begraafplaatsen Goirle. In hoofdstuk VII “Langs de paden der vergankelijkheid” vertelt Guus hoe hij stil staat bij de graven van mensen die hij wel of niet gekend heeft, van alle rangen en standen; hij leest de opschriften, bewondert de beelden en symbolen en mijmert … Ik deed hetzelfde, hieronder doe ik verslag.

Kerkhof Maria Boodschap
Dichtbij beginnen, eerst het kerkhof van de Maria Boodschap. Je hoeft maar even over het middenpad heen en weer te wandelen om het te zien: het ligt er prachtig bij. Aan het eind van het pad ligt de kapel die er in 2005 nog niet was. Een plaquette vermeldt dat deze kapel tot stand kwam dank zij de bijdragen van de parochianen aan de stichting vrienden van de kerk Maria Boodschap; op 15 oktober 2011 werd de kapel ingezegend. Het in schoon metselwerk opgetrokken gebouwtje is een waardevolle toevoeging aan de begraafplaats, het is goed toeven in de kleine ruimte met het beeld van Maria-met-kind, je kunt er een kaarsje opsteken.

Dan, zoals aanbevolen door Guus de Haas, dwalen langs de graven, een melancholiek feest der herkenning, soms een verrassing als het heengaan van een bekende je was ontgaan. Ja, die opschriften, ja die ontwikkeling van super vroom naar seculier, die mooie details. Ik maak een foto met de Maria Boodschap op de achtergrond. Eigenlijk is het geen “kerkhof” meer, maar moet je “begraafplaats” zeggen. Wanneer komen nu eindelijk eens die appartementen in de gerestaureerde ruïne? Waarom duurt alles zo vreselijk lang in dit land? Is dit een mijmering die op de plaats van eeuwige rust wellicht ongepast is?

Begraafplaats Sint Jan
Dan naar de begraafplaats Sin Jan. Ook hier is de eerste (en tweede) indruk: het ligt er prachtig bij. Wie ik hoop aan te treffen, vind ik al na een minuut: Kees van Rooij (70). Ik maak hem een compliment met de staat waarin de twee begraafplaatsen zich bevinden. Het mag op zijn conto geschreven worden, Kees die er elke dag aan het werk is met een ploegje andere vrijwilligers. Hij ontvangt het compliment met een glimlach en zegt: ja, maar dat moet ook, hè Ben. Ik vraag hem welke begraafplaats zijn voorkeur heeft, maar een voorkeur heeft hij niet. Wel is hij veel meer op de Sint Jan, want die is vier of vijf keer zo groot: “er is hier altijd werk te doen”. Nee, zelf de graven delven doet hij niet meer, want het bestuur van de stichting wil zuinig omgaan met de vrijwilligers: een graafmachine doet het sinds een jaar (“ik kan het nog wel, hoor”). Ik zie Kees ook vroeg op de zondagmorgen op de fiets, hij zal toch niet op zondag werken? Nee, dan maakt hij alleen de poort open.

Ook hier dwaal ik rond. Ik zie dat de familie van Puijenbroek de oude ruïneuze stenen en tomben verwijderd heeft en nieuwe grafmonumenten heeft geplaatst; die gaan zeker weer een eeuw mee. Zo blijven de namen in herinnering. Ik sta stil bij het monument voor het doodgeboren kind (door Riet van der Louw-van Boxtel), in 2005 ingezegend door Paul Janssen. Het was een van zijn laatste daden als pastoor voordat hij uit Goirle vertrok en naar Deurne ging. Ik bezoek het graf van Piet Wiercx (1932 – 2009) een van de redactieleden van De Laatste eer. Zo ook het graf van Jef Hoogendoorn (1951 – 2018) die ook meewerkte aan het boek. Ik denk aan Piet Brock, Willem van de Vrande, Louis Doomernik, Wil Sterenborg, allen medewerkers aan het boek; ze zijn er niet meer. Kees van Rooij aarzelt geen moment als ik vraag waar Jef Hoogendoorn ligt: hij kent elk graf. De wandeling en de mijmeringen, het is een heilzame ervaring. Ik kan het ieder aanbevelen. Het is in tijden van hele en halve lockdown goed te doen.

Joop Daamen
In 2005 werd De Laatste Eer uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Stichting Begraafplaatsen Goirle, 15 jaar geleden. Een eenvoudige rekensom leert dat de stichting dit jaar dus 40 jaar bestaat. Ik pleeg een telefoontje naar Joop Daamen (82), destijds voorzitter van de stichting en dat is hij nog steeds. Een beetje beschaamd geeft hij toe dat “ze” er niet aan gedacht hebben. Door de corona is het bestuur dit jaar nog niet bijeen geweest, vandaar misschien. Hij is blij dat ik er aandacht aan wil besteden. Ik complimenteer hem ook met de staat van de begraafplaatsen. Hij ontvangt het dankbaar en zegt dat veel mensen dit opmerken. Dankzij Kees van Rooij, zegt ook Joop, en zijn ploegje aan vrijwilligers. “Kees is de verbindende factor.” Het gaat goed met de stichting, de financiën zijn gezond. Hij schat zo’n 50 à 60 begrafenissen over de twee locaties per jaar, bijzettingen van urnen meegerekend. Een rustig beeld dus; er zijn tegenwoordig veel crematies, en de natuurbegraafplaatsen zijn in trek. Het bestuur bestaat uit Joop Daamen (voorzitter), Frans Lenaerts (penningmeester), Toos van Loenen (secretaris), Rob Suurmeijer (lid – jurist), Helen van der Schoot (lid). Nu we elkaar toch aan de lijn hebben: dit bestuur kijkt uit naar verjonging. Joop ziet t.z.t. uit naar een opvolger, ook een nieuwe penningmeester zou zeer gewenst zijn. Ik geef het maar door. Nog een mededeling van het bestuur: wegens de corona gaat de lichtjesavond dit jaar helaas niet door.

Ik vraag naar het boek dat in 2005 werd uitgegeven: is dat nog in de handel, ligt er nog een voorraadje onverkocht? Niet dus, het is destijds snel uitverkocht. Wie het toch wil lezen moet het in de bibliotheek zoeken. Ja, het was een prachtige uitgave, beaamt Joop Daamen. Zou het geen idee zijn om een tweede druk van het boek uit te brengen? Omdat de stichting 40 jaar bestaat? Ik leg het niet aan Joop voor maar bedenk het achteraf. Voor al die mensen die het in de kast hebben: haal het uit de kast en herlees, het heeft aan actualiteit niets verloren. Maar ga vooral wandelen en mijmeren, volgens de methode De Haas …

maandag 26 oktober 2020
Lezing: Efeziërs 4, 32 – 5, 8 en Lucas 13, 10 – 17

In Trouw van zaterdag 17 oktober staat een hartekreet van Samuel Lee richting de kerken om lhbt’ers niet de deur te wijzen of proberen ze te veranderen, maar hen onvoorwaardelijk te accepteren. Hij is diep geraakt door het leed dat kerken homoseksuelen hebben aangedaan, en nog aandoen hier en daar; hij vindt het de hoogste tijd om schuld te belijden en vergiffenis te vragen. Samuel Lee is nog een paar dagen Theoloog des Vaderlands dan draagt hij de titel over aan een ander. Lee is voorganger van een onafhankelijke pinksterkerk in de Amsterdamse Bijlmer, en docent theologie van migratie aan de VU. Met zijn pleidooi steekt hij zijn nek uit, want in de pinkster- en evangelische kerken ligt dit zoals het heet “gevoelig”. Ook de RKK is in dezen bepaald nog niet zonder zonde, al is paus Franciscus op de goede Weg nu hij een samenlevingscontract voor homo’s bepleit in een documentaire.

Eerst even over het begrip theoloog des vaderlands. Aanvankelijk kenden we alleen het begrip vader des vaderlands: Willem van Oranje / Willem de Zwijger (1533-1584) – een bijnaam die bepaald niet meer afstraalt op het volk dat hem zogenaamd als vader beschouwt. Sinds een jaar of 18 zijn er steeds meer “des vaderlands”-titels bijgekomen, ik noem denker des vaderlands, dichter des vaderlands, componist des vaderlands, fotograaf des vaderlands. Maar wat heeft dat te maken met het Lucasevangelie van vandaag? Met die vrouw die al 18 jaar lijdt onder een geest die haar ziek maakt, die haar krom doet lopen, zodat ze niet in staat is zich op te richten en haar rug te rechten? Niets misschien, behalve dan dat ik denk dat Jezus destijds beslist de titel theoloog des vaderlands verdiend zou hebben. Hij ziet die vrouw met haar lijden, zoals opgemerkt wordt door de meest vrouwvriendelijke van de evangelisten Lucas. Hij raakt haar aan, een taboe doorbrekend gebaar, maar waar hij echt zijn nek mee uitsteekt is dat hij haar op sabbat geneest. Sabbat is heilig, op sabbat verricht je geen geneeskundige handelingen. De ergernis van de leider van de synagoge waar het zich afspeelt, richt zich op de aanwezige menigte: laat je op een andere dag genezen. Er zijn zes dagen om te werken, kom dus op die dagen om je te laten genezen en niet als het sabbat is. Huichelaar, bijt Jezus hem toe. “Moet deze dochter van Abraham dan op sabbat niet losgemaakt worden van de boeien waarmee satan haar al achttien jaar geleden heeft vastgebonden?” Hier zien we de theoloog die Jezus is aan het werk. Hij ziet in die vrouw een dochter van Abraham; Abraham – hier hebben we nog zo’n titel – wordt de vader van alle gelovigen genoemd. Satan is een theologische term, het is de naam van de duivel, d.w.z. alles wat van God afleidt, alles wat Gods goede schepping corrumpeert, alles wat ziekmakend is voor de mens, man en vrouw, lhbti, minachting, discriminatie, uitsluiting of nog erger. De glorie van God is de mens met een rechte rug, broeders vrij en opgericht, zingt het lied, alleluja. En dit lied mag alle zeven dagen van de week gezongen worden, ja vooral op de sabbat, vooral op zondag de dag des Heren.

Jezus geneest de vrouw, ze gaat rechtop staan zoals de dappere vrouwen in Minsk, Belarus, opstaan en week in week uit demonstreren. Ze looft God. Maar zei ik dat Jezus destijds de titel theoloog des vaderlands verdiend zou hebben? Die titel zou hij nog steeds verdienen, ook anno 2020 zou er voor Jezus nog heel wat werk te doen zijn om verkeerde godsbeelden op te ruimen, foute kerkelijke praktijken aan de kaak te stellen, religieuze leiders als huichelaars te bestempelen. Hij zou samenwerking zoeken met denkers en dichters, componisten en fotografen en alle mensen van goede wil. Hij zou zijn geest verspreiden over de sociale media, steeds in de naam van de Vader, de schepper van hemel en aarde ….

maandag 19 oktober 2020
Lezing: Efeziërs 2, 1 – 10 en Lucas 12, 13 – 21

“Pas op voor iedere vorm van hebzucht! Ook al heeft een mens nog zo veel, zijn leven bezit hij niet.” Het is een waarheid als een koe, we hebben er niet eens het gezag van Jezus voor nodig om daarvan overtuigd te zijn. Je bent niet de bezitter van je leven.

