Woord en droom‍

Voordat ik wakker werd droomde ik het woord ramifications. Ik werd wakker en herinnerde me dat ik het woord ramifications had gedroomd. Hoe vreemd, ik kende het woord niet. Na een uur was ik het woord vergeten, maar in de loop van de ochtend schoot het er weer in en zocht ik het op in Longman. Het zijn vertakkingen. Ik moet het woord tegen zijn gekomen bij George Eliot, Middlemarch. Later kwam ik het woord tegen bij Thomas Hardy, The Woodlanders. Daar gaat het zoveel over hout en bomen dat het woord wel op zijn plaats is. Het woord stamt (!) af van het Latijnse “ramus”: tak, twijg. Ook: iets in de vorm van een tak zoals een gewei of de Griekse letter Y. Van Dale heeft het woord ook: ramificatie, vertakking.
Pocketboek en prik

The Penguin English Library is uitgegeven in het zogenaamde pocketboek (goedkope zakuitgave – van Dale). Ik wilde licht reizen naar mijn priklocatie Diezekade 2 Den Bosch, c.q. de Brabanthallen. Thomas Hardy, The Woodlanders (first published in 1887) paste net in de borstzak van mijn windjack. Toen ik mijn pfizerprik gekregen had moest ik een kwartier zitten met het mondkapje af en er was een vriendelijke vrouw met mondkapje om die een oogje op me had. Zij moest kijken of ik in dat kwartier niet wit om mijn neus werd of flauw zou vallen. Ze vroeg belangstellend wat ik aan het lezen was. Ik vertelde het haar. Zij kende The Woodlanders! Haar vader was leraar Engels, zijn boekenkast was gevuld met de Engelse literatuur. In de vakantie waren ze naar Dorset gegaan (Hardy noemde het zelf Wessex), en hadden ze genoten van het land dat hij zo prachtig beschrijft. Ik beschrijf hier een klein geluksmomentje, onbeduidend wellicht, maar zoals Hardy zegt: part of the pattern in the great web of human doings.
Stemmingen

Vroeger vond ik Freek de Jonge leuk. Ongemakkelijk leuk weliswaar, maar toch leuk. Op 13 maart 2021 toen hij zijn zogenaamde verkiezingscabaret gaf, vond ik hem niet meer leuk. Te gekunsteld, te bedacht, te veel ineens willen zeggen: alle problemen van de wereld en die van hemzelf inbegrepen. Geen goede grappen. Ik zat er een beetje mee: waarom vond ik hem niet meer leuk, waarom kon ik er niet meer mee lachen? De volgende dag, toen ik Kees Verhoeven gelezen had, begreep ik het. Volgens hem kunnen stemmingen niet gemengd worden. Freek de Jonge is razend over de politiek van wegkijken, over onze cultuur van verdoving en roes, over de zinledige talkshows en tegelijkertijd wordt hij als cabaretier verondersteld grappen te maken en ons te amuseren. Dat kan niet. Dat blijkt ook wel: hij toont ons een en al verscheurdheid, hij lijkt een hedendaagse Christus aan het kruis. Freek is op zijn best als hij de stemmingen niet vermengt, maar gewoon de kansel opklimt, zijn absurde fratsen en performances even vergeet en zijn oprechte donderpreek eruit smijt met als uitsmijter: Rutte, donder op!
Cornelis Verhoeven, Alledaagse mijmeringen; een keuze uit de onuitgegeven essays 1953 – 1956. Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Jacques De Visscher en Jean-Pierre Monsieur, Damon, 2021, 160 blz.

Deze mijmeringen moet je niet in een ruk uitlezen, dan heb je er niets aan. Ik zou een dosering aanbevelen van twee of drie druppels elke zondag in te nemen. Ik kan me voorstellen dat Kees Verhoeven ze niet geschikt achtte voor publicatie, zijn nazaten denken daar nu anders over. Enfin. Als je toch al van Verhoeven houdt kan er niet veel mis gaan. Deze stukjes zou ik scharen onder het genre van het hogere ouwehoeren. Als ik Properheid (21 januari 1954) lees realiseer ik me dat mijn goede moeder sinds lang zaliger een metafysica was in haar poetsdrift. Ik citeer bij wijze van exemplum. “De wrijvende hand van de propere mens poetst het ding: hij maakt het schoon. Dit wil niet zeggen, dat zijn poetsen een artistieke, esthetische betekenis heeft. De schoonheid, die hij beoogt met zijn schoonmaak is niet de schoonheid van de kunst, maar de zuiverheid van vreemde smetten, de eigenschap van het ding te verschijnen als wat het is. De properheid doet het ding zelf geboren, herboren worden uit de laag, die er van buiten op is gekomen en die het verhindert zich zelf te zijn. Afstoffen is in de grond een metafysische bezigheid, waarin de mens het principium identitatis handhaaft: het ding is wat het is en mag niets anders zijn. Deze metafysische properheid is een wending van de geest naar het ding zelf, het eigenlijke ding. Het afgestofte ding wordt bevestigd in zijn eigen zijn. Dit is de hoogste mogelijkheid van de properheid en hieraan ontleent zij ook haar naam. ‘Properheid’ is afgeleid van het Latijnse ‘proprius’, waarvan de etymologie onzeker is, maar waarvan de betekenis is ‘eigen van en aan zich zelf.’ Zo gaat Verhoeven nog even door en komt dan ook nog toe aan het afstoffen van je zelf!
De globalisering van MLR

“In Zuidwest-India wordt een taal gesproken die Malayalam heet, ooit van gehoord? In dat taalgebied met 37 miljoen inwoners waren twee uitgevers tegen elkaar aan het opbieden. Ook twee Georgische uitgevers boden tegen elkaar op. Azerbeidzjan, Estland, Sri-Lanka, nee ik heb dit niet eerder meegemaakt.” Weet u over wie dit gaat, over welk boek? Het gaat over Marieke Lucas Rijneveld, het gaat over The Discomfort of Evening. Ik lees dit in Tijdgeest van Trouw zaterdag 19 december 2020. Gerwin van der Werf schrijft dit nadat hij eerder al gezegd heeft dat de rechten van het boek verkocht zijn aan 37 landen (hmm 37 miljoen inwoners, 37 landen … wat is er met 37 in hemelsnaam?), alleen overtroffen door Anne Frank. Nog eerder in het artikel lees ik: “Overal waar ze optrad, gebeurde iets. Mensen wilden met haar praten en haar aanraken. Ze wilden zich ook over haar ontfermen. Het is heel bijzonder, ze heeft een soort Messiaanse uitstraling. Ze oogt jong, klein en kwetsbaar, ze is ontwapenend, non-binair van gender en als ze voordraagt is ‘t alsof ze psalmen zingt, het is ronduit betoverend.”

Ik dacht dat ik klaar was met MLR. Ik had mijn recensies geschreven en gedeponeerd. Drie lezingen had ik nodig om iets te zien wat miljoenen mensen van alle talen en tongen verspreid over de globe kennelijk wel zien, en nu geloof ik dat ik het nog steeds niet heb gezien. Ik begin te vermoeden dat er een groot theoloog nodig is om te zien wat er met MLR aan de hand is en wat de uitwerking van haar boek is op mensen anno 2021.
Masshopper

In het Engels is een sprinkhaan een grasshopper. De coronacrisis heeft een woord toegevoegd aan die rijke taal, namelijk masshopper. Masshoppers zijn mensen die online de mis volgen, maar die het niet bij één streaming houden, maar naar verschillende hoppen. Er zou niets aan de hand zijn als ze niet meteen op- en aanmerkingen maken en die posten op de sociale media. Die arme pastores! Nooit eerder is het voorgekomen dat hun heilig dienstwerk van commentaar werd voorzien en vergeleken nog voor het ite missa est heeft geklonken. Wie doet nu zoiets? Masshoppers.
Hoofdletters

het is misschien iets voor de fijnproevers of de muggenzifters maar de nieuwe bijbel vertaling uit 2004 (nbv) zal volgend jaar worden opgevolgd door een nog nieuwere die althans wat het hoofdlettergebruik terugkeert naar een oudere. in de nbv werd God (en Jezus) met een hoofdletter geschreven, maar de verwijzingen met kleine letter (hij, hem, zijn, mijn etc). in de nbv21 worden al die verwijzingswoordjes met de zogenaamde eerbiedshoofdletter geschreven. je kunt een hele hoop argumenten voor en tegen bedenken en dat gebeurt ook. in 2004, toch nog niet zo heel lang geleden, werd op goede gronden zo besloten, nu wordt het (ook op goede gronden?) weer anders gedaan. heen en weer, heen en weer ( drs. p.). hoe staat het in de “grondtekst”? het grieks en hebreeuws? alles in kleine letter, de hoofdletter was onbekend. dat is dus een argument om het klein te houden, althans je zou kunnen overwegen dat als het origineel geen hoofdletters gebruikt het niet oneerbiedig bedoeld kan zijn. voorstanders van de eerbiedshoofdletters zal dit argument niet aanspreken. zij zullen zeggen: het gaat om onze eerbied in de 21ste eeuw. waar sta ik? het is een kwestie van smaak of esthetiek. typografisch geven al die hoofdletters in de tekst een onrustig beeld. onze betreurde hoofdredacteur willem van de vrande was mordicus tegen hoofdletter. weet u wat? ik ben voor afschaffing van alle hoofdletters, behalve één, de hoofdletter G. alleen God mag van mij met een hoofdletter geschreven worden, God is groot, al het andere is klein en mag met kleine letter. het zou mooi zijn als de bijbeltekst in deze onrustige 21ste eeuw al wat rust zou geven aan de ogen.
Vakantie in Nederland (1)

Eens in je leven stap je uit de trein op station Beilen (1975: treinkaping bij Wijster, in de weilanden tussen Beilen en Hoogeveen). Waarom niet in de coronazomer 2020 om de in Nederland vakantievierende kids te bezoeken? Een blik op de kaart wijst uit dat het kamp Westerbork in de buurt ligt, dus kom, het is al weer 20 jaar geleden dat ik er voor het eerst was. Op naar het “voormalige” kamp Westerbork zoals het overal op de paddenstoelen en andere wijzers staat. Ik stoor me aan “voormalig”. Omdat we niet moeten denken dat het nog steeds als zodanig functioneert? We zijn niet de enige dagjesmensen in het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, integendeel, het is er stervensdruk. Ik hoor twee kinderen aan elkaar uitleggen: hier hebben ze héél veel mensen doodgemaakt. Ik moet denken aan Hannah Arend en haar uitdrukking “de banaliteit van het kwaad”.
Vakantie in Nederland (2)

We bezoeken ook de plaats Westerbork. We zijn bekend met het fenomeen ondertiteling, city marketing. Tilburg was lange tijd de schoonste stad van het land, daarna werd het moderne industriestad en momenteel lees je: Tilburg, je bent er. Oisterwijk heeft als subscript de parel in ‘t groen. Goirle heeft niks, geloof ik. Westerbork heeft tot mijn verbazing als vlaggetje: het dorp van de vrijheid. Oei, oei. Ik ben in Mauthausen geweest, in Theresienstadt, in Dachau. Bij die namen lopen de rillingen langs mijn rug. Ik weet niet of die plaatsen ook van die verneukeratieve ondertitels voeren, maar bij Westerbork denk ik toch niet aan vrijheid. Het dorp van de schaamte zou beter passen.
Vakantie in Nederland (3)

En we strijken neer in Jirnsum, een B&B in de voormalige Mauritiuskerk, van harte aanbevolen (www.mauritiuskerk.nl). Jirnsum is “het doarp aan de rivier” (i.c. de Boorne). Het dorp van 1360 inwoners (2017) heeft als ik het goed gezien heb één standbeeld, nl. van een kat. Naast de B&B ligt een huis met het opschrift “kattenhuus”. Dus ik vraag globetrotter Charles Hoedt (met de hoed in de hand komt men door het ganse land én in Rusland én in China), mijn gastgever, of Jirnsum iets met katten heeft. Jawel, volgt een verhaal hoe in Jirnsum destijds als kermisvermaak katten werden doodgemept. Op Wikipedia vind ik de term “kwelspel”; na de uitleg volgt een opsomming welke kwelspelen er waren/zijn. Ik geef ze hier: ganstrekken, palingtrekken, hanenbekogelen, katknuppelen, katbranden, stierenvechten, vossenjacht, duivenschieten, vossenwerpen, dierenduels, dierengevechten, sportvissen, rodeo, hondengooien. Het standbeeld in Jirnsum van de kat: ik zie het als een vorm van Wiedergutmachung.
Onbetamelijk op anderhalve meter

BBC Sunday Morning Live heeft sprankelende presentatoren in Sean Fletcher en Sally Phillips, mooi etnisch en gender divers: Sean de zwarte man, en Sally de witte vrouw. Het ging over onze omgangsvormen ten tijde van corona. Geen handenschudden meer, schouderslagen, bearhugs, armpje vatten. Er is nu de buiging, de handen gevouwen, de hand op het hart, stille gebaren. De vraag was: zouden er ook wóórden zijn die je daarbij kunt zeggen? Sean suggereerde: “ik zou je wel een hug willen geven.” Sally overtroefde hem met: “zou je dan ook kunnen zeggen: ik zou wel seks met je willen hebben?” Ik zag Sean verbleken, even met stomheid geslagen en daarna een splijtende lach, vol ongeloof dat Sally met zoiets op de proppen kwam. Het is een onbetamelijkheid op anderhalve meter, maar toch. SheToo! Live on Sunday Morning!
Attracties

Als het aan mij had gelegen had ik dit jaar de Goolse kermis overgeslagen. Het zal wel leeftijdgebonden zijn, maar ik vind er niks meer aan. Maar het lag niet aan mij. Ik kreeg een uitnodiging van de Goolse dochterlief en haar man om mee naar de kermis te gaan met de kleinkinderen Elisa (8) en Lennard (2) en dat doe je dan. Ik heb daar geen spijt van gehad. De grootste attractie was: naar het gezicht van Lennard kijken. Met grote verbazing, nee, bevreemding, keek hij naar de attracties. Hij was zeer bereid om in de carrousel plaats te nemen, in de kinderbotsautootjes en ook in de kindervliegtuigjes, maar het was duidelijk dat het even duurde voordat hij die attracties attractief begon te vinden. Over die bevreemding heb ik nagedacht en ik dacht dat ik die kon begrijpen. Heb je als tweejarige zo'n beetje je wereldbeeld gevormd en dan gebeurt er dit: kermis! De kermis moet zijn hele wereldbeeld op z'n kop gezet hebben. Je zag hem denken: in wat voor vreemde wereld leef ik eigenlijk? En gelijk heeft ie. Ook opa vindt: we leven in een vreemde wereld en het is maar de vraag of de attracties wel attractief zijn …
Echt?

Er zijn tegenwoordig momenten waarop ik een hekel aan mezelf heb. Echt? Ja, een hekel: wanneer ik me dingen hoor zeggen die ik niet zeggen wil. Echt? Jazeker! Ik zal een voorbeeld geven. Iemand beweert iets en ik hoor me zeggen: echt? Die repliek heb ik niet van mezelf, ik moet hem ergens hebben opgelopen zoals je virussen en bacillen oploopt. De taaluiting: echt, is de talige variant van zo'n virus. Nog niet zo lang geleden was ik er immuun voor. Zo heb ik de fase van: is dat zo, doorstaan zonder er aan mee te doen. Die ergerniswekkende repliek op een bewering: is dat zo, heeft een tijdje huisgehouden maar is nu nagenoeg verdwenen. Vroeger antwoordde je op de bewering van je gesprekspartner met: hm, of o ja, of ja ja, en ik wil dat zo houden. Maar opeens zeg ik het ook. Echt? Bah! Ik vermoed dat het stamt uit (vertaalde?) Amerikaanse soaps, really. Dit virus wordt overgebracht door jonge meiden en deze oude kerel wordt er door besmet. Echt? Ja, echt!
Kut

Het is altijd toch even schrikken als ik het hoor: kut. Waarschijnlijk komt dat door mijn seminarie achtergrond. Ik snap niet waarom dit onderdeel van de vrouwelijke anatomie zo gemakkelijk in de mond is komen liggen van jongelui van beiderlei kunne als ze een of ander ongenoegen tot uitdrukking willen brengen. Wie was ook weer die romanschrijver die vruchteloze pogingen deed het boek te schrijven dat alle andere boeken overbodig zou maken? Hier hebben we een woord dat in ieder geval veel woorden overbodig maakt: allemaal woorden die een ongenoegen uitdrukken. In de moderne sprakeloosheid en woordarmoede is kut de passe-partout, de sleutel die altijd past en de communicatie tussen leeftijdgenoten gesmeerd doet verlopen. In de trein zijn vele gesprekken te beluisteren van schoolgaande jongeren van VMBO tot Universiteit die zichzelf verduidelijken door te stellen dat ze iets kut vinden. Moeten ik hier iets van vinden? Vooruit dan: ik kan maar moeilijk wennen aan dit taalfenomeen, ik vind het eigenlijk maar kut.
Niemand

De tegenhanger van iedereen is niemand, ook dit is een woord met ingebouwde overdrijving. Misschien zijn er wel veel van die woorden. Ik vond niemand in een column van Marjoleine de Vos (NRC-H 21 november 2014). Ze schrijft over die jonge jongens in vlassige baardjes die op het punt staan een mens de hals af te snijden. Eigenlijk zou je zo'n foto niet mogen zien, zegt Marjoleine.  'Dat is tegen iets waar niet zo gemakkelijk woorden voor te vinden zijn. Tegen een goddelijke wet. Tegen de heiligheid van het leven. Ik weet wel dat dat het soort bewoordingen is waarin niemand meer graag spreekt, maar misschien is dat een vergissing. Want er zijn geen betere woorden voor gevonden.' Daar ben ik het mee eens. Maar niemand? Spreekt niemand meer graag over de heiligheid van het leven, over de wet van God? Dat lijkt me overdreven en bovendien niet waar.
Bilspleet