Maar je kunt je wel degelijk de bezitter wanen van je leventje. In het vervolg van de evangelietekst krijgen we daar een uitgetekend voorbeeld van in de man die goed geboerd heeft, zijn schaapjes op het droge – of in meer hedendaagse beelden: die zijn ICT-bedrijf voor miljoenen verkocht heeft aan een grote jongen en die nu binnen is. De woorden van het evangelie doen verrassend modern aan: “Ik zal tegen mezelf zeggen: je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit. Rust nu maar eens uit, eet, drink en neem het ervan.” Die jongen en dat meisje zijn in onze maatschappij de winnaars van de ratrace, ze zijn geslaagd, zij hebben succes, ze zijn jong en energiek met strakke, perfecte lijven of ze zijn oud maar nog kras en een flink pensioen en geld zat. Zij hebben een goed leven, ze gaan drie, vier keer per jaar op vakantie, ze gaan naar feesten en festivals, ze gaan uit hun dak met alcohol en partydrugs, ze gaan naar restaurants, ze drinken in het weekend met hun vrienden bier in het café, ze maken een cruisetocht of naar hun tweede huis in Spanje. Dit is het leventje. Van dat leventje kun je je de bezitter wanen. Als Jezus zegt dat niemand zijn leven bezit toont hij dat aan door even in de huid van God te kruipen. “Maar God zei tegen hem: ‘Jij dwaas, nog deze nacht wordt je leven opgeëist, en voor wie zijn dan al die voorraden die je hebt aangelegd?’ En de moraal van zijn parabel is: “Zo vergaat het iemand die rijke schatten verzamelt voor zich zelf en niet voor God.”

Hmm, ja, in principe wel, maar dat is in de praktijk lang niet altijd het geval. God wordt in onze geseculariseerde samenleving niet meer als actor gezien. Wie het leventje afpakt is een virus, het coronavirus, die een wereldwijde pandemie veroorzaakt met de ziekte Covid-19. Het ziet er naar uit dat het virus enkel bestreden kan worden door dat leuke leventje tussen haakjes te zetten: cafés en restaurants dicht, theaters en festivals verboden, voetbal zonder publiek, reisbewegingen beperken tot het strikt noodzakelijke, mondkapjes op in de binnenruimte. Het is de tweede lockdown dit jaar en psychiaters (de nieuwe priesters in de geseculariseerde maatschappij) houden hun hart vast: laten de bezitters van het leventje zich dat leventje afpakken? Wat doet dat met hun psychische gezondheid? Hoe houden ze dat vol? Wat is het perspectief? Is er wel een perspectief behalve dat het misschien nooit meer zal worden zoals het was? De grote vraag die op iedereen drukt, aldus Damiaan Denys, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam, is: waar gaat dit naar toe? We kunnen ons geen beeld vormen van de toekomst. Hij zegt: vergeet het maar als je denkt dat we ooit weer zullen vliegen en snacken en feesten zoals we gewoon waren. Maar een beloning kun je ook vinden in een ander perspectief kiezen en je gedrag veranderen: minder individualistisch geluk najagen en maatschappelijker worden, wel contacten aanhouden, maar dan meer als intensere vriendschappen in kleinere kring, meer in de natuur verkeren” (NRC 17 oktober 2020).

Ik ben het met hem eens. Perspectief is hier het grote woord, en ander gedrag. De kerk van Christus weet hier al 2000 jaar heel veel van. Metanoia, omkering, bekering. Voor christendom is het niet nodig om je vast te klampen aan het oude wereldbeeld, levensvreugde op te schorten, alles opzij te zetten voor het hierna. Je vastklampen aan een wereldbeeld is ook een vorm van hebzucht, en Jezus waarschuwt tegen elke vorm van hebzucht. Is het christelijk perspectief dan niet: het hiernamaals? God in de hemel? Nee, het perspectief is: Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Het perspectief is: Heden is het Schriftwoord vervuld. Het perspectief JHWH, de onuitsprekelijke godsnaam: Ik zal er zijn. Het perspectief is Fratelli Tutti, de nieuwste encycliek van de paus, we zijn allen broers/zusters. Het perspectief is vervat in de woorden van het Onze Vader: geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben.

maandag 12 oktober 2020
Lezing: Galaten 4, 22-24.26-27.31 – 5,1 en Lucas 11, 29 – 32

In het korte evangeliefragment gaat het over “het teken van Jona”. Wat is dat teken? We worden deze keer niet geholpen vanuit de eerste lezing met het verhaal uit het boek Jona waar Jezus naar verwijst, maar het is bekend genoeg. Het was – of misschien is – een favoriet verhaal in het godsdienstonderwijs op de basisschool, met prachtige illustraties erbij. Het sprookjesachtige verhaal van die aandoenlijke Jona op de vlucht voor God; tijdens een vreselijke storm wordt hij overboord gekieperd door zijn medeopvarenden, vervolgens opgeslokt door een grote vis; hij verblijft drie dagen in de maag van die vis, en wordt dan uitgespuwd op het strand.

Een prachtig verhaal? Als verhaal misschien wel, maar ik geef het je te doen om in de maag van een vis te zitten. Als we dit verhaal uit zijn letterlijkheid halen, komen we uit bij de hedendaagse bubbel. Mensen verblijven tegenwoordig in allerlei soorten bubbels, afgesloten of afgezonderd van de grote gemeenschap. Een speciale bubbel is de bubbel van verdriet, ook in alle soorten en formaten. Ik denk aan mensen die de boodschap hebben gekregen dat ze kanker hebben, dat ze ongeneeslijk ziek zijn, dat ze niet lang meer hebben. Het plaatst hen in een bubbel waarin zij zich buitengesloten voelen van het goede leven van onbezorgdheid, perspectief, plannen, het gekoesterde leven met hun dierbaren dat eindeloos door mag gaan. Zij voelen zich als in de maag van de grote vis, als Jona. Hoe kom je daar uit, hoe mag je hopen dat je uitgespuwd wordt op een strand van innerlijke vrede?

Zo kwam ik op mijn ochtendwandeling een buurtgenoot tegen – een wat formele man die een deftig beroep heeft uitgeoefend – die me weken geleden vertelde dat zijn vrouw kanker had en dat hun leven op z’n kop stond. Ik vroeg hem nu hoe het met zijn vrouw ging. Hij antwoordde dat de kuren leken aan te slaan en dat er gedacht werd aan een operatie. We liepen samen op, zwijgend, hij met hond, ik zonder hond, zoals we sinds vorige week maandag weten. Opeens zei hij: “mag ik je een rare vraag stellen”? Ik zei: “kom maar op met je rare vraag.” En daar kwam ie. “Bid jij”? Inderdaad een rare vraag, raar in de betekenis van zeldzaam. Een heel intieme vraag ook die ik beslist niet van hem verwacht had. Ik zei: “ja, ik bid.” En toen hij weer: “ja, maar dat komt omdat jij nog gelooft.” O o o! Hier zat een hele wereld achter aan vooronderstellingen, een achtergrond die ik niet kende, zijn taxatie van mensen die “nog bidden en geloven”. Ik vond op dat moment dat ik daar wat aan moest doen, dus ik zei: “maar mijn geloof is door de Verlichting gegaan, door een vracht aan filosofen. Ik geloof niet meer zoals ik als kind geloofde, ik heb niet meer dat naïeve geloof van toen. Maar toch geloof ik nog.” Op dat moment brak ons gesprek af, vanwege de hond. De hond trok hem naar een plaats waar hij zijn “gevoeg” wilde doen (de woorden van mijn gesprekspartner, ik zei al dat het een wat formele, deftige man is) en zo gingen onze wegen uiteen. Toen ik verder liep dacht ik: je hebt dat niet goed aangepakt, je had niet over jezelf moeten praten. Ik had moeten zeggen: zou jij ook willen bidden, maar je weet niet hoe? Waarschijnlijk had hij dan gezegd: nee, ik zou bij God niet weten hoe ik moet bidden. Dan had ik weer kunnen zeggen: dat wisten de vrienden van Jezus ook niet. Zeer waarschijnlijk wisten ze dat niet, omdat ze ook niet geloofden in de traditionele zin van het woord (“het Galilea van de heidenen”, zo stond de streek immers bekend waar Jezus zijn makkers vandaan haalde). En toen ze vroegen: hoe moet je bidden, leer ons dat, antwoordde Jezus: Vader, laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen. Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving (Lukas 11, 2 – 4). Deze voortgang van het gesprek bedacht ik. Zoals zo vaak gebeurt dat je denkt: dát had ik moeten zeggen. Enfin, er komt misschien nog een kans.

Als je bidt zoals Jezus kom je misschien uit je bubbel, uit de maag van de grote vis, en tref je jezelf aan op het strand van de innerlijke vrede. Jezus wist waarover hij sprak. Hij zat zelf in die maag. Hij vergeleek zich met Jona, en zei dat de mensen geen ander teken gegeven zou worden dan het teken van Jona, het teken van Jezus.

maandag 5 oktober 2020
Lezing: Galaten 1, 6 – 12 en Lucas 10, 25 – 37

Ooit was religie een ingewikkelde zaak, je moest je houden aan vele geboden en verboden, regels en voorschriften. Het jodendom kent 613 mitswot. Wikipedia somt ze allemaal op, wie zin heeft om ze te bekijken zoekt ze maar eens op. Jezus heeft de zaak aanzienlijk vereenvoudigd door ze terug te brengen tot 2: God beminnen en de naaste als je zelf. Simpel, toch? Je moet een Schriftgeleerde zijn om het weer moeilijk te maken met de vraag: wie ís mijn naaste?

Het Grote Verhaal mag dan voorbij zijn, Lucas heeft een aantal prachtige kleine verhalen; het verhaal van de barmhartige Samaritaan blijft een ijzersterke uit zijn repertoire. Het heeft onze beschaving mede vorm gegeven, ik geloof niet dat dit een overdreven bewering is. Op 27 september werd de heilige Vincentius gevierd. Welnu, Vincentius (1581-1660) was zeker een barmhartige Samaritaan, zoals vele actieve religieuzen barmhartige Samaritanen zijn geweest, zoals momenteel zorgmedewerkers en verpleegkundigen, intensivisten en virologen Samaritanen zijn voor de mensen die langs de weg liggen met Covid-19.