Mijn gezelschap in de conventsmis van de abdij van Berne. Ach, kijk, daar een paar banken voor ons zit Erik Borgman, de meest invloedrijke theoloog van Nederland. Vlak voor me een gezette jongeman in jeans en T-shirt, zonder onderhemd. Zijn bilpartij stulpt uit zijn broek, een stuk van de bilspleet is zichtbaar. Het is geen gezicht, het is geen stijl. Ik dacht dat die mode alweer voorbij was. Je verwacht het niet bij iemand die in de abdij verdieping zoekt. Mijn gezellin naast me is te ingetogen om iets te laten merken. Anderhalf uur later staan we voor een middeleeuws schilderij met ridder Fulco te paard en achterop de Maagd en het Kind; de gids is er lange tijd mee bezig want het schilderij vertelt het verhaal van Berne. Boeiend. Over één detail heeft hij het niet: een kleine voorover gebogen gestalte – een akkerman – die een stukje bilspleet laat zien. Ik kijk mijn ingetogen gezellin aan, en wij beiden barsten uit in een splijtende lach. Heb jij dit in de kerk ook gezien? Ja, zij heeft het ook gezien.
Citaat van de Dag (3e zondag van Pasen 26 april 2020)

“Door Christus als op unieke wijze lief te hebben, dat wil zeggen als de unieke en absolute Ander, houden we van al degenen met wie Hij in alle vrijheid gekozen heeft om in relatie te staan; in en door de Kerk beminnen we iedereen en alles wat bestaat”

Uit: Ioannis Zizioulas, Gemeenschap en andersheid, theologie van de persoon; Skandalon, Middelburg, 2019 (blz. 100)
Een recensie van Ben Loonen

Ik lees de bijdragen van Ben Loonen in de verschillende publiciteitsmedia altijd met gespannen aandacht, niet alleen omdat ze vaak een boeiende inhoud hebben, maar ook omdat ze de lezer respecteren door ruimte te bieden voor discussie over de vele door hem besproken onderwerpen en zijn visies daarover. Zo vraagt ook zijn bespreking van het boek Zondagavond van Vonne van der Meer om aandacht en reflexie van de lezer omdat het handelt over ethische vraagstukken van schuld, boete en vergeving. Het zijn fenomenen die in de geschiedenis van de mensheid altijd pregnant aanwezig zijn geweest en ook zullen blijven, zeker vanaf de periode van het ontstaan van de enige resterende mensensoort Homo Sapiens, de laatkomer op het wereldtoneel nl. 100.000 jaar geleden, en de partner in Gods geschiedenis tot de uiteindelijke en langverwachte verwerkelijking van het Rijk Gods, waarover Jezus sprak en de evangelies uitdrukkelijk verhalen. In die mens, dat wonderbaarlijke wezen, als kroon van de schepping, ontstaan via de lange en wonderrijke emergente evolutie als ontvouwing van de schepping van het universum in de tijd, is aanwezig een onuitroeibaar transcenderend zielsverlangen nl. het overstijgen van de lichamelijke sterfelijkheid omdat de dode mens slechts functioneert als compost van de aarde. De mens lijkt geroepen de schepping voort te zetten via het overstijgen van zichzelf door de geest die de materie doorstraalt zoals de glimlach de materialisering is van de liefde voor iemand. Als, zoals Ben vreest, de zondag obsoleet wordt, de Dag des Heren betekenisloos, de gebeden verdwijnen, de rituelen en sacramenten uitgestorven, dan zal de emergent evoluerende mens zeker andere constructies vinden om de geest van geloof, hoop en liefde gestalte te geven en wel omdat het existentiële drijfveren zijn en basale, sociale emoties in de gemeenschap. Het was nu niet mijn bedoeling in te gaan op de problemen van schuld, boet en vergeving door die hier te bespreken of om de profetenmantel om te hangen, maar louter om Ben te complimenteren met de recensie en zijn voor mij althans waardevolle en prikkelende teksten.

Dr. Albert Swaak (1925 – 2014) arts, publiceerde de dichtbundels Zwartboek (1980), Aantekeningen (1982), Zonder titels (1983), en Landschappen van mijn dagen (1986).
Iedereen

Met het woord iedereen is iets merkwaardigs aan de hand, als ik het zou moeten benoemen zou ik zeggen: intrinsiek overdreven en ietwat dwingend. Neem bijvoorbeeld de kop in Brabants Dagblad van vrijdag 7 november 2014: Iedereen woelt in De tuin. Iedereen weet natuurlijk wel over welke tuin het gaat, dat kan niet mis. Het gaat over de tuin hoek Kalverstraat – Tilburgseweg; burgemeester Machteld en gedeputeerde Brigitte openden die ochtend de tuin en plantten een Japans meisje. Iedereen woelt in de tuin. Prachtige kop, maar ik wist meteen dat het onzin was: immers, lang niet iedereen woelt in de tuin. Het zijn er zo'n twintig. Zelf heb ik daar nooit gewoeld, al sta ik sympathiek tegenover de tuin, natuurlijk. Ook heb ik veel bewondering voor Marije en Frans de Groot die zich ontpoppen tot ware communisten: ze verwaarlozen hun privétuin en woelen almaar in de publieke tuin. In Goirles Belang van 12 november werd teruggekeken op de geslaagde opening en weer vond ik daar het merkwaardige gebruik van het woord iedereen, maar nu met een spoortje besef dat er iets niet klopt: 'Het was een geslaagde happening, iedereen was er (behalve u misschien).'  Het dwingende zit in de suggestie: u had er óók moeten zijn. Maar als iedereen er geweest was, hadden we daar met 22.000 mensen gestaan en/of gewoeld en was er van de tuin niets meer over. Gelukkig dus dat niet iedereen er was.
Vaderdag

Een moeder met twee jonge kinderen aan de wandel op woensdag 13 mei 2020. Ik kom ze tegen en vang het gesprek op. Vandaag is het vaderdag”, zo meldt een van de twee kinderen. “Welnee”, zegt de moeder wat verwonderd tegen het joch dat waarschijnlijk niet van haar is. De jongen herneemt zich en zegt aarzelend: “Ja, het is papadag.” Kijk! Er is een betekenisverschil ontstaan tussen vaderdag en papadag. Vaderdag wordt in Nederland gevierd op de derde zondag van juni (in België op de tweede), maar pappadag kan elke willekeurig dag van de week door heel het jaar zijn, al naargelang de afspraken met moeder. Het is de dag dat papa de pineut is..
Kut

Het is donderdag 29 november, het loopt tegen vijven, het werk zit erop. Als ik naar het station fiets en bij een stoplicht op de Vestdijk moet wachten, staan achter mij een jongen en een meisje (studenten waarschijnlijk). De jongen vertelt dat hij liever niet in Eindhoven overnacht als hij op zaterdag en zondag moet werken; hij legt uit waarom niet. Dan vat hij zijn bezwaren samen door te zeggen: “overnachten in Eindhoven is kut.” Want wat doe je op zaterdagavond? Volgens hem is het algemeen bekend dat de zaterdagavond in Eindhoven kut is. Het meisje humt begrijpend en zegt: “Wat wordt er bedoeld met kut”? Ik kan het niet laten om te kijken, ik wil zien of er ironie of spotlust in het spel is. Maar nee, de gezichten staan ernstig, alsof ze een serieus semantisch probleem aan het bespreken zijn; kut is: in Eindhoven overnachten als je daar geen zin in hebt, en als je weinig amusement verwacht van de zaterdagavond in Eindhoven. Dat is kut, zeg nou zelf. Ik heb niet de indruk dat het woord kut, noch voor de jongen noch voor het meisje, een verwijzing inhoudt naar het vrouwelijke geslachtsorgaan. Merkwaardig. Het licht springt op groen. Doorfietsen maar.
Godsbewijs (1)

Met Pasen achter ons, maar de passies van Bach nog naklinkend in onze oren, wil ik attenderen op Bart Schouten, Over Bach, Vrijdag, Antwerpen, 2017. Hij zegt dat Bachs muziek een poging tot godsbewijs is. Vind ik geen gekke benadering; nou weet ik waarom ik Bach zo mooi vind. Een rationeel godsbewijs is nog nooit gelukt, ik denk dat muziek meer mogelijkheden heeft in die 'richting'. Overigens vindt Erik Borgman (Zielen winnen, Adveniat, Baarn, 2017) de waarheid eerder in jazzmuziek (die ik dan weer 'ongericht' vind).
Godsbewijs (2)