Maar nu terug naar het ijzersterke verhaal, met de moeilijke vraag: wie is mijn naaste? We moeten nog eens goed kijken, want we zijn niet allemaal intensivist of verpleegkundige, we zijn niet allemaal beroepshalve Samaritaan. Hoe zit dat in de vrije tijd of aan gene zijde van welke baan of professie ook? Volgens het verhaal van Lucas kan iedere mens de naaste worden van een andere mens … als die andere mens je pad kruist, en als het toevallig zo is dat die ander in nood verkeert. Je moet die nood wel zien of willen zien, je moet dan ook nog een hart hebben dat geraakt wordt door die nood én je moet de bereidheid hebben of de mogelijkheid om actie te ondernemen en wat aan die nood te doen. Als aan die voorwaarden voldaan is – en daarover wordt in een splitseconde beslist – dan ben je opeens de naaste geworden van die mens.

Hoe zit dat in het nieuwe normaal, met de anderhalve meter regel, met het advies om vooral thuis te blijven werken? Je hoort dat veel mensen psychische problemen krijgen, dat er grote eenzaamheid ontstaat. Wie doet daar wat aan? De trouwe viervoeter! Ik begin mijn dag met een wandeling, en ik kom dan mensen tegen met een hond, al dan niet aangelijnd. Ik ben op de gedachte gekomen: honden zijn de naaste van de mens geworden. Het valt mij op dat in de hedendaagse romanliteratuur de hond een grote rol speelt. Ik las onlangs boeken van Olga Tokarczuk (Nobelprijs literatuur 2018) waarin alleengaande oude vrouwen als enige metgezel de hond hebben. Sander Kollaard won eind juni van dit jaar de Libris Literatuurprijs 2020 met zijn boek Uit het leven van een hond. De hoofdpersoon zegt ergens dat hij méér van zijn hond houdt dan van wie of wat ook. Wat langer geleden schreef Koos van Zomeren prachtige korte verhalen over zijn wandelingen met Rakker, zijn hond. De hond heeft eigenschappen die je zonder meer christelijk zou kunnen noemen. Een hond oordeelt niet, iets wat Jezus ook aanbeveelt aan zijn volgelingen. Een hond discrimineert niet. Of je nou arm of rijk bent, oud of jong, lelijk of beeldschoon … het maakt de hond niets uit, de hond is onvoorwaardelijk toegewijd aan baas of bazin. Ja, de hond is een serieuze kandidaat om als naaste bestempeld te worden. Daags na Werelddierendag en Franciscus van Assisi moeten we God danken voor dit schepsel: broeder/zuster hond, dit prachtige geschenk van God aan de mens.

Misschien wilt u nu weten of ik zelf een hond heb. Het antwoord is nee. Ik wandel zonder hond door het leven. In mijn jeugd is er wel even een hond geweest, hij heette Bobby. Maar toen hij in de neus van mijn kleine zusje beet was het afgelopen.

maandag 28 september 2020
Lezing: Job 1, 6 – 22 en Lucas 9, 46 – 50

De eerste lezing geeft ons een Jobstijding, slecht nieuws dus. Er was niks mis met Job en zijn zeven zonen en drie dochters, het ging hen goed, eigenlijk te goed. Voor Jobs zonen en dochters was het alle dagen feest. Het boek Job vertelt het verhaal dat het vreselijk mis gaat, alles gaat ten gronde, alles wordt hen afgepakt.

Het is haast onmogelijk om Job niet als een spiegel te zien waarin we onze tijd herkennen. En als wíj dat niet zien, dan wel Philipp Blom (1970), historicus, filosoof, schrijver, die in Buitenhof onlangs zijn essay toelichtte: “Het grote wereldtoneel, over de kracht van verbeelding in crisistijd.” Volgens hem verkeren we in de laatste fase van het Grote Verhaal. Het grote verhaal van de mens als kroon (corona) op de schepping, het schepsel dat boven de natuur staat, en dat met de natuur kan doen wat hij wil. We komen nu van die kermis thuis. We ontdekken dat we onderdeel zijn van de natuur en dat we niet straffeloos met haar kunnen doen wat we willen. Hoe moeten we daarop reageren? Binnen het Grote Verhaal van de Bijbel treffen we het ontnuchterende verhaal aan van Job, hoe hij door Satan beproefd wordt met goedvinden van God. De inzet van het boek Job is: houdt zijn Godsvertrouwen stand bij onheil en rampspoed voor zijn dierbaren, de algehele teloorgang van zijn bezit en bij zijn persoonlijk lijden? Het antwoord op die vraag kennen we: ja, het houdt stand. De clou van het verhaal wordt al weggegeven in het eerste hoofdstuk, in de luttele verzen die we lezen, met de woorden: “De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.”

Maar hoe zal de mens reageren die het geloof in God heeft verloren? Wat gebeurt er als de mens niet meer naar het café mag, naar het voetbalstadion, naar de festivals: wat zullen de zonen en de dochters van de mens dan doen? Hashtag: #ikdoenietmeermee? Je toch maar aan de strenge maatregelen houden, wachten op het vaccin, en daarna weer verder op de oude voet? Als we dat doen, zegt Philipp Blom, en hij is de enige niet, dan kun je wachten op de volgende ramp, een nog dodelijker virus; dan stevenen we – denk aan het klimaat – regelrecht af op de afgrond. Wat is zijn oplossing, welke kant moeten we op? Zijn antwoord is: verbeelding, de kracht van de verbeelding kan ons redden. We zullen iets anders moeten willen, we moeten iets anders gaan zien, we zullen ons een nieuw doel moeten stellen, er zal een ander verhaal moeten komen dat ons het duwtje in de rug geeft om in beweging te komen naar een nieuwe toekomst.

Veel oproepen met nieuw dus. Daarom treft het dat we een boek hebben dat Nieuwe Testament heet. Volgens mij brengt Jezus die verbeelding, die krachtig genoeg is om het aanschijn van de aarde te vernieuwen. Ja maar zeg, en nu zal ik me even advocaat van de Satan maken, het zogenaamde Nieuwe Testament is onderdeel van het grote verhaal van de bijbel. Dat grote verhaal had toch afgedaan, dat verhaal was toch juist deel van het probleem? En zeg je Jezus, dan is het volgend woord God … en in God geloven we toch niet meer? Hebt u Trouw van zaterdag 19 september gelezen? Daar maken we kennis met Julian Baggini (1968), een Brits filosoof, journalist en schrijver. Hij heeft gezocht naar de boodschap van Jezus zonder God. Volgens hem kun je de woorden van Jezus ontdoen van alles wat met God te maken heeft en dan nog hou je een radicale levensfilosofie over die kan inspireren. Ik zal me vandaag onthouden van commentaar op die stelling, en me keren tot Jezus in de korte tekst die vandaag voorligt: Lucas 9, 46 – 50. De leerlingen zijn bezig met de gewichtige vraag wie van hen het belangrijkste is. Powerplay, de hoge borst, haantje de voorste, de kroon op het hoofd, het oude liedje. De kracht van Jezus verbeelding komt tot uitdrukking in zijn woord: wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot. Dit voldoet aan de eisen die Blom stelt: iets anders willen, iets anders zien, een ander doel stellen. Gaat dit je verbeelding te boven, dan helpt Jezus door het concreet te maken: hij nam een kind bij zich dat hij naast zich neerzette. Hij zei tegen hen: wie dit kind in mijn naam opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Philipp Blom doet in feite hetzelfde als hij Greta Thunberg tot icoon maakt van de nieuwe wereld die komen moet. Dit kind kijkt ons met grote ogen aan en vraagt ons te stoppen met de vernietiging van de aarde, en te bouwen aan een toekomst …

maandag 21 september 2020
Lezing: Ef. 4, 1 – 7. 11 – 13 en Matteüs 9, 9 – 13

Vandaag valt de schijnwerper op Matteüs, een van de vier evangelisten. Een evangelie is een goed en waar verhaal over Jezus. Dat er vier evangelisten zijn betekent dat er vier goede en ware verhalen over Jezus zijn. Vier verschillende verhalen, en dat is mooi want het voorkomt fundamentalisme. Fundamentalisme is de akelige menselijke neiging om te denken dat je de waarheid kent, dat je de waarheid in pacht hebt, dat je die waarheid aan anderen kunt opleggen. Jezus lijkt zich in het Johannesevangelie schuldig te maken aan fundamentalisme als hij zegt: Ik ben de waarheid. Van de andere kant zegt hij ook: wat is goed? Een is goed, God. Vier verhalen dus over Jezus. Maar elk verhaal moet uitgelegd worden, vooral als er dingen zijn die we niet begrijpen. De bijbel (waar de evangelies onderdeel van zijn) wemelt van dingen die we niet begrijpen, dus de uitleg is ook een wemeling. Een rabbijn heeft ooit gezegd: er zijn 99 manieren om de bijbel uit te leggen, aan jou de taak om de 100ste te vinden. Misschien zegt u: ik heb wel wat beters te doen. Dat zal ik niet zeggen, veel beters heb ik niet te doen. Zo ook niet theologen en exegeten – en mensen die bijvoorbeeld in een bijbelgroep de tijd nemen om in een uitwisseling van hun gedachtes nader te komen tot het begrijpen van het goede en ware verhaal. Daarbij wordt het oude verhaal altijd in contact gebracht met de eigen tijd, onze problemen en onze behoeftes om zin te zien te midden van de oeverloze onzin. Zo heb je in Trouw het Theologisch elftal dat zich buigt over de vraag of je mensen kunt dwingen het goede te doen (Trouw 10 september 2020). Probleem: het dodelijke virus dat om zich heen grijpt. Probleemstelling: terwijl de coronacrisis zich voortsleept, groeit het protest tegen de coronawetgeving. Maar hoeveel vrijheid kunnen mensen aan? Als we vrij zijn, denken we dan nog aan het algemeen belang? Uit het elftal rent Manuela Kalsky naar voren, bijzonder hoogleraar voor theologie en samenleving aan de VU. Zij wijst op Matteüs, de evangelist die we vandaag vieren. Ze zegt: “In het evangelie van Matteüs staat: ‘Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden’. Het koninkrijk van God, dat klinkt misschien exclusief christelijk. Maar je kunt het ook ‘het goede leven voor allen’ noemen. Het is namelijk het visioen van een radicaal inclusieve samenleving. De wolf ligt naast het lam; in plaats van wij-zij is er onderlinge verbondenheid. Een samenleving met een economie die gericht is op het algemeen welzijn.” Manuela rent nog wat verder: “Als individu kan ik me heel goed vinden in dat goede leven voor allen. Maar je kunt het niet afdwingen met wetgeving. Ik denk dat we als samenleving weer zo’n soort gedeeld visioen moeten ontwikkelen, als we de crisis de baas willen worden. Want er gaat nog veel op ons afkomen: meer mensen worden werkeloos, kunnen de huur of de hypotheek van hun huis niet meer betalen. Mensen raken hun bestaanszekerheid kwijt. Als we dan geen visioen van een solidaire samenleving hebben die we samen praktisch willen vormgeven, blijft ieder enkel vechten voor zijn eigenbelang en overleven.” Volgens mij treft Manuela het doel: doelpunt! We mogen niet juichen, wel in de handen klappen. Na de spelhervatting maakt een andere speler uit het Theologisch elftal zich los en rent naar voren in een korte sprint, Erik Borgman, hoogleraar publieke theologie aan Tilburg University. Hij zegt: “Wat dat betreft vond ik de oproep van Van der Staaij niet gelukkig. Hij riep de overheid vooral op meer rekening te houden met het belang van de kerk. Dat is voor hem het belang van gelovigen die zich principieel niet willen laten vaccineren, mensen die op zondag in de kerk willen zingen of kost wat kost avondmaal vieren. Ik herken mij niet in die kerk. Juist de kerk zou wat mij betreft moeten weten dat het niet om het eigen belang draait.” Weer een doelpunt gemaakt door een lid van het Theologisch elftal. Maar ook hier: niet juichen, enkele een zacht applaus op het feest van Matteüs, een van de vier (officieel erkende) schrijvers van het goede en ware verhaal van Jezus de Levende.

maandag 14 september 2020
Lezing: Numeri 21, 4 – 9 en Johannes 3, 13 – 17

Vandaag viert de kerk het feest van de Kruisverheffing. In het verleden heb ik wel uitgelegd waar dit feest vandaan komt: het is een mix van oude legendes en vrome onzin waar vooral het rooms-katholicisme verzot op was. Geen hond die zich daar nog voor interesseert. Nee, ik kan beter het verhaal vertellen van Sjef (1932) over wie ik eens een portret heb geschreven onder de titel: mantelzorger, wandelaar, gemeenschapsmens. Ik kwam hem tegen bij de karretjes van Albert Heijn. Hij is 88. Al negen jaar gaat hij elke dag naar het verpleeghuis Elisabeth, naar zijn vrouw die daar is opgenomen. Hij houdt zijn vrouw enkele uren gezelschap en helpt haar bij de maaltijden, negen jaar lang op die leeftijd. De afgelopen corona maanden mocht hij niet bij haar komen – zijn verhaal is niet uniek, dit is de grote schande van de overheidsmaatregelen rond verpleeghuizen waarvan nu gezegd wordt: dat gaan we zo niet meer doen. Al die maanden stond hij op straat met zijn mobiele telefoon, belde haar op een vast tijdstip, sprak haar bemoedigende woorden toe. Vanaf een vrij grote afstand zwaaide hij naar haar en zij zwaaide terug. Spreken kan zij al lang niet meer. Hij vertelde me dat hij nu voor de derde keer weer was toegelaten om haar te helpen met eten, alleen op haar kamer. Hij keek me met droeve ogen aan. “Weet je,” vroeg hij, “hoe ik door die periode heen ben gekomen?” Ik wilde het graag horen. “Tegen de muur van het verpleeghuis hangt het kruis dat nog van de Maria Boodschap afkomt (de Maria Boodschapkerk is aan de eredienst onttrokken, het was de parochiekerk van zowel Sjef als van mij). Wel, ik heb telkens naar dat kruis gekeken en dan kon ik er weer tegen. Ik weet niet hoe de mensen het doen die geen geloof hebben, want het verpleeghuis … dat is pure ellende.” Dit was het verhaal van Sjef. Ik vond het een verheffend verhaal, en ik besefte meteen dat mijn preek over de Kruisverheffing daarmee geschreven was. Toch nog even naar de tekst van Johannes hoofdstuk 3. Geen vrome onzin daar, maar de kern van de zaak: Jezus in gesprek met Nikodemus. Ze praten over het koninkrijk van God zien en dat daar een soort nieuwe geboorte voor nodig is, een nieuwe blik of een nieuwe mentaliteit, iets dat je niet kunt kopen bij Albert Heijn. In het verlengde van dit gesprek zegt Jezus: “Er is toch nooit iemand opgestegen naar de hemel behalve degene die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon?” Als mensen sceptisch zijn over de hemel en het hiernamaals – en dat zijn de meeste mensen tegenwoordig – dan zeggen ze: ja, ja, je kunt mooie verhalen ophangen, maar één ding is zeker: er is nog nóóit iemand van ginds teruggekeerd om ons te vertellen hoe het is. Jezus kent die scepsis natuurlijk ook, en hij gaat er in mee. Als je gestorven bent daal je af in de aarde, je stijgt niet op naar de hemel. Zo is het en niet anders. Maar er is één uitzondering, namelijk degene die uit de hemel is neergedaald … die maakt een gerede kans dat hij opstijgt naar de hemel: de Mensenzoon. Het is deze Mensenzoon, Jezus Christus, die aan het kruis geslagen wordt. Het kruis is het teken van het christelijk geloven, een dubbelzinnig teken. Enerzijds staat het voor de diepste ellende van de mensheid die in een tranendal verkeert, anderzijds staat het voor de verheffing uit de ellende in een rijk van God waarin er vreugde, vrede en geluk zal zijn. Een prachtig geloof. Een geloof dat je er doorheen trekt. Inderdaad Sjef, ik weet niet hoe mensen die geen geloof hebben hiermee kunnen dealen. Nauw gekoppeld aan het feest van de Kruisverheffing is het feest van morgen: Onze Lieve Vrouw van Smarten. Vanuit zijn verhoogde positie aan het kruis ziet Jezus naar om laag en daar staat zijn moeder (Stabat mater dolorosa). Daar staan wíj met smart in ons hart. Want al is ons geloof verheffend, de dingen hier om ons heen blijven smartelijk. En wat is ons geloof? Dat is wat Johannes in het fragment van vandaag durft te belijden: “Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

maandag 7 september 2020
Lezing: 1Kor. 5, 1 – 8 en Lucas 6, 6 – 11

“Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, of men een leven mag redden of verloren laten gaan.” Dit is een schoolvoorbeeld van een retorische vraag: een vraag waarop je eigenlijk niet eens hoeft te antwoorden omdat er maar één antwoord mogelijk is. Natuurlijk mag je goed doen, natuurlijk mag je een leven redden, hé hé. Maar in de situatie waarin Jezus die vraag stelt ligt het iets ingewikkelder. Op sabbat mag je niet doen, dat was de idee van sabbat. Niet werken, je onthouden van activiteiten, op de plaats rust en daarbij denken aan God die in zes dagen de wereld schept en op de zevende dag rust. Dit is de orde, dit is in orde. Jezus is hier – in tegenstelling tot het vrome plaatje dat we misschien van hem hebben – subversief bezig, hij gooit de orde omver. Op sabbat mag je wel degelijk iets doen, goed doen mag altijd en een leven redden mag ook altijd. Als je vindt dat het anders is moet je je toch eens laten nakijken. Nu is “goed doen” erg abstract, “een leven redden” is al een stuk concreter als het bijvoorbeeld gaat over reddingsbrigades langs de Noordzee bij gevaarlijke stromingen en mensen die geen ervaring hebben met deze zee zoals deze zomer weer het geval was. In het evangeliefragment gaat het in concreto over een naamloze man met een verschrompelde hand. Zijn hand is nutteloos, hij kan er niets mee doen, niet alleen op sabbat niet, maar ook op maandag niet. Op sabbat zal hij er niet veel last van hebben, want dan mag je toch niets doen, maar al die andere dagen is het behoorlijk lastig. Het verhaal van Lucas is dat Jezus de man geneest, op de sabbat, op de dag dat je niets mag doen, ook niet geneeskundige handelingen verrichten. Jezus gooit hier de oude orde omver: ook op sabbat, en elke dag van de week, mag je goed doen, mag je het leven redden. Het verhaal heeft een grote actualiteitswaarde, lijkt me. De man met de verschrompelde hand staat voor de mensheid anno 2020: kan de mens het leven van de planeet nog redden? Wat is het goede dat er dient te gebeuren om het grote sterven van de soorten te stoppen? Als we het daar al over eens zouden worden, zijn we dan ook bij machte om de juiste acties te ondernemen, de goede maatregelen te treffen, ons ingesleten gedrag te veranderen? Zijn we in staat om het op een rechtvaardige manier te doen, zo dat alle mensen van deze planeet een menswaardig bestaan hebben, er gelet wordt op het welzijn van de dieren, er een toekomst mogelijk is voor hen die na ons komen? Ook dit zijn welhaast retorische vragen: we weten wel dat we daartoe niet in staat zijn, we zijn onmachtig, onthand, de rechterhand is verschrompeld en met enkel de linkerhand is het halve bak. We wachten op iemand die ons geneest, die zegt: strek je hand uit zodat er leven in komt. We wachten op het onverwachte: dat Jezus de samenkomst der mensen binnenwandelt en ons de kracht geeft om goed te handelen en het leven te redden. Maar Jezus is die synagoge al binnengewandeld, de hand is in principe al genezen. Laten we daar maar eens bij stil staan, op een sabbatmoment tijdens het weekend. Laten we het ons herinneren en bidden om de gids-en-helper die hij belooft heeft: de heilige Geest, zodat we op maandag vooruit kunnen met het karwei....

maandag 31 augustus 2020
Lezing: 1Kor. 2, 1 – 5 en Lucas 4, 16 – 30

Op maandag 17 augustus keek ik terug op het optreden van Zomergast Jaap Goudsmit, viroloog en epidemioloog. Vanwege de pandemie van Covid-19 willen wij alles weten over dit virus dat ons leven bedreigt. Maar deze openhartige wetenschapper vertelde vooral dat we niet veel weten. Toon Hermans maakte daar destijds een mooi nummer van: weet ik veel! riep hij uit, wij weten niet veel! Wij moesten daar erg om lachen, tegenwoordig vinden we dat niet zo grappig.

Vorige week had ik terug kunnen kijken op het optreden van Zomergast Carola Schouten, maar zij moest plaats maken voor Maria Tenhemelopneming. Daar zou Carola ging enkel bezwaar tegen hebben, want we leerden haar kennen als een bescheiden vrouw. Als minister van landbouw gaat zij over het milieu, het klimaat, de houdbaarheid van onze aarde. Zij moet oproeien tegen de overmacht van het grote geld en de gevestigde belangen. Zij zit gevangen tussen structurele maatregelen die gevraagd worden en de lotgevallen van individuele boerenfamilies die zij wil blijven zien. Zij vraagt zich af of zij de juiste persoon is op de juiste plaats. Ik vond haar met haar zelftwijfel een krachtige vrouw, een sieraad voor de ChristenUnie. Bij haar zie je de paradox die wel vaker opgaat: mensen die zich geschikt achten om leiding te geven zijn het vaak niet, mensen die zich niet geschikt achten zijn het vaak wel. Denken we aan de gebedsformule voor het ontvangen van de communie: “Heer, ik ben niet waardig”.