Stephen Fry (60) op 8 maart in DWDD bij een allerlaatste Hier is … Adriaan van Dis liet zich kennen als een indrukwekkende, geestige spraakwaterval. Posh educatie, een Joodse moeder, een Church of England vader, zelf natuurlijk atheïst, homo, lijdend aan een bipolaire stoornis, diverse zelfmoordpogingen achter de rug, prostaatkanker. Het goede kan niet bestaan zonder het slechte, wist hij. Hij zou zijn ziekte niet willen inruilen voor een vlak, grijs, normaal bestaan. Oh ja, God bestaat niet, gezien de puinhoop waarin we verkeren. Het hoogste goed is voor hem: schrijven, d.w.z. de inspiratie die hem de dingen doet schrijven. Ik dacht: man, jij bent voor mij godsbewijs. Want stel dat God niet vlak, grijs en normaal is? Stel dat de inspiratie van God komt? Dat je dat als Verlicht mens niet kunt denken, snap ik ook wel.
Vertalen

In mijn recensie van Jan Postma geef ik een gedicht van Adrienne Rich. Ik heb geprobeerd daar voor mezelf een nette vertaling van te maken. Vertalen vind ik leuker dan kruiswoordpuzzels oplossen, maar het geeft dezelfde hoofdbrekens: goed tegen Alzheimer. Waar storten die grote donkere vogels van de geschiedenis zich scheeuwend in? Into our personal weather? Het weer vind ik nogal onpersoonlijk, ik heb over het weer nog nooit gedacht als iets persoonlijks. Ik ken een persoonlijke atmosfeer; waarom weather? Misschien dat Guido Gezelle het geweten had. Wist u dat hij anglofiel én anglist was? Hij beheerste de Engelse taal tot in de perfectie, hij had in zijn jonge jaren gedroomd van de Engelse missie: de Engelsen bekeren tot het rooms-katholicisme. In de hierboven vermelde biografie staan diverse teksten in het Engels van zijn hand. Het gekke is dat die teksten glashelder zijn, terwijl ik vaak moet raden wat ie zegt als hij zich in het Westvlaams uitdrukt. Zouden zijn gedichten in het Engels vertaald zijn? In het Latijn wel. Ik heb in mijn kast Centum carmina, quae composuit Guido Gezelle; latinis versibus reddidit dr. H. Vroom, E.J. Brill, Leiden, 1967. Overigens wordt Guido Gezelle geëerd met de structuurweg door de Groote Akkers: de Guido Gezellelaan, en met basisschool 't Schrijverke. Ik neem aan dat de leerlingen het gedicht uit hun hoofd moeten leren, tien coupletten.
Hoi hoi

Telefoongesprekken worden tegenwoordig vaak afgesloten met hoi hoi. Ik weet dat omdat ik veel met de trein reis; in de trein wordt onbekommerd getelefoneerd en iedereen mag en moet meeluisteren. Hoi of hoi hoi. Niet alleen hippe meisjes tussen 15 en 45 zeggen hoi hoi, ook serieuze heren in zaken doen het. Ze hebben zo juist een profijtelijke deal gesloten of beloofd iets op de mail te gooien en sluiten opgewekt af met hoi hoi. Zelf ben ik immuun voor dit soort praat, en ook allergisch. Ik heb nooit meegedaan met de voorlopers van hoi hoi als daar zijn: groetjes, saluutjes, houdoe, doei, doeg. Zelf sluit ik af met tot ziens of dag. Mijn vader zei altijd tot wederhoren. Leonard heeft een mooie afsluiting: houd goede moed. We hebben veel moed nodig. Hoi hoi vind ik apentaal. Wat is er mis met apentaal? We stammen per slot van rekening van de aap af. Hoi hoi is waarschijnlijk een linguïstische variant op het thema: back to basics.
Meneer

Als iemand opeens meneer voor je naam zet, of de heer, betekent dat waarschijnlijk dat er boosheid in het spel is. Die boze iemand heeft echter van zijn moeder geleerd dat je niet mag schelden en dat je altijd beleefd moet blijven, met twee woorden spreken. Wat te doen? Dan pak je het vaatje peper en ga je strooien met meneer of de heer. Ik zie het in ingezonden stukken in Goirles Belang, ik herinner me een stuk tegen onze hoofdredacteur: meneer Willem van de Vrande. De eerste keer dat je meneer Willem van de Vrande leest, denk je: dat is een beleefde man die daar de pen voert. Maar als het daarna nog drie, vier keer meneer Willem van de Vrande is, begin je te vermoeden dat de schrijver boos is en dat hij in dat meneer een soort verachting tot uitdrukking brengt. Iets dergelijks deed oud-premier Piet de Jong (zoals hij correct en zakelijk wordt genoemd in Trouw van maandag 26 april 2010) met Job Cohen, de lijsttrekker van de PvdA. Piet de Jong vond het gemeen dat de PvdA het kabinet in de steek liet, en wordt dan aldus geciteerd: “Dat ligt niet aan de heer Job Cohen. Ik denk dat de heer Job Cohen niet wist op wat voor vuilnisbelt hij stapte.” Wat een haat! Dat de christelijke voorlieden toch zo de pest hebben aan socialisten, ik vind dat niet fraai; ja, ik vind het zelfs onchristelijk … meneer Piet de Jong.
Kleurenblind

Begin april van dit jaar nam Joke Aarts (Lijst Riel-Goirle) afscheid van de Goirlese gemeenteraad. Ze kreeg een lintje en een pennenset. Ze hield een afscheidsrede waarin ze zichzelf ten voorbeeld stelde als een luisterend raadslid. Had joke nooit gehoord van de zegswijze: eigen roem stinkt? Norbert de Vries maakte haar vakkundig af, daarbij schoot hij uit de bocht met de stelling dat er nog nooit zo’n slecht raadslid was geweest. Dat riep weer medelijden op, dat had Joke niet verdiend. Norbert verdedigde zich in tertulia met te zeggen: ze vroeg erom, ik moest dit wel doen. Een week was het stil in Goirles Belang. Na twee weken kwam emeritus-geneesheer Han Bosch in het geweer. Als een hedendaagse markies de Cantecleer riep hij: fi donc, Norbert! Helaas schoot hij finaal ernaast door de praatjes van Norbert kleurloos te noemen. Kleurloos! Daarmee bewees deze pronte emeritus-geneesheer dat hij kleurenblind is. Want was er ooit een geestiger suggestie gedaan dan de pennenset voortaan te vervangen door een doos wattenstaafjes: als het summum van het raadslidmaatschap luisteren is, dan zijn wattenstaafjes meer geëigend dan een pennenset. Een week later was er nog een ingezonden brief waarin de redactie van GB opgeroepen werd Norbert te muilkorven. Dat doet GB natuurlijk nooit, want dan wordt het echt een kleurloos blad. Toen was het weer rustig in Grommeldam, plaats 28 op de Elsevierlijst van 403 Nederlandse gemeentes met het beste woonklimaat.
Eren

Toen Maxim (voorheen Marjolein) Februari man werd en aankondigde te blijven columneren, kwam er een ingezonden brief van een lezer die zich stoorde aan dit nieuw gevormde werkwoord. Wat is er mis met: een column schrijven? Hij stelde voor dat hij zelf zich zou onthouden van het neologisme brieferen, en maar gewoon brieven zou blijven schrijven. Niet lang daarna kwam de voortreffelijke Thérèse de Vries, tuinarchitekte te Nieuwkerk en sinds enige tijd een sieraad voor de stamtafel op vrijdagmorgen in het Jan van Besouw (tertulia genoemd) met het woord: senioriseren. Wij veerden allemaal blij verrast op: weer een nieuw woord toegevoegd aan onze taalschat. Thérèse bedoelt met het woord senioriseren het zodanig inrichten van je tuin dat je ook als ouder wordend mens er genoegen in blijft scheppen, hem kunt bijhouden in onderhoud, zodat je niet uit arren moede moet gaan verhuizen vanwege de tuin die je boven het hoofd groeit. Dit alles heel economisch kortgeknipt en geschoren samengevat in het ene woord senioriseren. Het verschijnsel waar ik hier de vinger op leg is dus de nieuwvorming van werkwoorden met als uitgang -eren. Mij kan het niet deren, ik ga niet jeremiëren, houd mij verre van ridiculiseren. Bedenkers van neologismen moeten we eren.
Zo maar

Ik had nooit gedacht dat ik het woord 'zomaar' nog eens zou opzoeken in mijn van Dale (tiende, geheel opnieuw bewerkte en zeer vermeerderde druk uit 1976). Maar ik kom het woord de laatste tijd (sinds de kredietcrisis?) tegen in frases waar ik van opkijk. Het is waarschijnlijk weer zo'n catchphrase: een of andere kukel op de televisie heeft het gezegd, en dan kukelen we het na. Dat zou zomaar kunnen gebeuren. Hoe gebruikten we het woord vroeger? Volgens mijn van Dale kun je niet zomaar met de deur in huis vallen. Nog een voorbeeldzin waaruit blijkt dat mijn woordenboek hopeloos verouderd is: '...gaat dat zomaar?' De taalmeester legt uit dat dit schertsend taalgebruik is, bijvoorbeeld bij een begroeting, zonder dat er gekust wordt. Laatste voorbeeld dat ik zelf bedenk: 'Waarom heb je bloemen gekocht? Zomaar'. Dit zomaar is lichtvoetig, onbekommerd, onschuldig, niks aan de hand. In het nieuwe gebruik is de lichtvoetigheid verdwenen. In een beschouwing over de EU zegt Ben Knapen dat we blij mogen zijn dat we de kredietcrisis niet met de gulden maar met de euro het hoofd bieden. Als we nog de gulden hadden gehad, had de wereldwijde speculatiemachine de sterke gulden en het kleine Nederlandje totaal kapot kunnen maken: “dat had zomaar gekund.” Ik tref dat woordje zomaar aan in allerlei omineuze verbanden. Het lijkt alsof de kredietcrisis, de economische crisis, de klimaatcrisis, een onzekerheid in het spel heeft gebracht die tot uiting komen in de haarvaten van de taal, tot in het onbeduidende woordje zomaar. We hebben altijd geweten dat de wereld morgen kan vergaan, maar de wending 'dat het zomaar kan gebeuren' is hoogst verontrustend. Het woordje zomaar is het snufje peper en zout geworden dat we tegenwoordig over onze zinnen strooien. Niet te veel, graag.
Het genoegen van sushi en verzekerd zijn

In de trein deel ik de vierzitter met twee mooie Marokkaanse meiden; zij verorberen met zichtbaar genoegen een plastic bakje met sushi; daarna trekken ze allebei een blikje dieet coke open, voor de slanke lijn die al hopeloos verloren is. De een zegt tegen de ander dat ze wel de hele dag sushi kan eten. In Barcelona kent ze een sushibar die alles slaat op sushi gebied, hmmmm. Omdat ik als oude man lucht voor ze ben, voelen ze zich niet gehinderd. De andere meid vertelt dat ze onlangs een uitvaartverzekering heeft afgesloten, het kost maar € 12,50 per maand. Maar dan heb je ook alles: de rouwbrieven, de kist, de bloemen, het vervoer naar Marokko, de begrafenis, twintig jaar grafrechten. Een begrafenis kost momenteel 11.000 euro, en over dertig jaar 30.000 heeft de verzekeringsagent haar voorgerekend. Dat kan ze nooit betalen! Als ze volgende maand komt te overlijden, al heeft ze maar een maand premie betaald, krijgt ze toch de uitvaart volledig vergoed. De vriendin aanhoort het zonder commentaar. Ik vraag me af wat zo'n jonge meid in godsnaam met een uitvaartverzekering moet. Heeft ze ooit gehoord dat er iemand onbegraven bleef? Daarna vertelt de verzekeringneemster dat ze toch maar aangifte heeft gedaan. Ik heb het verhaal dat hieraan vooraf ging gemist, maar het is niet moeilijk gissen. De politie heeft gezegd: okay, dan geven we hem meteen een straatverbod. Vriendin betwijfelt of de politie dat kan: daar komt volgens haar toch eerst de rechter aan te pas. Maar waarom valt zij altijd op zulke foute jongens? Nou, zegt de ander, dat kan ik niet ruiken of iemand fout is! Vriendin wijst dit excuus van de hand: het heeft te maken, zegt ze, met je zelfbeeld, je besef van eigenwaarde, met het kennen van je grenzen en weten waar je plek is. Zo! Die weet er veel van! Intussen is er mobieltelefonisch contact met een vriendin in Oss: zij zal er zijn als mijn verzekerde én bedreigde maar met sushi gevoede treinbuurvrouw in Oss arriveert. Als het zo ver is, maant vriendin die nog wat verder moet reizen haar aan: doe geen gekke dingen. Het antwoord dat ze krijgt is: ja, moeder. Als de vriendin alleen is, haalt ze een dikke roman uit haar tas en verdiept zich nog even in de lectuur. Zelf gaat ze in Den Bosch uit de trein; ze doet haar nepbontje aan en als ze opstaat, gunt ze me een blik op een royale strook bloot bollende buik waar de sushi hun troostrijke werk doen. Tot het station Tilburg blijf ik verzonken in gedachten ….
Stemkraakje

Brigitte Kaandorp heeft het afdoende belachelijk gemaakt, maar bij IanMcEwan, Notendop, 2016, vind ik het verschijnsel adequaat beschreven: de klank van haar stem, lichtelijk gebarsten, met een eendekwaak bij de klinkers. En tegen het einde van de zin een gorgelende, grommende klank die door Amerikaanse taalkundigen een vocal fry – een ‘stemkraakje’- wordt genoemd. De achtergrond is onbekend, maar dit kraakje verspreidt zich over de westerse wereld, wordt veel besproken op de radio, is vermoedelijk een teken van verfijning en wordt vooral aangetroffen bij jonge hoogopgeleide vrouwen (blz. 66-67). Dat laatste kan ik bevestigen: ik hoor het in de trein als ik naar mijn werk in Eindhoven ga uit de lieftallige keeltjes komen van verfijnde jonge meiden die naar de Universiteit gaan. Het klinkt cool, adult, sophisticated. Ik beluister er deze boodschap in: je kunt de wereld rustig aan ons overlaten.
Conrector – corrector

Op 15 mei 2019 stierf Wil Sterenborg, “na een lang en luisterrijk leven”, hij werd 95 jaar. Namens de Odulphus-gemeenschap plaatste rector Frans Claassens een overlijdensbericht waarin hij de merkwaardige carrière van Wil schetste: begonnen als conciërge op het Odulphus en geëindigd als conrector. Nadat Wil conrector af was, werd hij corrector. In die hoedanigheid heb ik hem leren kennen. Ik was enkele keren eindredacteur van een Goirles boekwerk, en Wil Sterenborg deed voor ons het correctiewerk. Zo ben ik verschillende keren bij hem thuis op de Kattenrug geweest. Wil was de vriendelijkheid zelve, maar onverbiddelijk met zijn rode pennetje. Dacht ik een tamelijk foutarme tekst af te leveren, kreeg ik hem terug bezaaid met correcties. Elke correctie legde hij uit. Spelling, grammatica, wel of geen tassenstreepje, hoofdletters of kleine letters, leestekens vooral … er ging zoveel fout dat ik wel eens gedacht heb: het is niet mogelijk de Nederlandse taal tot in de perfectie te beheersen als je niet Wil Sterenborg heet. Ik weet niet of ik veel van Wil geleerd heb, maar hij heeft me zeker tot een nederig mens gemaakt inzake Onze Taal. In het bovenstaande moeten tal van fouten staan, maar ik kan ze niet aanwijzen; ik hoop niet dat Wil zich omdraait in zijn graf, dat hij ruste in vrede. In Weekend 15 juni & zondag 16 juni 2019 van de NRC heeft de rubriek De laatste bladzijde (een necrologie van iemand die recent overleden is) een mooie beschouwing van Sandra Heerma van Voss met als kop: Taalkwestie? 'De Wil' wist raad.
Fucking

Nu hoop ik maar dat de lezer niet gaat denken dat de schrijver aan het dementeren is: op zijn oude dag allemaal vieze woorden opschrijven in Leydraden! Net zoals het hierboven behandelde taalfenomeen is het woord fucking niet van de lucht. Nu hoorde ik deze zomer een grietje van zes of zeven het woord gebruiken; onze taalgebruikers (m/v) beginnen al vroeg het woord fucking uit te proberen in allerlei combinaties. Ik hoorde het in Waterspoor, het Goirlese zwembad waar bijna alleen wat oudere mensen baantjes trekken als het minder dan 25 graden is. Twee jonge kinderen waren min of meer verdwaald in het nagenoeg verlaten bad en ik hoorde hun heldere stemmen goed. De een vond het water best wel warm, de ander voegde er aan toe dat het water fucking helder was, man. Fucking helder! Ha, heerlijk fucking helder Heineken.
Archaea

Op zondag 17 januari 2016 kreeg ik voor het eerst het woord archaea (enk. archaeon) onder ogen, in de Wetenschapsbijlage van NRC-Handelsblad. Het lijken bacteriën maar zijn het niet. Tot 1977 (Carl Woese) werden ze niet opgemerkt, tot 1990 werden ze ontkend, maar nu schijnen ze al in de schoolboeken te zijn doorgedrongen. Pas de fusie van archaea met bacteriën levert eencellige levensvormen met een kern op (eukaryoten), en vandaar gaat de evolutie verder tot en met wezens als u en ik die op zondag hun neus in de Wetenschapsbijlage steken. In het artikel wordt beschreven hoe het onderzoeksteam van Ettema (1977) aan de universiteit van Uppsala archaea opdiept uit de voedselarme en zuurstofloze zeebodem, maar archaea zijn evengoed te vinden in onze darmen, op de tandplak of in de vagina: ze zijn overal. Ze werden niet gevonden omdat ze erg klein zijn en er niemand naar zocht. Je schijnt er niet ziek van te worden, en dat is jammer, want dat betekent dat er nauwelijks onderzoeksgeld gaat naar de archaea, een van de oervormen van het leven. Wat weten we nog meer niet? O ja, van Dale kent het woord ook niet.
Lente en lipjes