Vandaag kijk ik terug naar de laatste Zomergast van dit seizoen, Ilja Leonard Pfeiffer, vorige week zondagavond. Ilja Leonard is een zeer succesvolle romanschrijver, dichter, columnist: alles wat hij aanraakt wordt goud. Ik vond het interessant wat hij over zijn schrijverschap zei: hij is vaak verrast wat er uit zijn pen komt, het is heus niet allemaal vooraf bedacht, het lijkt alsof het van buiten komt. Als klassiek geschoold man weet hij dat de ouden dan aan de Muzen dachten; ongetwijfeld kent hij ook de christelijke opvatting in dezen die denkt in termen van inspiratie en heilige Geest. Maar zoals het een hedendaagse schrijver betaamt is Ilja Leonard ongelovig: hij gelooft niet in iets dat van buiten komt. Op het eind van de avond kwam hij niettegenstaande zijn beleden ongeloof toch tot de uitspraak dat een mens iets moet geloven. Het adagium: zonder geloof vaart niemand wel, bleef ongenoemd. Waarin geloofde Ilja Leonard dan persoonlijk, zo vroeg gastvrouw Janine Abbring. Als antwoord gaf hij: dat je in je leven iets moet bijdragen aan de verbetering van de wereld, want anders had je leven geen zin gehad. We moesten het ermee doen, en het is helemaal geen slecht antwoord.

De antwoorden uit de lezingen van vandaag zijn eigenlijk hetzelfde, maar iets krachtiger. Paulus in 1Kor. 2, 1- 5 zegt dat hij zich zwak, onzeker en angstig voelde bij zijn verkondiging van het Woord – ik denk dan aan Carola Schouten. Hij denkt ook dat het geloof niet steunt op menselijke wijsheid want wat stelt die wijsheid nu helemaal voor – ik denk dan aan Jaap Goudsmit. Nee, geloof steunt op de kracht van God, en die kracht is tot uiting gekomen – heel paradoxaal – in Jezus, de gekruisigde. In de evangelielezing uit Lucas 4, 16 – 30 zien we Jezus in de synagoge van Nazaret aan het begin van zijn optreden. Hij leest voor uit Jesaja, hij maakt zich die woorden eigen. “De geest van de Heer rust op mij, daartoe heeft hij mij gezalfd. Om aan armen de goede boodschap te brengen heeft hij me gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen en aan blinden het licht in hun ogen, om verdrukten in vrijheid te laten gaan en een jaar af te kondigen dat de Heer welgevallig is.” Een prachtig programma, dat is iets om in te geloven. En wanneer gaan we daar aan beginnen? Morgen? Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw? Niks daarvan. Het is de enorme kracht en macht van Jezus dat hij kan zeggen: “Vandaag is het Schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan.” Waarlijk, Jezus is de Zomergast die de wereld nodig heeft.

maandag 24 augustus 2020
Lezing: Apokalyps 21, 9b – 14 en Johannes 1, 45 –51

Belofte maakt schuld: ik zou aandacht besteden aan het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming. Negen dagen na dit feest – dat is de periode waarin je een noveen kunt bidden – ben ik nog niet over tijd, lijkt me zo. Maar eerst een mop uit de laatste Met Kap en Koord, het blad van de Nederlandse kapucijnen. “Een jezuïet en een franciscaan reizen samen. Plots vraagt iemand aan hen allebei: Broeders, kunnen jullie mij vertellen welke noveen ik moet bidden om een BMW te kunnen betalen? De franciscaan reageert met een wedervraag: Wat is een BMW? Waarop de jezuïet antwoordt: Wat is een noveen?”

Juist, en wat is Maria Tenhemelopneming? Wie zijn catechismus heeft geleerd én onthouden, antwoordt: dat Maria met lichaam en ziel is opgenomen in de hemel. Het is een kras dogma dat pas in 1950 werd afgekondigd in de rkk. In de oosters-orthodoxe kerk (evenals in de oudkatholieke kerk en in het protestantisme) heeft men dit niet overgenomen; daar spreekt men van het Ontslapen van Maria. Na haar dood zou Maria “ontslapen” zijn, d.w.z. wakker geworden voor Gods eeuwigheid. De crux zit hem natuurlijk in het lichaam. Dat je met je ziel wordt opgenomen is voor de mens voorstelbaar, als hij zich al iets kan voorstellen bij de ziel. In het westen zijn we sinds Plato vertrouwt met het idee van de onsterfelijke ziel. Maar een lichamelijke onsterfelijkheid is absurd en in strijd met elke waarneming, ervaring en gedachtegang. Ik heb in de loop van mijn inmiddels toch ook al lange leven diverse theologen horen zeggen dat dat dogma van 1950 “jammer” was: het ware beter geweest als dit niet was gedaan, beter voor de oecumene met het oosterse kerk en het protestantisme. Waarom moest de rkk zich hiermee zo apart zetten? Toch heeft de gedachte van de lichamelijke opneming van Maria zeer oude papieren; het is bepaald niet zo dat vrome borsten dit in de 20ste eeuw bedacht hebben. Ik wijs op het Credo van Nicea-Constantinopel uit de vierde eeuw, op de daarvan afgeleide “twaalf artikelen van het geloof” die aldus eindigen: Ik geloof in de Heilige Geest, de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen, de vergeving van de zonden, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven. Amen. Zo’n beetje weggefrommeld tussen de vergeving van de zonden en het eeuwige leven amen zit daar toch de verrijzenis van het lichaam. Dat onze Verlichte tijd dat niet kan geloven, en dus ook niet dat Maria met ziel én lichaam ten hemel is opgenomen, is dus een probleem. Toch had de paus in 1950 wel iets gezien dat steeds groter zou worden in onze cultuur, namelijk het enorme belang dat we hechten aan het lichaam en het lichamelijke. Er wordt misschien nergens zoveel geld aan uit gegeven dan aan de kapper, de pedicure, de nagelstudio, de bodyshop, fitness, de piercings en de tatoeages, de cosmetica om nog maar te zwijgen van ingrepen in het lijf voor een optimaal lijf. Onze tijd gelooft nog eerder in het lichaam dan in de ziel.

Nou moet ik eindelijk naar het theologisch antwoord op de vraag waarom het lichaam in de geloofsartikelen zit. Dat komt omdat vanwege de christologie, de verrijzenis van Christus die mens werd, d.w.z. het sterfelijke vlees heeft aangenomen, geboren uit de maagd Maria. Als de mens een onsterfelijke ziel had was de komst van Jezus Christus overbodig: wat zou hij toevoegen aan het drama van het mens-zijn? Maar de mens is geen ziel, de menselijke persoon is ziel én lichaam onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het christelijk geloof gelooft dat de gelovige met Christus mee wordt getrokken in een eeuwig leven bij God, op het einde der dagen als Hij alles nieuw maakt. Maria Tenhemelopneming is een voorafschaduwing van die gebeurtenis, een anticipatie, nu al, in het geval van Maria. Uit de grote liefde voor Maria is dit vermoeden tot dogma uitgekristalliseerd. En het is zoals Paulus in 1Kor.13 zegt: de liefde gelooft alles.

maandag 17 augustus 2020
Ezechiël 24, 15 – 24 en Mattheüs 19, 16 –22

Vorige week zondagavond was Jaap Goudsmit, viroloog en epidemioloog, de Zomergast (VPRO, NPO2). Hoewel we tegenwoordig hevig geïnteresseerd zijn in virologie en epidemiologie is zo’n gesprek van 20.15 uur tot 23.25 uur veel te lang als u het mij vraagt. De formule is praten naar aanleiding van filmfragmenten. In mijn preken praat ik naar aanleiding van bijbelfragmenten, het lijkt dus wat op elkaar, al ben ik niet zo lang van stof. Een filmfragment was schokkend en absurd.

In Alphaville (Jean-Luc Godard, 1965) bestuurt een supercomputer de stad Alphaville; het is de mensen verboden om onlogisch te handelen en emoties te tonen; als ze dat toch doen worden ze doodgeschoten. Schokkend en absurd. Bij Ezechiël, het eerste bijbelfragment, lezen we precies hetzelfde. “Mensenkind”, zegt God de HEER, tegen de profeet Ezechiël: “Ik ga je oogappel, je vrouw, van je wegnemen, maar je mag niet rouwen, huilen of klagen.” Wat Ezechiël met deze profetische symbooldaad moet duidelijk maken ontgaat mij eerlijk gezegd, maar wel is duidelijk dat het niet gezond is om geen emoties te mogen tonen: dat is onmenselijk en ziekmakend. Rouwen, huilen of klagen zijn goede dingen, de HEER welgevallig. O ja, nu zie ik wel wat Ezechiël het ontrouwe volk Israël wil duidelijk maken: het is ongezond en ziekmakend om je af te keren van de HEER, om MAMON te dienen, valse goden na te lopen, de verkeerde dingen te willen, het milieu te vernietigen, het klimaat te veranderen, onrechtvaardige verhoudingen in de wereld te laten bestaan door op de verkeerde partijen te stemmen en de verkeerde politieke leiders aan de macht te houden.

Het tweede bijbelfragment komt uit Mattheüs. Daar gaat het over een rijk mens (“hij had vele bezittingen”), het gaat over ons dus. We hebben alles, maar het eeuwige leven niet, of nog niet. Dus vraagt hij Jezus hoe hij moet handelen, of in de woorden van het evangelie: “wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te krijgen?” Ook hij zit nog gevangen in het neoliberale model: hebben en krijgen, daar gaat het om. Jezus toont zich in zijn antwoord een theoloog én een humorist. Eerst gaat hij in op het idee “goed”. Goed, goed: wat noem je goed, de geboden onderhouden is goed, als je daar eens mee begint. Overigens – en daar spreekt Jezus de theoloog, en Hij kan het weten – EEN is er goed. En dat is God. God is onverdeeld goed. En nu komt Jezus als de humorist uit de hoek: als je onverdeeld goed wil zijn (d.w.z. zoals God), ga dan je bezit verkopen en geef het aan de armen; dan zul je een schat hebben in de hemel. Ik vind dit humor. Jezus weet ook wel dat we dat niet gaan doen. Maar hou dan op om over het goede en het eeuwige leven te zeuren.