De tertulia op vrijdagochtend in CC Jan van Besouw bestaat uit oude mannen, een enkele vrouw niet te na gesproken. Nu was het weer lente. Achter de bar van het grand café loopt met kwieke stap een jonge dame, heur ravenzwart haar gedeeltelijk in een staart bijeen gebonden; de rest valt wild langs een scherp gesneden gezicht dat zeer bleek is. Haar outfit is onveranderlijk van het diepste zwart. Zwart-wit, zo zou je haar verschijning kunnen samenvatten. Met welgevallen wordt naar haar gekeken als ze een kopje koffie serveert; de dapperste der ouden waagt wel eens een kwinkslag in een poging tot contact; een rijk in ruil voor jouw flauwe glimlach. Welke grootvaderlijke gevoelens gaan er in ons om? Of zijn ze niet grootvaderlijk, maar eerder die van een jonge vent die bedenkt welke daden hij met haar zou doen als hij haar vriend was? Kortom: wij houden heel veel van haar. Nu was het lente en ze had haar zwart-witte dogma doorbroken met fel roodgestifte lipjes. Het werd opgemerkt. Iemand zei: naturel heb ik ze liever. Er werd instemmend geknikt. Volgend onderwerp.
Post-truth

Post-truth is het woord van het jaar bij Oxford Dictionaries. Het volk heeft geen waarheid, geen feiten, geen wetenschap (geen opiniepeilingen) meer nodig: dat is de geniale ontdekking van het populisme, en Donald Trump is zijn profeet. Weg met de experts, weg met de elite, weg met de waarheid. Wat hebben we wel nodig? Een nar? De vraag stellen is hem beantwoorden. Hebben we feiten nodig? Als we er literatuur van maken, zoals Westerman het doet, wel. We zijn warm. Bij Beatrice de Graaf, de terrorisme-deskundige die ik graag zie en hoor, vond ik het antwoord: we willen geen feiten, maar mythe: een verhaal dat onder onze rationaliteit en moraliteit kruipt. Trump vertegenwoordigt de mythe dat Big Daddy al onze problemen zal oplossen en een einde maakt aan alles wat ons ergert. De post-christelijke gelovigen geloven er kennelijk in. Geef mij dan toch maar de aloude joods-christelijke mythe; van mijn part mag daar ook nog een flinke scheut Grieks-heidense mythe bij. Maar ja, ik leef ongetwijfeld in een bubbel: nog zo'n woord dat nu om de haverklap opbubbelt.
Eerlijk gezegd

Eerlijk gezegd is een vaak verkeerd gebruikte uitdrukking. Volgens mij zeg je het als je een onaangename, negatieve, kritische of gewaagde uitspraak doet. Niemand doet graag zulke uitspraken, maar om te verzekeren dat de ontvanger van dat onaangename toch welwillend gestemd blijft, vestig je de aandacht op je eerlijkheid. Want eerlijkheid is een deugd, daar kun je in principe niet tegen zijn. Maar ik hoor de frase ter begeleiding van aangename, positieve, onkritische en veilige uitspraken, en dan vraag ik me af: waarom eerlijk gezegd: dat is toch niet nodig? Ik ga door de bank genomen uit van iemands eerlijkheid, mij hoeft dat niet ingepeperd te worden. Ja, als ik dit in een verkeerde context hoor, word ik wantrouwig en denk: zou er op dat vlak iets aan de hand zijn? Neem bijvoorbeeld Sjaak Sperber, de wethouder van cultuur die op vrijdag 11 januari 2013 de tentoonstelling opende van de Meester en zijn gezellen. Hij zei het een keer fout en een keer goed. In de commissie kunst en cultuur was diepgaand gesproken over het concept van de expositie; het waren boeiende discussies geweest en eerlijk gezegd had hij er veel van geleerd. Hoezo eerlijk gezegd? Het is toch prima dat Sjaak leert van boeiende discussies over een zaak waar hij nog niet veel vanaf weet? Eerlijk gezegd wordt hier fout gebruikt. Even later besprak hij kort het werk van de meester Reinoud van Vught en zijn gezellen zoals dat in het gemeentehuis bijeen hing. Hij zei: eerlijk gezegd zie ik weinig of geen samenhang. Dit is een goed gebruik van de frase! Er is moed voor nodig om deze onaangename, kritische uitlating te doen, want als je geen samenhang ziet haal je het hele concept onderuit dat ten grondslag ligt aan deze tentoonstelling. Maar omdat we eerlijkheid in een bestuurder op prijs stellen, vergeven we hem die ongelukkige uitspraak. Laten we dus toch goed blijven onderscheiden. Maar als ik heel eerlijk ben, vind ik dat je nooit eerlijk gezegd moet zeggen, het is zo flauw....
Infotainment

Infotainment, also called soft news, is a type of media, usually television, that provides a combination of information and entertaiment. The term is usually used disapprovingly against more serious hard news. Wikipedia. Een voorbeeld van infotainment later op de avond is Jinek en/of Pauw. Maar eerst iets over Nadia Moussaid (34) die Jinek een aantal weken verving. Ze deed het heus heel goed, daar was iedereen het over eens. En wat een genoegen was het om naar Nadia te kijken: een prachtige vrouw, altijd opgewekt en blij, begiftigd met een gulle lach die geen moment van plan was van haar gelaat te wijken. Totdat de redactie achter de schermen ingreep, want die niet wijkende gulle lach bij het verslaan van natuurrampen en menselijk leed was een beetje incongruent. Ze deed heus goed haar best nadat ze op haar kop had gekregen, maar het overtuigde niet; Nadia is kennelijk voor de lach geboren.Pax Valentijn, wat een mooie naam heeft de boreling van Eva Jinek (40) gekregen. “Hij is er, het beste dat ons kon overkomen.” Eva kan het wel: bezorgd kijken als het onderwerp daartoe uitnodigt. Verder moet het vooral jolig zijn en gezellig, veel lachen, anders lopen de kijkers weg.  Pauw (58) heeft zich kennelijk ook vernieuwd, hij lijkt meer ‘geëngageerd’- sorry voor dit jarenzestig woord – hij laat merken wat ie er zelf van vindt. Hij begint nu ook een leeftijd te krijgen dat ie zich gaat verontschuldigen over het tainmentdeel van zijn show als er net een blokje info is geweest dat er toe doet. Hij begint de ondraaglijkheid van infotainment te ervaren. Ben benieuwd hoe lang hij dit nog volhoudt.
Broodje aap

De uitdrukking ‘broodje aap’  heb ik pas laat in mijn leven voor het eerst gehoord. Dat is misschien de reden dat in mijn taalgebruik weinig broodjes aap voorkomen. U weet wat het is: een onwaarschijnlijk verhaal, kan-haast-nie-waar-zijn. Maar onlangs verkeerde ik in kringen waarin men wars is van alle vlees; dode dieren eten we niet, en zeker geen broodjes aap. Alleen de uitdrukking al zou een vegetariër tegen de borst stuiten. Nu ging het over de gestrengheid van het veganisme, vegetariërs die helemaal niets van het dier of diergerelateerde producten willen gebruiken. Zoals kokosmelk. Kokosmelk!? Maar daar zit toch helemaal niets dierlijks aan? Dat zou je denken. Kokosnoten worden geoogst door apen die daarop getraind zijn, zo werd mij verteld. Kokosnoten en kokosmelk zijn daarom wel degelijk diergerelateerd en uit dien hoofde taboe voor de veganist. Ik stond paf. Het leek me eerlijk gezegd een broodje aap.
Denktank

Als er een denktank opgetuigd wordt om over de toekomst van Leydraden te rollebollen, dan ruik ik gevaar. Willem van de Vrande stopt volgend jaar, en wat dan? Denktank dus. Ik vind denktank geen fijn woord. Je ziet het voor je hoe zo’n tank over gevoeligheden dendert, heilige huisjes vermorzelt, een verwoestend spoor trekt in een voorheen lieflijk landschap. Maar misschien hoef ik niet zo te denken. De goede oude vanDale geeft immers vijf betekenissen: watervat, reservoir, dubbele bodem van een schip. Dan pas komt de gepantserde gevechtswagen op rupsbanden, voor het eerst in 1916 gebruikt door het Engelse leger. De vijfde betekenis doet mij glimlachen. Ze komt uit de wereld van de gymnastiek: een roloefening uitgevoerd door twee of meer personen die elkaar bij de enkels vasthouden. Ik zie het voor me: Joost Minnaard, Jan van Eijck en Frans de Groot (die namen hoorde ik eerder), elkaar bij de enkels vasthoudend en rollend over de mat voor een potje denkgymnastiek over de toekomst van Leydraden. Dat moet goed komen.
Ik hou (heel veel) van jou

Onze hoofdredacteur Guillaume heeft een taalkundig probleem met “ik hou van jou” en “ik hou heel veel van je.” Hoe komt het dat je “ik hou van jou” tegen vrouwlief zegt en “ik hou heel veel van je” tegen de buurvrouw? Als je het (per ongeluk?) omdraait kom je in de problemen, althans als je niet van huis en haard wilt wisselen. Help! Welnu, dat is toch niet zo moeilijk. Voordat ik het probleem taalkundig bij de kop pak, eerst maar eens filosofisch. Het verschil is ernst en luim. Ik hou van jou is een ernstige uitspraak; als je zoiets zegt betekent dat volledige toewijding in lief en leed totterdood. Het is een afgrondelijke uitspraak. Ik hou heel veel van je is een luimige uitspraak. Als je zoiets zegt, weten jij en zij/hij dat het nur Gerede is, kletskoek, praatjes voor de vaak. Meer is minder. Guillaume geeft een voorbeeld: “Margriet, ik hou heel veel van je, want je bent altijd heel attent.” Fout voorbeeld, dit zegt niemand. Als je tegen iemand zegt: ik houd heel veel van je, dan volgt er geen want, maar hoor je een onuitgesproken MAAR. Ik hou heel veel van je, maar ik zou voor geen goud onder één dak met je kunnen leven. Ik hou heel veel van je, maar ik moet er niet aan denken dat je mijn man/vrouw zou zijn. Ik hou heel veel van je, maar niet echt. Guillaume weet dat zelf natuurlijk ook wel. Tegen zijn vrouw zegt hij: ik hou van jou en geeft haar een kus vol op de bek. Tegen zijn buurvrouw zegt hij: ik hou heel veel van je en geeft haar een kus op beide wangen; die wangenkus is meestentijds een kus in de lucht. Ik hou heel veel van je is lucht.
Pleinverdriet

Ik heb het plein gezien in statu nascendi: wekenlang de barensweeën en toen lag het er op 11 juli schoon en nieuw; alle stenen in het gelid, de laatste rommel opgeruimd, een volkomen leeg plein, aan drie zijden omzoomd door kloeke gebouwen: Hof van Oranje, Woonstichting Leystromen, Gemeentehuis, Gezondheidscentrum Oranjeplein, Prinsenhof; aan één zijde de wand met woonhuizen oud-Goirle. Samen met Ger Rodenburg heb ik in de late donderdagmiddag vanaf het Gezondheidscentrum naar het plein staan kijken, naar dat grote, lege plein. Het was een zen-ervaring. De volgende dag, vrijdag 12 juli, moest ik wenen om dat plein: opgeleverd en overgeleverd aan de auto's; overal stond dat verrekte blik. Het zen-plein was een ordinaire parkeerplaats geworden, een miserabel uitzicht voor alle Pleinwerkers en -bewoners. Wat een armoe, wat een verdriet: pleinverdriet.
Schuimwoorden

Japke-d. Bouma heeft inmiddels bekendheid gekregen vanwege haar 'jeukwoorden': tenenkrommende krompraat op kantoor en in bedrijf waartegen zij ten strijde trekt. Wist u dat mijnheer Gezelle (1830-1899), de priester-dichter over wie Michel van der Plas een boeiende biografie heeft geschreven (Anthos, Baarn, 1998) eenzelfde allergie had voor woorden uit omliggende talen die hij 'schuimwoorden' noemde? Van der Plas geeft vermakelijke voorbeelden van hoe de 'taalman' Guido Gezelle vreemde invloeden in de taal te lijf ging. Van baby of bébé wilde hij niet horen, dat moest papbaard worden. Straat moest steenweg worden, uur stonde, keuken ziedhuis, intelligent bevattig, envelop omsloof, anus grendeldeure, paraplu schuile, telefoon spreekdraad, alcohol brandgeest. Zijn voorstellen hebben geen school gemaakt. Ik ga ze ook niet in mijn vocabulaire (sorry, Guido) opnemen. Geef mij maar zijn schrijverke: o krinklende winklende waterding, met 't zwarte kapotsteken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink al schrijven op 't waterke gaan!
Getsie

Destijds voerde ik een boeiende briefwisseling met een vrouw die helaas niet meer onder de levenden is; het was een platonische liefde. Behalve in de brieven, kwam ik haar wel eens op straat tegen, maar nooit op het zwembad, nooit in de bibliotheek hoewel we een passie voor lezen deelden. Zwemmen in water waarin ook anderen zich wentelden met hun smerige lijven vond ze een weerzinwekkende gedachte. Om dezelfde reden wilde ze ook geen boeken ter hand nemen die al door andere handen gegaan waren. Ook dat vond ze smerig; ze kocht al haar boeken. Ik heb altijd gedacht dat het een onschuldige afwijking was: smetvrees. Maar op 14 november 2013 ging ik anders denken door Sabeth Snijders op de Achterpagina van NRC Handelsblad. “Alle bibliotheekboeken, zelfs strips, bevatten sporen van bacteriën, virussen en drugs, is gebleken in het tv-programma Man over Boek op de Belgische zender Canvas. De makers lieten de tien meest uitgeleende boeken van een bibliotheek testen, onder meer de Helaasheid der dingen en Het diner. Toxicoloog Jan Tytgat die de aanwezigheid van THC (cannabis) onderzocht, is niet verrast: 'We weten al decennialang dat op elk dollarbiljet sporen van cocaïne zitten. Dat dit fenomeen zich voordoet op objecten die vaak worden aangeraakt door verschillende mensen zoals deurklinken, is nu in West-Europa aantoonbaar.” Als uitsmijter wordt vermeld dat op het exemplaar van Vijftig tinten grijs sporen van het herpesvirus werden aangetroffen. Volgens Tytgat kunnen we rustig blijven lenen en lezen. De hoeveelheden herpes etc. zijn niet van dien aard dat ze de gezondheid schaden. Ik hoor echter vanuit een hiernamaals iemand getsie zeggen.
Internet

Over de bibliotheek gesproken; op vrijdag 1 november 2013 wandelde ik met een groep zangeressen van de Russische groep Classica van het Heem naar het Jan van Besouw. We hadden nog een half uurtje voordat de bus hen zou meenemen naar Breda, dus ik dacht: ik laat de bibliotheek zien. Russen zijn verwoede lezers, ze zullen het interessant vinden. Inderdaad gingen ze gretig in op mijn voorstel, en even later dwaalden we door onze mooie bibliotheek. Het was even over half een. Op een gegeven moment vroeg een gast: en waar zijn de mensen? Inderdaad, een goede vraag. Er was geen sterveling te zien, zelfs bibliotheekpersoneel was onzichtbaar. Ik antwoordde: het is lunchtijd, daarom is er niemand. Die verklaring vond een andere gast ontoereikend; ze schudde haar hoofd en gaf háár verklaring, aan één woord had ze genoeg, met een rollende tong-r sprak ze: interrrnet!
Oké

In nummer 62 (november  2005) maakt Willem van de Vrande een opmerking over de verspringing van de klemtoon in dat merkwaardige woordje oké. Tevens roept hij de gebruikers van dit "nikszeggende stopwoordje" toe: hou er toch mee op! Die oproep is mij uit het hart gegrepen, maar het fenomeen oké is bij lange na niet beschreven met te zeggen dat de klemtoon verschoven is van de eerste naar de tweede lettergreep. Oké is trouwens ook geen stopwoordje, maar een woord dat in gesprekken gebruikt wordt, waarmee de gesprekspartners elkaar laten weten dat ze bij de les zijn. In die functie vervangt oké replieken als het simpele "ja" of "jaja", "o zo", het foeilelijke "is dat zo" of het "hmm" waarvan Tom Poes zich bediende als hij/zij heer Bommel moest aanhoren. Ook ik zal oké niet uitputtend kunnen behandelen; zo is het voor taalkundigen onduidelijk waar het woord vandaan komt; ja, van het Engels: okay, all right, all correct, maar het klopt niet helemaal. Laat maar zitten. Ik wil het niet over de klemtoon hebben, maar over de toon. Ik heb wel eens gehoord dat het Chinees veel doet met de toonhoogte van het woord om semantische verschillen tot uitdrukking te brengen. Nou, dan groeien het Nederlands en het Chinees naar elkaar toe. Jammer dat Leydraden nog niet digitaal wordt uitgegeven, want dan zou ik een podcast invoegen om met sound samples duidelijk te maken wat ik bedoel. Laat ik trachten mijn veldonderzoek in woorden weer te geven. Het veld is de treincoupé, mijn waarnemingen betreffen conversaties tussen overwegend jongelieden van beiderlei kunne. De liefde is nog niet verklaard, zover zijn we nog niet, maar er hangt iets in de lucht dat eigenlijk onuitsprekelijk is. Wat nikszeggend stopwoordje? Met oké wordt alles gezegd voor wie oren heeft om te horen. De bandbreedte is van: oké, ik hoor je (variaties; geïnteresseerd/ongeïnteresseerd) via oké, ik onderwerp me (dan hoor je een snik in de stem, het woord komt als gekerm uit de lieftallige mond) tot en met de volledige overgave, oké nu heb je me helemaal (als één langgerekte, "zeg maar" pornosonische, orgastische gil die heel hoog kan gaan). Ik heb laatst al die variaties in een tijdsbestek van een kwartier gehoord. Het gekke is dat het gesprek zelf niets om het lijf had, ja, ik zou het gerust onbeduidend willen noemen wat de jongeheer zo al te berde bracht. Maar de oké-reacties van de jongedame zaten op een ander niveau, ze gaven blijk van interesse die zo oud is als de mensheid. Er zaten nog allerlei andere mensen in de coupé die met dit gebeuren niets te maken hadden, alles in het openbaar. Het evolutionaire wonder van deze oké-praktijk is dat de jongedame zich tegelijkertijd bloot kan geven, én zich gekleed weet door de laatste mode. Met oké kun je heel wat doen, het is de toon die de muziek maakt én de betekenis verleent. Oké?
Accent