Het bijbelfragment sluit af met de scène dat de jongeman verdrietig heengaat als hij dat woord hoort, want hij heeft veel bezittingen. We moeten de jongeman en onszelf dit verdriet, deze emotie gunnen. Het toont aan dat we behalve in virologie en epidemiologie ook geïnteresseerd zijn in maatschappelijke en theologische vraagstukken …

maandag 10 augustus 2020
Lezing: 2Kor. 9, 6 – 10 en Johannes 12, 24 – 26

De laatste roman van Stephan Enter (Barneveld, 1973) heet Pastorale (Van Oorschot, Amsterdam, 2020). Het gaat over een warme zomer in de jaren tachtig en een eerste liefde én over het ontsnappen aan een christelijk milieu. In de NRC van 31 juli jongstleden wordt Stephan geïnterviewd. Hij begint met te zeggen: “Religie is naar mijn mening uitsluitend verzonnen om vrouwen, kinderen en dieren te onderdrukken. Ik vind het onbegrijpelijk dat vrouwen in zo’n wereld blijven hangen.” Jeminee, vrouwen, kinderen en dieren, wat een opsomming. Maar inderdaad, mannen zijn traditioneel niet de onderdrukten, maar de onderdrukkers. Ook lijkt het wel zo dat vrouwen tegenwoordig langer in religie blijven hangen dan mannen. Zonder de vrijwilligers in de parochies, meestal vrouwen, bestond de kerk in Nederland niet meer. Waarom is Stephen die gereformeerd is opgevoed (Barneveld, biblebelt) en naar zijn eigen zeggen toch een gelukkige jeugd heeft gehad nu zo pissig op religie? Dat legt hij uit. Het jongetje Stephan kreeg zijn eerste fiets. Wie herinnert zich dat niet: de eerste fiets, dat was wat! Maar toen kreeg het jongetje Stephan de gedachte: wat als de Here Jezus nu van mijn vraagt die fiets in de sloot te gooien? Iets in hem zei: niet doen, maar onmiddellijk dacht hij: maar dan ben ik zwak in mijn geloof. Welnu, anno 2020 is hij woest vanwege de kwaadaardigheid van een geloof dat kinderen zulke gedachtes kon aanpraten. Arme gereformeerde Stephan! Wat ben ik blij dat ik katholiek ben opgevoed. Ik kreeg zulke gedachtes helemaal niet. Ik heb nooit gedacht dat Jezus zulke domme dingen van mij wilde. Welnee, Jezus wilde wel wat anders. En je mocht daar in alle vrijheid ja of nee tegen zeggen. Jezus wilde dat ik mijn hele leven zou prijsgeven, dat ik Hem zou volgen, niks fietsen in het water gooien. Zich helemaal geven werd destijds vertaald als religieus worden (pater, zuster, broeder), of parochiepriester, of de combi priester-religieus (d.w.z. pater in een religieuze congregatie). Over het idee zich helemaal te geven ben ik onlangs op het puntje van mijn stoel gaan zitten, en wel op donderdag 2 juli in Nijmegen, in de Vereeniging, waar Patrick Chatelion Counet afscheid nam als topman van de KNR (Konferentie Nederlandse Religieuzen). Hij vertelde dat ie uit hoofde van zijn functie veel in contact was gekomen met hoge geestelijken, bisschoppen en kardinalen, in Rome met hoge prelaten van de curie, en dat hij bij het voorstellen altijd had gezegd: Patrick Chatelion Counet, leek. Dan was meteen het misverstand de wereld uit dat hij priester of religieus zou zijn. In zijn dankwoord en lofrede zei abt Bernardus Peeters o.c.s.o. dat Patrick zich altijd voor de volle 100 % had ingezet voor de KNR, de zaak van de religieuzen, het religieuze leven, en nu komt het: dat hij, Bernardus dus, er van overtuigd was dat Patrick dit alléén had kunnen doen DANKZIJ zijn vrouw en twee dochters, dankzij zijn achterban. Interessant! Meestal wordt het celibaat en het celibataire leven beargumenteerd vanuit de volledige beschikbaarheid, praktisch en spiritueel; je bent volledig beschikbaar als je ongehuwd blijft, als je niet gehinderd wordt door vrouw en kinderen (of door man en kinderen, moeten we tegenwoordig zeggen met vrouwelijke ambtsdragers in de PKN). Voor het eerst hoorde ik – ik weet niet of anderen dit ook hebben opgemerkt – dat volledige toewijding en beschikbaarheid wel kan samengaan met een gezinsleven. Ik vond het fantastisch dat juist abt Bernardus zoiets zei. Maar nu nog de evangelietekst.

“Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort. Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven. Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn; wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader.”

Ik lees die tekst nu zo: Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen. Je moet het wel zelf willen, het hoeft niet. Jezus dwingt je niet, noch om de fiets in het water te gooien, noch om in het klooster te gaan. Het is je eigen, vrije beslissing. De manieren waarop je dient en volgt zijn cultureel bepaald. Maar het eerste wat Jezus zegt is een universele waarheid: ieder mens is een graankorrel die maar vruchtbaar is als hij in de akkergrond sterft. Het heeft geen zin je aan je leven vast te klampen, dan verlies je het. Het heeft wel zin om het prijs te geven ten behoeve van de ander, de gemeenschap, dan zal het behouden blijven voor het eeuwig leven.

Dit is een belangrijke boodschap voor de mens, voor de mensheid. Ik las een artikel van de Poolse filosoof Leszek Kolakowski (1927 – 2009) over Jezus (Filosofie – Tijdschrift nov/dec. 2019 nummer 6). Hij zegt: als Jezus helemaal weg zal zijn uit onze herinnering, dan zal het geloof in de Europese beschaving ook verloren gaan. Hij vreest dat we zullen terugzakken in onmenselijke barbarij. Nee, Stephan Enter, ik zou die christelijke opvoeding toch maar niet minachten; over kinderlijke voorstellingen kun je heengroeien. Dat wist Paulus al: toen ik kind was dacht ik als een kind, nu ik volwassen ben geworden denk ik als een volwassene.

maandag 3 augustus 2020
Lezing: Jeremia 28, 1 – 17 en Mattheüs 14, 13 – 21:

Vandaag citeer ik uit de NRC van zaterdag 25 juli, geschreven door Christiaan Weijts. Hij moet niets hebben van godsdienst en nog minder van christendom, daarom vind ik het geestig dat hij Christiaan heet. Ik ken hem uit zijn stukken als een mens die het goede zoekt en bovendien kan hij geweldig schrijven; laten we ons daarover verheugen.

“Wat bent u allemaal van plan?” Op het strand van Callantsoog stopt de terreinwagen van de reddingsbrigade bij drie mannen in clowneske tuinbroeken. “Wij?” Ze bekijken elkaar, alsof ze nu pas opmerken hoe ze erbij lopen. De linten van hun strohoeden, kaasdragersmodel, wapperen in de straffe wind. Op een brancard torsen ze een constructie van bamboestokken ter grootte van een strandbal. “Oh, wij komen de wereld redden.” De vrouw achter het stuur lacht bedachtzaam – “Oké, dan is het goed …” – en vervolgt haar patrouille langs de branding. De wereld kan wel wat zorg gebruiken, vonden Ton Baan, Erik Boot en Joep van der Peet, drie vrienden van rond de zestig. Gewoonlijk maken ze elk jaar een survivaltocht, weg van de vaste paden. Dit jaar doen ze het anders. Tijdens deze theatrale dialoogwandeling van vijf dagen gaan ze met passanten in gesprek over de wereld na corona.

De bol op de brancard ligt op een piramide van dikke bamboestokken. Daaruit is een reuzenwereldbol te maken, vier meter doorsnee. Aan het eind van elke wandeletappe zoeken ze een plek met wat reuring om die op te bouwen. Tijdens het bouwen praten de deelnemers over de postcoronawereld. Daarin is er ‘minder ik en meer wij’, denkt het drietal. ME-YOU-WE-DO staat er daarom op de polsbandjes die ze uitdelen: ‘het kleinste manifest ter wereld’. Stel jezelf bij elk plan of voornemen de vraag: is het goed voor mij, voor jou, voor ons? Drie keer ja? Doen!

Niets zo bevorderlijk voor de saamhorigheid als een stevige ramp. Kijk naar de Watersnood van 1953. Die ontketende een uitbraak van nationale liefdadigheid, inzamelacties, hulpploegen voor de wederopbouw. Heeft de coronacrisis ook zo’n samenbindend potentieel? In de eerste weken van de lockdown was ik daarvan overtuigd.

”Nog steeds is Christiaan Weijts aan het woord. Hij vervolgt: “In die eerste weken, midden in de eerste schok van de stilgevallen wereld, in die dagen van verlaten straten, thuisonderwijs en slapeloze nachten, verscheen de Nederlandse vertaling van het nieuwe boek van New York Times-columnist David Brooks: De tweede berg. Een maand eerder zou ik alleen al bij de ondertitel, ‘een zoektocht naar zinvol leven’, gillend zijn weggerend. Nu snakte ik naar iets positiefs. Ik merkte dat ik onverhoeds ontvankelijk was voor een verhaal dat ik anders als klef en wel ‘erg Amerikaans’ had afgedaan. Volgens Brooks richten wij ons leven te veel op het beklimmen van ‘de eerste berg’, gericht op succes, prestaties, aanzien, ons ik. Terwijl ‘de tweede berg’ gaat om relaties, compassie, gemeenschappen. Op de eerste berg is kortstondig geluk je beloning, op de tweede beginnen onze zielen zachtjes te gloeien en ervaren we vreugde. Helemaal mee eens. Ja, we hebben een hechte gemeenschap nodig!”

Tot zover Christiaan Weijts, tot zover het begin van het artikel dat verder nog allerlei interessants geeft. Nu nog van mijn kant een klein christelijk commentaar op wat Christiaan te berde brengt. Laten we nog eerst even vaststellen dat het christendom over de redding van de wereld gaat. Jezus is gekomen om de mens te redden van de eeuwige dood. Nu, aan het begin van het verhaal gaat het over de reddingsbrigade die over het strand rijdt nabij Callantsoog. En daar treffen we de drie vrienden Ton, Erik en Joep, zestigers, die de postcoronawereld willen redden met de gedachte: ‘minder ik meer wij’, en hun polsbandje ME-YOU-WE- DO. En dan dat boek van die columnist: De tweede berg. Ik vind het fantastisch dat deze man David heet. David genoemd naar de gezalfde koning, Messias in het Hebreeuws, Christus in het Grieks. Van Jezus is bekend dat hij regelmatig de berg opging om alleen te zijn, c.q. bij zijn Vader. Dat moet in Brooks termen ‘de tweede berg’ zijn. Bij Jezus is er wel meer dat de tweede keer is: bijvoorbeeld ‘de tweede keer geboren worden’. In de evangelietekst vandaag uit Mattheüs 14, 13 – 21 gaat Jezus naar een eenzame plaats, meestal is dat hoger de berg op. De mensen zoeken en vinden hem en Mattheüs zegt: hij heeft zeer met hen te doen: compassie is hier het woord. Ze zijn ziek, ja wie niet? En hij geneest hen. En dan wordt het avond en de leerlingen suggereren: stuur ze weg, laat ieder voor zichzelf in de dorpen eten gaan kopen. Maar ook dit is niet het idee dat op de tweede berg is geboren: nee, geven jullie wat voorhanden is, laat de mensen gaan zitten in groepen, houd de gemeenschap bij elkaar, als we delen is er genoeg. Minder ik meer wij. Dit is allemaal evangelie, dit is Jezus, dit is christendom, ja ook die ludieke actie van Ton, Erik en Joep. Ja, ook het boek van David Brooks, ja ook het goed geschreven stuk van de heidense Christiaan Weijts. En Jeremia, de eerste lezing? Die laat ik maar zitten. Ik hoop daarover geen klaagzang te horen …

maandag 27 juli 2020
Lezing: Jeremia 13, 1 – 11 en Mattheüs 13, 31 – 35

Vandaag viert de kerk de zalige Titus Brandsma, priester en martelaar. Hij werd geboren in Bolsward op 23 februari 1881, hij stierf in Dachau op 26 juli 1942. Sterfdatum en -plaats wijzen op zijn noodlottig einde. Deze hooggeleerde karmeliet (hoogleraar in Nijmegen) was een man die zijn stem verhief tegen nazisme, racisme, de onderdrukking van het vrije woord. Dat bracht hem tot zijn einde. Dat maakt hem in de ogen van de kerk tot martelaar. Ik begrijp niet waarom de kerk hem nog niet heilig heeft verklaard; ik dacht dat martelaar zijn voor je geloof al “voldoende” is. Op welk wonder wacht de kerk? Is het niet een wonder dat het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen bestaat? Dat zo veel wetenschappers, theologen en mystici in hun dagelijkse werk inspiratie putten uit zijn erfenis? Wikipedia geeft een kort overzicht van zijn leven en lot, gedachten en werken. Ik licht er de kern van zijn opvatting omtrent mystiek uit: “God is verborgen aanwezig, in iedere mens én in de gehele schepping. Ieder moment schept God alles-dat-is uit het niets tevoorschijn. Alles is in God en God is in alles. Daarom staat de mysticus niet los van het alledaagse leven, maar staat hij of zij er juist voluit in.” Een blik op de lezingen bevestigt dit. In Jeremia gaat het over een lendendoek, wij zouden zeggen een onderbroek, hoe alledaags wil je het hebben? In Mattheüs geeft Jezus beelden van het koninkrijk der hemelen. Het is als een mosterdzaadje, het kleinste van alle zaden. Als het is opgeschoten, is het groter dan de struiken en wordt het een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken kunnen nestelen. Een ander beeld, ook al huiselijk en alledaags, is het zuurdesem, gist zouden wij zeggen, dat een huisvrouw in meel verwerkt totdat het er helemaal van doortrokken raakt, de grondstof voor ons dagelijks brood. U zult het niet zo van mij verwachten, maar na het zien van de eerste Zomergast, Glen de Randamie (Zwolle, 6 augustus 1984), alias rapper Typhoon, dacht ik: jongen, jij bent een hedendaagse mysticus. Wat hij getuigde over zijn geloof in de liefde en hoe hij God in zijn leven ervaart! Toen ik hem zo hoorde dacht ik: daar kan geen kardinaal Eijk aan tippen. Hij had als voorbeelden voor ogen Malcolm X, Martin Luther King en James Baldwin: de drie voorvechters van de rassengelijkheid in de VS. Twee van hen moesten hun strijd met de dood bekopen, net zoals Titus Brandsma zijn opstand tegen het racisme van de nazi’s met de dood moest bekopen. James Baldwin ( I Am Not Your Negro) confronteert iedere mens met zijn of haar innerlijk racisme opgevat als de behoefte om op een ander neer te kijken – in welke gedaante die ander ook verschijnt: als zwart, als vrouw, als lhbt-er, vluchteling, crimineel, ziek, zonderling of oud. We zouden het niet nodig moeten hebben op de ander neer te kijken vanwege de illusie dat we zelf wat voorstellen. Alleen als schepsel Gods stellen we wat voor …

maandag 20 juli 2020
Lezing: Micha 6, 1-4.6-8 en Mattheüs 12, 38 – 42

Wellicht hebt u gehoord van Sander Kollaard (1961), hij was in het nieuws toen hij eind juni de Libris Literatuurprijs 2020 won. Hij kreeg de prijs voor zijn roman: Uit het leven van een hond (Uitgeverij Van Oorschot, 2019). De jury was lovend over de teneur van het boek, vooral over het positieve mensbeeld. Dit boek hadden we nodig in deze gekwelde coronatijden; balsem voor de geteisterde ziel.

Een positief mensbeeld. Ik ken geen positiever mensbeeld dan het christelijke. De mens als schepsel van een menslievende God, geroepen om deel te nemen aan de gemeenschap van de Triniteit, bedoeld voor het eeuwig leven in gelukzaligheid. Wat wil je nog meer? Welk positief mensbeeld kan daar tegenop? Ik was dus benieuwd. Mijn belangstelling werd nog groter toen bekend werd dat Sander Kollaard in een voormalige pastorie op het Zweedse platteland woont. In de kamer waar in vroeger dagen de dominee zat te zwoegen op zijn preek, schreef hij de bekroonde roman met het positieve mensbeeld.

Ik nam en las. Vóór in het boek staat een motto uit Genesis 3, 19: Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen; stof ben je, tot stof keer je terug. Geeft Genesis 3,19 een positief mensbeeld? Het is alvast heel wat aardser dan het zojuist geschetste christelijke mensbeeld, al wordt het de katholiek letterlijk ingepeperd op Aswoensdag, vooral de laatste woorden: stof ben je en tot stof keer je terug. We zijn op zoek naar het positieve mensbeeld van Sander Kollaard. Al op de eerste bladzijden van de roman krijgen we het mensbeeld van Henk, de hoofdpersoon van het boek. Henk is i.c.-verpleger – een actueel beroep – zij waren de mensen die in de coronacrisis het hardst nodig waren. Hij moet denken aan een gesprek na het werk met zijn jonge collega Saskia 28 jaar. Henk is 56. Ze hadden het over het hart, en Saskia wist dat het hart een pomp is, niet meer en niet minder. In zijn hoofd speelt zich het gesprek af dat hij had willen voeren, maar op het moment zelf wist hij niet veel in te brengen. Saskia heeft natuurlijk gelijk. “Het hart pompt, het bloed stroomt. We zijn spul. Om het preciezer te zeggen: we zijn biologisch geanimeerd spul. In mijn ogen is dat een feitelijke constatering maar verbazingwekkend veel mensen verzetten zich daartegen. Alleen maar spul! Hoe kun je dat beweren? Wat kil en vreugdeloos! Het verzet komt neer op het idee dat we meer zijn dan alleen maar spul. Dat we een ziel hebben, of een geest, een innerlijke god, iets nobels of bijzonders wat ons boven de platte materie verheft. Het is een sentiment dat echo’s in zich heeft van eeuwen waarin we dachten dat we bijzonder waren, de kroon op de schepping of het logische en schitterende eindpunt van de evolutie, maar we weten inmiddels beter. Niets heeft ons bedoeld of gewild of bedacht. Niets maakt ons noodzakelijk. Anders dan veel mensen vind ik dat een verrukkelijk, bevrijdend inzicht. We kunnen doen en laten wat we willen en zijn aldus werkelijk vrij, niet gebonden aan heilsplan of bestemming” (blz. 14).

Goed, als Henk hier Sanders mensbeeld weergeeft dan is op die domineeskamer het christelijke mensbeeld in gruzelementen gevallen. Platte materie. Niets heeft ons bedoeld of gewild of bedacht. Er is geen heilsplan en geen bestemming. We kunnen doen en laten wat we willen. Dit is heerlijk, verrukkelijk, positief, en het krijgt de hoofdprijs. Even nog wat meer Henk en zijn gedachten over het spul dat we zijn. “Ik ben spul dat al miljarden jaren voor mijn geboorte bestond en tot mijn grote geluk in 1961 deze vorm heeft aangenomen. Met mijn dood zal het die vorm weer verliezen. Dat vind ik een verdrietig vooruitzicht – ik ben, ondanks de evidente tekortkomingen, aan mijn vorm gehecht – maar wie weet zullen stukjes en beetjes van het spul dat nu mijn naam draagt ooit weer samenkomen in andere vormen, zoals een kat, of een wolk, of een roman, of een kus. Is dat plat? Is dat kil of harteloos. Ik zie er juist grandeur in.”

Nu genoeg Sander Kollaard, genoeg Henk. Genoeg positief mensbeeld, dat – tussen haakjes – inderdaad wel eens het mensbeeld zou kunnen zijn van de huidige geseculariseerde mens. Het mensbeeld van mijn kinderen, het mensbeeld van uw familieleden, ja misschien is het uw eigen mensbeeld wel. Wat moeten we nog met Micha en Mattheüs? In Mattheüs willen de mensen van Jezus “een teken”. Wat voor teken? Tegen de achtergrond van “Uit het leven van een hond” kun je zeggen: het teken dat de mens van Jezus wil hebben is het onomstotelijk bewijs dat het christelijk mensbeeld het ware is, niet het materialistische, het spul-mensbeeld. Jezus geeft dat teken niet. Hij geeft geen ander teken dan het teken van Jona, namelijk dat Jona werd opgeslokt door een grote vis. Eten en gegeten worden, dat is dus precies het materialistische mensbeeld. En Micha? De oudtestamentische profeet? Ik beperk me tot het laatste vers. Ik zet dat tegenover het positieve: we zijn vrij, we kunnen doen en laten wat we willen. Wat zeg Micha? “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.” Ik zou bijna zeggen: leven als een hond. Een hond is trouw, doet alleen maar wat een hond moet doen, is nederig en gaat de weg die God voor hem heeft beschikt …

maandag 13 juli 2020
Lezing: Jesaja 1, 11 – 17 en Mattheüs 10, 34 – 11,1

Wie een tekst leest moet interpreteren. D.w.z. begrijpen wat je leest. Dan zijn er al twee spelers in het spel: de tekst en de lezer. De tekst heeft een eigen zeggingskracht en de lezer heeft een eigen verstaanskracht waarbij zijn of haar achtergrond een grote rol speelt. Dit geldt voor elke tekst, maar voor een tekst als de bijbel des te meer. Toch lijkt het alsof Jesaja 1, 11 – 17 onmiddellijk inzichtelijk is. “Wat moet ik met jullie offers? Zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer. En wanneer jullie voor mij verschijnen – wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen? Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw aan jullie wierook; jullie feesten, nieuwemaan en sabbat, ik duld ze niet naast al dat wangedrag. Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb ik een afkeer, ze hinderen mij, ik kan ze niet langer verdragen. Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet. Aan jullie handen kleeft bloed! Was je, reinig je, maak een eind aan je misdaden, ik kan ze niet meer zien. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij.” Nou, daar is geen woord Latijn bij, of beter geen woord Hebreeuws. In fris Nederlands zet de NBV hier een oeroude tekst om in een hedendaags sentiment dat elke rechtgeaarde atheïst of godsdiensthater zal herkennen. Hé wat? Staat dat in de bijbel? Ja, dat staat in de bijbel. Alleen al omwille van deze tekst moet je de bijbel nooit bij het oud papier zetten.