Rutte ontvang Obama en spreekt hem in het Engels toe. Wij Nederlanders spreken onze talen, nietwaar? Daarna waren er allerlei opmerkingen over het Engels van Rutte: niet best, was de teneur, van alles op aan te merken. In Trouw van 29 maart 2014 demonteert Allison Edwards (promovenda aan de universiteit van Cambridge) die kritiek. Ze zegt: “Nederlanders zijn er nog niet aan toe om te accepteren dat er een Nederlands-Engels bestaat. Maar die variant komt er wel aan. Ja, Mark Rutte heeft een accent: get over it”! Ik citeer het slot van haar beschouwing: “Wat betreft het Engels van Rutte, dat is lang niet slecht als voorbeeld. Is het grammaticaal juist? Ja. Is het goed verstaanbaar? Zeker. Spreekt hij als de koningin van Engeland? Nee. Maar Obama ook niet. Nou en? Het Engels is nu van ons allemaal.”Iets anders. Russen die Nederlands hebben geleerd? Je hoort het altijd: dat is een Rus(sin). Maar op de jaarvergadering van de stichting Goirle-Krasnogorsk op 11 maart leerde ik Liza Tsjebysjeva kennen; ze hield schijnbaar uit de losse pols een voordracht over haar werk in Sotsji tijdens de winterspelen. Ze deed dat in foutloos, accentloos Nederlands … zoiets had ik nog nooit gehoord. Toen ik kritisch ging luisteren, ontdekte ik nog iets opmerkelijks: ze maakte hele volzinnen! Als wij onze moedertaal spreken, zijn we vaak stuntelaars; de meeste zinnen komen niet tot een goed einde, ze mislukken vaak jammerlijk. Zo niet bij Liza. Ze is een taalwonder. In Goolse Kringen vertelde ze dat ze op 13-jarige leeftijd naar Nederland was gekomen; met een stoomcursus had ze in vier maanden Nederlands geleerd, daarna had ze de middelbare school doorlopen; ze is nu 27.
Obemma

Iedereen die op school Engels/Amerikaans heeft geleerd, weet dat de uitspraak van deze mooie taal verre van eenvoudig is. Het woordbeeld kan drastisch verschillen van de uitspraak. Je moet het gewoon weten, d.w.z. je moet het gehoord hebben van native speakers. Meestal gaat het goed. Af en toe gaat het fout. Ten tijde van de Amerikaanse presidentsverkiezingen zei iedereen all over the world Obama: met een mooie, open aa. In het geval van deze naam is de uitspraak voor ons eenvoudig, want ze volgt gewoon het woordbeeld. Maar dat deed bijvoorbeeld Jack de Vries niet, onze kwieke staatssecretaris van defensie, voormalig spindoctor van van Balkenende. In Pauw en Witteman sprak Jack voortdurend van Obemma, terwijl al de mensen om hen heen Obama zeiden. Kan die man niet luisteren? Op de vroege ochtend van 5 november 2008 zat een andere staatssecretaris uit het kabinet Balkenende, Frank Heemskerk van Economische Zaken, in een panel met Philip Freriks in een studio in Washington. Weer een man die beter dan de Amerikanen weet hoe je Obama zegt: nl. als Obemma. Tijdens dat gesprek werd het inmiddels beroemde fragment gedraaid waarin McCain senator Obama feliciteerde met zijn historische overwinning; McCain liet een mooie open aa horen. Eigenlijk heb ik niemand – ik ben er speciaal op gaan letten – waar dan ook Obemma horen zeggen, behalve onze snelle, Amerikaniserende staatssecretarissen Sjek en Frenk uit het kabinet Balkenende. Waarom heeft niemand in hun omgeving gezegd: jongens, doe niet zo mal, het is Obama hoor! Waarom gebeurde dat niet? Horen ze zoiets niet? Obemma, getverdemme, dat zeg je toch niet!
Sidekick

De vraag kwam op in Een Uur Literatuur, het wekelijkse literatuurprogramma op LOG-radio. Mijn maatje, Els van Kemenade, was er niet, en ik vroeg Will Pullens of zij voor één keer mijn sidekick wilde zijn. Dat wilde ze wel, maar ze vroeg me of ik er geen Nederlands woord voor had. Niet dus, maar ik kan er wel een bedenken. Eerst zocht ik echter in Longman, dictionary of contemporary English. Dit woordenboek markeert sidekick als een Amerikaans-Engels woord: a usually less important helper or companion. Vervolgens greep ik naar van Dale Engels-Nederlands. Die geeft vertalingen in drie registers 1. handlanger, ondergeschikte partner, 2. makker, maat, boezemvriend, 3. zijzak (in kledingstuk). Ik zou Els van Kemenade noch Will Pullens less important durven noemen, maar hou die boezem even vast. Om de betekenis van een woord te leren kennen, moet je niet enkel woordenboeken raadplegen, maar ook het leven. In talkshows op de televisie heb je de presentator, zeg maar haantje de voorste, en naast hem zit de sidekick, meestal een mooie chick. Een bekend voorbeeld is RTL Boulevard met Albert Verlinde, de nationale babbelnicht. Naast hem zit Daphne Bunskoek, Albert's sidekick. De spirituele, maar soms vileine Marjoleine de Vos heeft eens in een televisierecensie geschreven dat de voornaamste bijdrage van Daphne aan het "gesprek" het wijd opensperren van haar ogen is. Niet alleen de vederlichte programma's voorzien zich van sidekicks, zelfs de christelijke Andries Knevel is door (op?) de knieën gegaan in zijn late-night-show. Een sidekick is een mooie vrouw naast de presentator. Als het onderwerp wat saai wordt of het gesprek te dom, dan is er in ieder geval de ogentroost, het decolleté, de mooie toet, de opengesperde ogen. We naderen nu mijn voorstel voor een vertaling van sidekick. "De stoot aan je zijde" is te omslachtig en gebruikt te veel woorden. Maar het kan in één woord: zijstoot.
Annejet

Wat een genoegen was het om Annejet van der Zijl te zien en te horen. En hoe charmant dat spwaakgebwek. Op het laatst kon ik er niet genoeg van krijgen: hoi, weer een woord met een r erin, weer een kans dat een r strandt of schikbreuk lijdt of verzakt in drijfzand, in moeras, in de consternatie: welk r deze keer? Want ze beschikte over diverse er-ren: tong, huig, normale en abnormale, en Chinese. Verder was Annejet perfect. Een mooi gezicht, blond, bleu, een vriendelijke lach, een bescheiden presentatie, een moreel hoogstaande wereldbeeld, een gezonde, Hollandse (c.q. Friesche) inborst, een nuchter oordeel, een lichte toets, een fijne pen die niet kwetst en beledigt. Ik kreeg een Verlichting. Als onze scribenten en tekenaars nu eens zich spiegelden aan Annejet, dat zou de wereldvrede goed doen. Dan hoefden er niet zoveel ambassades en kerken in de fik, mensen vermoord, producten geboycot. De verhuftering van Nederland zou een halt toegeroepen worden. Er zou weer toekomst gloren. In de pauze sprak ik met een mevrouw van CDA-huize die mij choqueerde met haar opvatting dat zij Annejet van der Zijl oppervlakkig vond. Of ik die mening met haar deelde? Ik was zo verbouwereerd dat ik tamelijk debiel wat onnozele dingen heb staan te stamelen; ik geloof zelfs – het is te gênant om het op te schrijven – dat ik gezegd heb, quote: het is moeilijk om diepzinnig te zijn. Annejet oppervlakkig? Toen ze nog bij HP/De Tijd werkte als journalist, zat ze boven op een scoop toen Freddy Heineken haar vertelde dat prins Willem-Alexander een nieuwe vriendin had. Maar ze herkende dat babbeltje niet als nieuws! Daar kwam ze pas achter toen De Telegraaf veertien dagen later het nieuws bracht met die tractorbanden van letters. Toen is Annejet maar de reconstructieve literatuur ingegaan. Nu schrijft ze over mensen als Annie M.G. Schmidt, over Sonny Boy en straks over prins Bernhard op een manier waarvan je zegt: mmmmja, zo kan het toch ook? Je hoeft toch niet altijd diep de beerput in te gaan? Een laagje suiker er over heen smaakt toch beter? Kortom, daar in de Boschkens zat Annejet van der Zijl, en ik ging voor de bijl.