Maar nu naar de tweede lezing uit Mattheüs 10, 34 – 11,1. Mattheüs is een van de vier evangelisten die elk op hun manier een venster openen op Jezus. Er openen zich dan verschillende vergezichten, maar de overeenkomst is toch die wonderlijke man die weldoende rondtrekt, zieken geneest, de mens boven de sabbat zet, vrede sticht en zonden vergeeft. Hij verkondigt overal het goede nieuws dat het koninkrijk van de hemel ophanden is. O ja, zeggen de al eerder genoemde, rechtgeaarde atheïsten en godsdiensthaters: wat doe je dan met Mattheüs 10 vers 34? “Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” Er zijn mensen die nagenoeg niets van de bijbel kennen, maar dit vers kennen ze wel. Ze brengen het triomfantelijk in stelling en zetten je mat in drie zetten en daar ligt je koning. Staat dat in het evangelie? Ja, dat staat in het evangelie, ik kan er ook niets aan doen. Wat moet je er mee? Ik zou zeggen: nog even doorlezen en kijken waar dit op uitdraait. En het is ongelooflijk waar dit tekstgedeelte mee eindigt, namelijk: “En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van mij is, ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.” Dat oorlogszuchtige begin met dat zwaard heeft dus als inzet dat je iemand een beker koel water te drinken geeft, iemand uit de Jezusbeweging. Dat zwaard is niet uit op macht, op het veroveren van kolonies zoals de christelijke koning Leopold de Vrijstaat Congo veroverde met kruis en zwaard om zijn zakken te vullen, of zoals de christelijke Christoffer Columbus uittrok om wat hij Amerika noemde als wingewest toe te voegen aan de macht van de zeer christelijk koning van Spanje, of dichter bij huis onze eigen VOC die “ons Indië” met zwaard en kruis bedwong om er de rijkdommen weg te slepen waar onze welvaart nog steeds op teert. Ik heb het over wereldwijde acties waarin de standbeelden van foute helden van hun sokkel worden getrokken en in zee gekieperd, ik heb het over de twistgesprekken die verdeeldheid brengen tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder, precies zoals het evangelie zegt in het vervolg van de zwaard-tekst.

Wat moet je doen? Die beker koel water geven, of zorgen dat je houdt wat je hebt? Vasthouden wat je hebt of delen? Solidariteit of ieder voor zich? Die vraag verdeelt als een zwaard niet alleen de wereldpolitiek, maar even goed de Europese en de landelijke. Ja, die vraag brengt wellicht verdeeldheid aan in jezelf en zolang die vraag niet bevredigend is opgelost zal er geen vrede zijn in jezelf. Ach, ging iedereen maar het klooster in als een stille trappist of als een waakzame claris. Dan zou de HEER uit Jesaja tevreden zijn, en zou dat glas koel water geven van Jezus gerealiseerd worden. Het rijk der hemelen was dan ophanden.

maandag 6 juli 2020

In de profetische tekst van Hosea is de verhouding van God tot zijn volk uitgetekend als die van bruidegom en bruid, man en vrouw. Omdat we tegenwoordig inclusief denken kan ik ook zeggen man en man, vrouw en vrouw: het is de liefdesrelatie die telt. Wie de oudtestamentische geschriften een beetje kent weet dat het altijd een moeilijk huwelijk is geweest … God en zijn volk. Zijn volk is ontrouw, het pleegt overspel, loopt achter vreemde goden aan. In principe is het zo dat het volk niet gelooft in de levende God, het gelooft in wat het recht voor zijn ogen ziet: het is nooit anders geweest. Maar God – bij monde van zijn profeten – geeft nooit op. Hosea heeft pure poëzie. “Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken.” “En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd.” “Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard, zodat ze in rust en vrede kunnen leven.” Welke vader wil dit niet voor zijn kinderen, welk mens zou zijn hart sluiten voor deze goddelijke verlokking? Waarom geloven we niet?

Nu zijn we goed voorbereid voor het verhaal van Mattheüs. De overste van een synagoge komt naar Jezus toe, valt voor hem neer en zegt: “Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.” Zonder formulieren of protocollen staat Jezus op en gaat met die overste mee om die dode dochter de hand op te leggen zodat ze weer zal leven. We stellen geen kritische vragen, we gaan met Jezus mee in het verhaal. Maar dan komt er iets tussen: “Plotseling naderde hen van achteren een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze raakte de zoom van zijn bovenkleed aan, want ze dacht: als ik alleen zijn bovenleed maar kan aanraken, zal ik al genezen worden.” Een vrouw met bloedverlies was cultisch onrein, een taboe dat wij gelukkig niet meer kennen. Maar in de context van het verhaal is zo’n vrouw dood voor het sociale leven. Afstand houden, en nog wel een beetje méér dan anderhalve meter. We moeten deze vrouw bewonderen, ze is inventief, creatief, moedig: de zoom van zijn bovenkleed moet toch wel kunnen? Hoe loopt dit af? Wel, Jezus is kennelijk gevoelig tot in de zoom van zijn jas, hij voelt dat iemand toenadering zoekt. Hij draait zich om en bij het zien van de vrouw zegt hij: “Wees gerust, uw geloof heeft u gered.” En vanaf dat moment was de vrouw genezen, zegt Mattheüs sobertjes.

Maar zijn we niet op weg naar de dode dochter van de synagogeleider? Inderdaad. Daar aangekomen komt Jezus een heidens kabaal tegemoet: een luid weeklagende menigte en fluitspelers. Niet de plek waar – om met Hosea te spreken – in alle stilte tot het hart van het meisje gesproken kan worden. Of het een afleidingsmanoeuvre is weet ik niet, maar Jezus zegt: ga maar naar binnen, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt. Men lachte smalend, zegt Mattheüs. Je kunt je daar iets bij voorstellen, want hoe zou dat meisje kunnen slapen bij dat kabaal? Als ze sliep was ze daar toch wakker van geworden? Van de andere kant is het storend dat men lacht: dit zijn toch geen serieuze mensen? Dat geweeklaag is toch fake? Je zou toch nog liever dood zijn dan verder te moeten met dat stelletje lolbroeken en herrieschoppers? In ieder geval wordt iedereen weggestuurd, de rust daalt neer, en Jezus gaat naar binnen. “Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op.” Dit is alles wat Mattheüs ons vertelt. Wat dat betreft doet Mattheüs me aan Wittgenstein denken met zijn beroemde uitspraak: waarover je niet spreken kunt, daarover moet je zwijgen. Maar Hosea heeft gesproken! Hosea heeft gesproken over de woestijn waar God tot het hart spreekt. Jezus heeft tot het hart van het meisje gesproken. Als God tot het hart van de mens spreekt wordt die mens levend. Dat is het geloof van de gelovige. Ongeloof ziet er vanuit dat perspectief uit als langdurig bloedverlies, ja zelfs als dood. Maar ongeloof is als een slaap, je kunt gewekt worden. Christelijk geloof is een opgewekt geloof …

maandag 29 juni 2020
HH Petrus en Paulus
Lezing: Handelingen 12, 1 – 11;
2Timotheüs 4, 6-8.17-18; Mattheüs 16, 13 – 19

Met mijn maandagpreken zit ik wat de grote feesten betreft altijd “de dag erna”. De beste wijn is de vorige dag geschonken en gedronken. Ik vind dat prima, het geeft me geen kater terwijl het euforisch gevoel nog niet verdwenen is. Vandaag maandag 29 juni heb ik nu eens wel een hoogfeest, het hoogfeest van de apostelen Petrus en Paulus. Wie de serie “Jezus verovert de wereld” volgt (EO, Kefah Allush) heeft vorige week gezien dat de resten van Petrus begraven liggen onder, onder, onder de Sint Pieter (ik ben niet aan het stotteren, maar zo kun je aangeven dat onder het hoofdaltaar een ander altaar ligt, daaronder weer een dieper altaar en daaronder ten slotte het graf van Petrus); de resten van Paulus liggen begraven in de basiliek van Paulus buiten de Muren (van Rome), maar hun beider schedels zijn bijeengebracht in de Sint Jan van Lateranen. De twee koppen konden nogal eens hard botsen, maar dat zullen ze nu niet meer doen. Ach, het zijn aardige weetjes, Kefah Allush is een open, aardige, nieuwsgierige man. Dat het allemaal zo oppervlakkig is, kan op de televisie kennelijk niet anders.  

Voor de diepte moeten we in de teksten duiken die de kerk voor dit hoogfeest heeft uitgekozen. En dat ga ik nu doen. Wie is Petrus? Daarvoor kijken we naar het verhaal van Mattheüs 16, 13 – 19. Daar vraagt Jezus aan de leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is’? De antwoorden zijn anders dan wij zouden geven; er komen geen gegevens van de burgerlijke stand of wat biografische achtergronden; nee, de antwoorden proberen iets van de ziel aan te duiden – ga er maar eens aan staan, probeer het maar eens – als ze melden: sommigen zeggen “Johannes de Doper”, anderen zeggen “Elia”, weer anderen “Jeremia” of “een van de andere profeten”. Deze pogingen geven wel aan in welke richting de mensen denken als ze met Jezus te maken hebben. Maar dat is wat “de mensen” zeggen. Wat zeggen zijn leerlingen? Wie ben ik volgens jullie? En dan komt Petrus: “U bent de messias, de Zoon van de levende God.” Dit antwoord maakt Petrus tot degene die hij is. Wie is Petrus? Petrus is de man die op de vraag van Jezus naar zijn identiteit het antwoord geeft: de messias, de Zoon van de levende God. Dit antwoord maakt hem tot de rots waarop Jezus zijn kerk zal bouwen, tot de eerste bisschop van Rome, en terugblikkend tot de eerste paus van de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk. Dit antwoord is zo goed – dat vind ik wel grappig aan deze passage – dat Jezus zegt: “Gelukkig ben je Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel.” En Jezus vervolgt: “En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt, zal ook in de hemel ontbonden zijn.” Kijk, en daarom kun je beelden van Petrus altijd thuisbrengen: hij draagt twee sleutels en dan weet je: dat is Petrus.

In Handelingen gaat het ook over Petrus; Paulus komt er in de lezingen maar bekaaid af. Daar horen we het fantastische verhaal van de gevangenschap van Petrus. Herodes wil Petrus doden. Het verhaal vormt een soort echo van het verhaal van Jezus. Aan de vooravond van zijn beoogde dood slaapt Petrus in de kerker. Hoe je dan kunt slapen is mij een raadsel, maar Petrus is altijd een goede slaper geweest. In de hof van Olijven sliep hij ook prima. Daar ligt hij te slapen. Dubbele sloten, dubbele wachten. Maar zijn sleutels zijn magisch. Zelf denkt Petrus dat hij droomt, maar als hij wakker wordt is hij uit de gevangenis, uit de greep van Herodes die hem wil doden. Hem is nog enige tijd gegeven vooraleer hij volgens de vrome overlevering sterft zoals zijn leermeester Jezus, zijn Heer en God: aan het kruis, maar dan ondersteboven.

Gaat het vandaag helemaal niet over Paulus? Jawel, in de tweede brief aan Timotheüs is hij zelf aan het woord. Hij schrijft – Paulus was een groot brievenschrijver – “Mijn bloed wordt als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien.” Petrus en Paulus zijn de grote heiligen van de Kerk. Veel mensen heten Peter of Piet en Paul, namen waar niemand zich voor hoeft te schamen. Zouden zij ooit anderen de vraag voorleggen: wie zeg je dat ik ben? Waarschijnlijk niet: de ander zou vreemd opkijken en niet weten wat te antwoorden …